2 juni 2013, 17 uur. Op het einde van een eindeloos lijkend seizoen en na een met de verlostang geforceerde zege tegen RFC Liège (1-0) is Union Saint-Gilloise zeker van het behoud in 3B. Anthony Sadin beleeft het avontuur vanop de eerste rij. De doelman is dan 24 jaar. Een stijlrijk figuur: goed gevulde, perfect getrimde baard, de haren keurig geknipt, de babbel vlot. Taalvaardig blaast hij zijn vreugde in de micro van Télé Bruxelles. Wat verder op het veld raken zijn ploegmaats buiten hun zinnen en geven ze zich daar ongeremd aan over. Als antwoord op de vragen van de regionale televisie dompelt trainer Tom De Cock zijn hoofd onder in een emmer champagne.
...

2 juni 2013, 17 uur. Op het einde van een eindeloos lijkend seizoen en na een met de verlostang geforceerde zege tegen RFC Liège (1-0) is Union Saint-Gilloise zeker van het behoud in 3B. Anthony Sadin beleeft het avontuur vanop de eerste rij. De doelman is dan 24 jaar. Een stijlrijk figuur: goed gevulde, perfect getrimde baard, de haren keurig geknipt, de babbel vlot. Taalvaardig blaast hij zijn vreugde in de micro van Télé Bruxelles. Wat verder op het veld raken zijn ploegmaats buiten hun zinnen en geven ze zich daar ongeremd aan over. Als antwoord op de vragen van de regionale televisie dompelt trainer Tom De Cock zijn hoofd onder in een emmer champagne. De Cock is op dat ogenblik een man die te veel geleden heeft. In dat seizoen werd hij eerst aan de deur gezet en nadien weer binnengehaald, als een brandweerman die de meubelen moest redden. Wanneer hij daarin slaagt, fêteert hij stomdronken zijn persoonlijke revanche en niemand neemt hem dat kwalijk. Negen jaar later zwerft Tom De Cock nog altijd rond als trainer van wanhopige ploegen. Van die enkele maanden in Brussel heeft hij zich eigenlijk nog niet hersteld. 'Het is met voorsprong de meest onwaarschijnlijke ervaring in mijn loopbaan. Bij Union werd ik in enkele maanden vijf jaar ouder. Ik was toen amper 38 jaar, mijn enige ervaring als T1 was een passage bij Zaventem, een kalme club zonder geschiedenis. Dat gebrek aan kilometers was een probleem, ik geloof dat ik nog niet klaar was voor Union. Niet klaar voor supporters die na een overwinning tegen Doornik een uur lang de polonaise dansten in de tribune. Niet klaar voor die gekte.' Mocht het daarbij gebleven zijn - laveloze fans die na een zege de banken van het Joseph Marienstadion afbraken -, Tom De Cock zou nu allicht een ander discours afsteken. De kwestie is meer dat Union in dat seizoen 2012/13 weinig overwinningen boekt. De club stapelt integendeel nederlagen op en gevangen in een spiraal van verlies zinkt ze naar de 17e plaats (van 19 ploegen): Union was rijp voor de val naar wat dan Bevordering (4e klasse) heet. Dat is evenwel gerekend zonder de grappen die het Belgische voetbal altijd in petto heeft. Union oordeelt dat het heropvissen van Doornik (na zes speeldagen) de competitie heeft vervalst of er op z'n minst een puinhoop van heeft gemaakt. Zonder Doornik immers was het bij twee dalers gebleven. En geen drie. Begin mei 2013 legt Union klacht neer bij de Brusselse rechtbank van eerste aanleg. Met die juridische actie wil de club de eindronde van potentiële dalers naar Bevordering en kandidaten voor de promotie naar D3 blokkeren. Tien dagen later hakt het Belgische Arbitragehof voor de Sport (BAS) de knoop door. Het wijst de eis van Union - onmiddellijk behoud in D3 - af, maar de niet regulier bevonden overdracht van activa van Tienen redt de club. Doordat Tienen degradeert, mag Union deelnemen aan een eindronde in de vorm van twee barragematchen met directe uitsluiting. Dat van die directe uitsluiting mag u letterlijk nemen. 'We speelden toen voor onze overleving', herinnert Olivier Dumonchaux zich. Hij is zes jaar eerder als stagiair bij Union neergestreken, en doet er in 2022 nog altijd dienst als secretaris-generaal. 'Nee, dit zijn geen holle woorden. Ik weet niet of Union zonder die beslissing van het arbitragehof nog zou bestaan.' De eerlijkheid gebiedt te zeggen: Union beleeft al troebele tijden sinds de komst van de Italiaanse overnemers van het schimmige bedrijf '009' in januari 2009. 'Die gasten dachten dat ze de club in enkele jaren weer in eerste klasse zouden krijgen', vertelt Charles Picqué, sinds 1985 burgemeester van Sint-Gillis en voorzitter van Union van 1993 tot 2000, op ironische toon. 'De waarheid was dat ze van AC Milan spelers van het zevende knoopsgat meebrachten. Niks voetballend vermogen. Die kerels zagen er oogverblindend knap uit, maar op een voetbalterrein was de gel die ze gul in hun haar hadden gesmeerd het enige wat blonk.' Een andere waarheid wil dat de herkomst van het geld van de Italianen moeilijk traceerbaar is. En dat ze niet staan te springen om hand in hand met de lokale overheid aan de restauratie van Union te timmeren. Wanneer de Italianen zich niet vlug genoeg uit de voeten kunnen maken, moet de club op zoek naar nieuwe overnemers. En tegelijk - we zitten intussen in het vermaledijde seizoen 2012/13 - het behoud in derde klasse afdwingen. Dat seizoen krijgt dus een merkwaardig verlengstuk, een drieluik dat op 19 mei 2013 begint met een thuismatch tegen vierdeklasser Leopoldsburg. De Limburgers hebben niets te verliezen. Derde klasse is een droom voor hen, de kans om die in werkelijkheid om te zetten onverhoopt, ze voetballen vrank en vrij. Union daarentegen speelt met de strop om de hals. In de 94e minuut leidt Leopoldsburg met 2-3 en gelooft niemand nog in een toekomst voor de Brusselaars. Dan breekt het moment aan van een jongeman die enkele uren voordien met een bus van het openbaar vervoer in het Dudenpark is gearriveerd. De status van chouchou heeft Ignazio Cocchiere op dat ogenblik nog niet bereikt. Hij is gewoon een van de vele Italianen - nog een - in de geel-blauwe rangen. Anders dan al die andere Italianen verblijft hij pas vier maanden in België en passeerde hij niet langs '009'. Cocchiere monsterde in Brussel aan om er zijn thesis over burgerlijke bescherming op Europees niveau af te werken. Hij stortte zich op zijn studies en rangeerde daarvoor zijn aspiraties als voetballer op een zijspoor - hoewel hij bij Inter Milaan was gevormd. 'Ik studeerde als bezeten, voetbal was totaal geen prioriteit voor mij. Maar op een avond besloot ik om een match te gaan bekijken op de Kleine Heizel, het voetbalveld naast wat nu het Koning Boudewijnstadion is. Ik was gewoon nieuwsgierig en ook: ik kende niemand in Brussel. Dit was misschien een goede gelegenheid om mensen te ontmoeten.' Een goede ingeving. Bleid Molenbeek en Union Saint-Gilloise haspelen die avond op de Kleine Heizel een competitiewedstrijd af. Aan de rand van het veld loopt Cocchiere Ibrahim Maaroufi tegen het lijf, met wie hij enkele jaren bij Inter heeft gevoetbald. ''Het eerste wat ik hem vroeg was: wat doe jij hier? Maar hij was natuurlijk nog meer verbaasd om mij daar te zien. Ibrahim was teruggekeerd uit Iran en wou zich als voetballer opnieuw lanceren bij Union. Hij stelde me voor om bij Union een test af te leggen. De rest is geschiedenis.' Vijf maanden later is het dus een Erasmusstudent die Union voor de eerste keer overeind houdt in de wedstrijd tegen Leopoldsburg. In de 95e minuut brengt Ignazio Cocchiere de stand op 3-3. Er volgen verlengingen, nog minstens dertig minuten is Union levensvatbaar. Wel verkeert de patiënt in hoge ademnood, in de eerste verlenging klimt Leopoldsburg opnieuw op voorsprong: 3-4. Pas in de 119e minuut hijst Union zich weer op gelijke hoogte, een goal van de Senegalese verdedigende middenvelder Sadjaliou Sow. Een epische strafschoppenreeks beslist over het lot van geel-blauw. Daarin vuurt doelman Anthony Sadin het schot af dat Union in leven houdt. 'Omdat de meeste ploegmaats er de ballen niet voor hadden, bood ik aan om de vijfde strafschop voor mijn rekening te nemen. Er trok een golf van opluchting door de groep. Iedereen liep ineens over van vertrouwen in mij. Vreemd, want ik had in mijn carrière toch hier en daar al een penalty gemist. ( lacht) Anthony ( Cabeke, nvdr) was zelfs mijn goal al gaan vieren, terwijl ik mijn aanloop nog moest nemen.' In werkelijkheid is Anthony Cabeke onderweg naar een Japans restaurant in Waterloo waar de Duitse investeerder Jürgen Baatzsch de spelersgroep na de match verzamelt om tot in de kleine uurtjes te feesten. Het wordt een zwelgpartij, te zot voor woorden. Bedwelmd door de overwinning en het scenario waarin Union meerdere keren uit de dood opstond, vieren de mannen van Tom De Cock alsof ze net kampioen van België zijn geworden, terwijl deze winst nog maar een eerste stap naar het behoud is. Een week later staat de wedstrijd tegen Hasselt (dat UR Namur heeft gewipt) op het programma. Opnieuw een thuismatch. 'We waren er allemaal rotsvast van overtuigd dat we Hasselt met de vingers in de neus zouden kloppen', vertelt De Cock. 'Dat was een algemeen gevoel en als dat de kleedkamer overspoelt, breng je dat nog moeilijk tot bedaren. Ik bewoog hemel en aarde om de adrenaline te doen dalen, maar ik slaagde daar niet volledig in: we begonnen met te veel zelfvertrouwen aan die wedstrijd tegen Hasselt.' Die zelfoverschatting komt Union op een les in voetbal en in nederigheid te staan. Er hoort een telraampje bij: die 26e mei 2013 moet Anthony Sadin zich vijf keer omdraaien. 0-5, Union staat met één voet en vier tenen in Bevordering. Maar omdat België een oord van mirakels is en het Belgisch voetbal een administratieve warboel verrijst de club andermaal uit zijn as. Noem het: het vlindereffect op de wijze van het Belgische voetbal. Enkele dagen na het debacle tegen Hasselt levert het faillissement en de schrapping van Beerschot een nieuwe laatste kans op voor Union: een ultieme barragematch tegen RFC Liège. De ontmoeting tussen de twee (goed bevriende) clubs vindt op 2 juni 2013 plaats in een zonovergoten Dudenpark. Drieduizend toeschouwers troepen er samen, de match markeert de geboorte van een nieuwe generatie supporters. Esteban Casagolda tekent voor het enige doelpunt van de wedstrijd, de goal die Union definitief in derde klasse houdt. 'Enkele maanden voordien speelde ik met Motherwell nog de finale van de beker van Schotland in Hampden Park en nu maakte ik dit doelpunt in de match voor het behoud en ik heb het gevierd alsof mijn leven ervan afhing. Het zegt veel over wat we dat seizoen te verduren kregen.' In de coulissen beslist de genereuze Jürgen Baatzsch om zijn nieuwe vrienden voortaan niet alleen meer op sushi's te trakteren. Enkele maanden eerder was hij voor het eerst naar het Dudenpark afgezakt, op aandringen van zijn bankier. De Duitse zakenman zit op een berg geld en besluit om een deel daarvan, in zijn nieuwe hoedanigheid van voorzitter, te besteden aan Union. Een belegging die spoedig sportief loont. Nadat ze zich in het seizoen 2013/14 hebben gemengd in de strijd om de promotie, zijn de helden van 2013 uitgegroeid tot een bende vrienden die samen hele avonden doorzakken in La Bella Vita, een Italiaans restaurant op twee passen van het Astridpark - uitgerekend in Anderlecht. Union nadert zijn eeuwige rivaal, maar beseft het nog niet. In eerste instantie slaat Union de brug naar de top dankzij de inbreng van spelers als Yahya Boumediene en Nicolas Rajsel, voetballers die een toegevoegde waarde brengen. 'Van Nicolas had ik meteen gezien dat hij eigenlijk in de derde klasse niets te zoeken had - daar was hij veel te goed voor', vertelt Drazen Brncic, in 2014 trainer van Union Sint-Gilloise. Op 31 augustus 2014 valt Brncic voor de vaardigheid van de Franse Sloveen Rasjsel. 'Jürgen Baatzsch had me al duidelijk gemaakt dat wat hem betreft onze mercato erop zat. Komt daar op de allerlaatste dag die jongen testen, in het gezelschap van zijn vader. Ik kijk mijn ogen uit, ik denk: die moet ik hebben. Heb ik twee uur lang aan het hoofd van onze voorzitter zitten zeuren. Uiteindelijk zegt die: 'Oké, maar ik geef hem duizend euro per maand en geen cent meer.' Van dat geld moest Nicolas dan nog zijn huur betalen. Het is bijna ongelooflijk dat hij dat voorstel accepteerde.' Want het mag duidelijk zijn. Als Jürgen Baatzsch er in zijn leven in slaagde pakken poen bij elkaar te graaien, dan komt dat mede omdat hij nooit veel geld aan anderen gaf. 'Dat is de paradox van de rijke mensen', filosofeert Esteban Casagolda. 'Toen Jürgen bij Union kwam, plaatste hij een gigantisch scherm achter een doel, daarop flitsen onze foto's op reuzeformaat voorbij. We hadden een scorebord van topniveau, maar moesten ons omkleden in containers in het Bemptpark in Vorst en douchen met koud water.' Sanitaire omstandigheden die overigens niet beletten dat de nieuwe aanvalslinie van Union, gedirigeerd door Nicolas Rajsel, de voorzitter de promotie naar tweede klasse schenkt. 'We hadden een goede ploeg, Nicolas was een schitterende speler, maar ik denk dat de beste keuze in de periode van Jürgen Baatzsch die voor de trainer was', analyseert Anthony Cabeke. 'Drazen Brncic voerde in de club een doorgedreven professionalisering door.' Kan de Kroaat ronduit positieve resultaten voorleggen, op het einde van het seizoen laat het bestuur hem toch vertrekken naar Patro Eisden. 'Ze hebben lang geaarzeld om me te houden', vertelt Brncic. 'Te lang, naar mijn zin. Toen ik uiteindelijk op club kwam om mijn auto in te leveren en te melden dat ik voor Patro had getekend, voelde ik de twijfels bij Jürgen Baatzsch. Ik had me in dat gevoel niet vergist. 's Anderendaags in Maasmechelen zei de voorzitter daar dat Baatzch hem gebeld had en 10.000 euro had voorgesteld om mijn contract te verbreken. Maar het was te laat: ik had mijn woord al gegeven.' Gelukkig voor hem reageert Jürgen Baatzch niet altijd laattijdig. Hetzelfde jaar, en na de benoeming van Marc Grosjean als trainer, schakelt hij een versnelling hoger in de communicatie van de club. Hij wikkelt een sjaal van Union om de hals van Philippe Cocu en Nicolas Anelka, brengt in het gezelschap van Marc Wilmots een bezoek aan Schalke 04, overtuigt Jean-Marie Pfaff om een wedstijd in het Dudenpark bij te wonen, zanikt acteur Benoît Poelvoorde wekenlang aan z'n kop om hetzelfde te doen, en voert een concept in dat hij oppikte in zijn jaren dat hij de Grote Prijzen MotoGP afschuimde. 'Ik wilde mooie meisjes als hostess naar Union brengen. In het voetbal deed niemand dat, maar tijdens autoraces zag je er wel elke week op alle circuits van de wereld. De idee erachter was dat mensen niet alleen naar het stadion kwamen om naar voetbal te kijken, maar om spektakel te beleven. ' De hostessen - ze gaan vlug als 'Unionettes' over de tong - zijn mannequins die Jürgen Baatzsch vaak gaat plukken in Tsjechië en Duitsland. En hij installeert ze in het centrum van zijn project: van alle openbare optredens, van de selfies van de voorzitter en, vanzelfsprekend, van alle wedstrijden van Union. 'Ze werden stukken beter behandeld dan wij, voetballers', windt Anthony Sardin zich nog altijd op. 'Ik herinner me het begin van een seizoen. Wij hadden onze nieuws shirts nog niet gekregen maar zij, de hostessen, huppelden vrolijk met hun nieuwe paraplu rond in hun nauwsluitende pakjes. Dat was allemaal perfect in orde, die meiden hoefden zich geen zorgen te maken. Ondertussen speelden we nog altijd met onze ouwe shirts zonder sponsor.' ( lacht) In de buitenwereld scoort de communicatiestrategie van Baatzsch hoge cijfers. Krantenknipsels uit die periode schilderen de folkloristische kant van een voorzitter die niet is als de anderen. 'Maar het was vooral een gokker', klinkt het in het portret dat Fabrizio Basano, historisch lid van de Union Bhoys, van Baatzch schetst. 'We keurden niet alles wat hij deed goed, we herkenden onszelf niet altijd in al dat klatergoud en de lovertjes. Dat spoorde niet met onze identiteit. Maar hij wist het virus in de club te injecteren, dat moet je hem nageven. Hij deed de hoop herleven.' Velen delen die mening. Om te beginnen, Charles Picqué die de komst van 'die excentrieke man' gelijkschakelt met 'een bocht die de club nam. Hij was een zonderling, maar heeft zuurstof in de club gepompt. Vooral dan met zijn internationaal getinte adressenboekje. Hij was een soort smokkelaar en een kosmopoliet. We hebben veel voorzitters meegemaakt die genereus waren met hun inspanningen en hun tijd en zich dubbel plooiden voor de club. Maar Baatzsch voegde daar iets aan toe: hij kwam met geld over de brug.' Veel meer geld dan zijn voorgangers. Met zijn plannen maakt hij veel hoofden duizelig, niet het minst dat van hemzelf. Jürgen Baatsch is een voorzitter die de voeling met de werkelijkheid heeft verloren, de werkelijkheid van een amateurclub met voor het merendeel amateurvoetballers. 'Hij sprak ons van zijn droom om een stage van drie weken in Zuid-Afrika te organiseren', spoelt Anthony Cabeke terug. 'Dan zeiden we hem: président, het is op ons werk onmogelijk om drie weken vakantie te nemen.' Toch keerde hij geregeld met dat idee terug. Of hij organiseerde overdag promoactiviteiten en dan vroeg hij ons systematisch om aanwezig te zijn. Er daagde natuurlijk geen kat op, wij moesten werken.' ( lacht) Maar de sportieve doelstellingen van Jürgen Baatzsch worden wél bereikt. In het seizoen 2015/16 ziet Union zich verplicht om bij de eerste acht te finishen en zo een ticket voor het volgende seizoen in 1B te bemachtigen. Marc Grosjean slaagt in die opzet, een sportief succes dat zich het seizoen daarop koppelt aan een tijdelijke verhuizing (van het Dudenpark naar het Koning Boudewijnstadion) en een eerste zuivering van de spelersgroep. De trainer borstelt een deel van zijn spelersgroep weg. 'In menselijk opzicht waren dat geen gemakkelijke momenten', zucht Ignazio Cocchiere. 'Elke match scandeerden de supporters mijn naam, maar ik stond niet meer op het veld. Ik had drie opeenvolgende seizoenen als topschutter van de club afgesloten, toch besliste de coach om het voortaan zonder mij te doen.' Marc Grosjean verweert zich: 'De supporters begrepen niet altijd wat ik deed, maar die filtering was onontbeerlijk, het gaf de club de kans om verder te groeien. Het is altijd een kwestie van prioriteiten. Ik had tegen niemand iets. Niets tegen Ignazio. Niets tegen Anthony Cabeke, die op het laatste nog weinig speelde. Niets tegen Anthony Sadin, van wie we in het tweede seizoen afscheid namen. Op een moment moet je keuzes maken. Dankzij die keuzes konden we met weinig middelen de lat hoger leggen.' Zulke stappen laten altijd sporen na. En littekens. 'Het is een constante in de geschiedenis van de club', mijmert Fabrizio Basano. 'Veel iconische spelers van Union moesten de club verlaten of raakten in conflict met het bestuur. Het maakt deel uit van onze historiek. Van Paul Van Den Berg, de beste voetballer uit de periode na de oorlog, tot nu Mathias Fixelles en natuurlijk Cocchiere: Union heeft de gewoonte transities slecht te verteren.' Ook nu profileert Union Sint-Gilloise zich opnieuw als een club in volle transitie. De geschiedenis zal leren of de Brusselaars ditmaal zonder groeipijnen doorkomen. De overgang naar de huidige hoogbloei vangt aan met de verkoop van de club aan Tony Bloom en Alex Muzio, in de lente van 2018. Maar Jürgen Baatzsch bereidt het grootscheepse manoeuvre al in 2017 voor, amper twee jaar nadat hij zich officieel de macht heeft toegeëigend. Hij is er zich van bewust dat hij over te weinig middelen beschikt om Union naar de eerste klasse te loodsen (de laatste stap in zijn ambitie) en speurt daarom naar investeerders. Een tijdlang onderhoudt hij contacten met Qatarezen. Daarna lijkt Roland Duchâtelet aan het langste eind te trekken - Baatzch doet een beroep op dochter om enkele zalen van het Marienstadion anders in te richten. Ook Paul Gheysens, furieus omdat hij uit de Anderlechtdeal werd ontzet, komt de goede lucht van Sint-Gillis opsnuiven. Na bemiddeling van makelaar Jacques Lichtenstein schuiven uiteindelijk Tony Bloom en Brighton hun voet tussen de deur. Eerst één voet, dan twee na de zege (1-0) van Union tegen Tubize op de vierde speeldag van de play-downs van het seizoen 2017/18. Een resultaat waarmee club zich handhaaft in 1B. 'Het is een sleutelmatch, vergelijkbaar met de wedstrijden tegen Luik en Leopoldsburg in 2013', poneert Olivier Dumonchaux. 'Intense wedstrijden. Tegen Leopoldsburg is er die beslissende strafschop die Sadin omzet. Tegen Tubize stopt Adrien Saussez een penalty in de 97e minuut. Het zijn twee momenten die het lot en de bestemming van de club hebben gewijzigd.' Dat Tony Bloom en Alex Muzio hun geld niet in een naar het niveau van amateurs gedaalde club zouden hebben gestoken, daar hoeft geen tekening bij. Feit is: na hun entree zal bij Union Sint-Gilloise niets meer zijn zoals vroeger. Nam de club in 2013 met de komst van Jürgen Baatzsch een bocht, in de zomer van 2018 is er sprake van een breuk - een breuk met het verleden. In eerste instantie ziet de nieuwe directie voor Marc Grosjean nog een rol van sportief directeur weggelegd. Maar uiteindelijk wordt hij op zijn beurt het slachtoffer van de sportieve schifting, die Bloom en Muzio noodzakelijk achten om een nieuwe lokale grandeur te vestigen. Grosjean interpreteert dat een tikkeltje anders. 'De Engelsen wilden me houden, maar ze zinden tegelijk ook op een algemene verandering. Dat zag ik niet zitten. Ik wilde niet in die nieuwe structuur rondlopen als een van de weinigen die aan boord waren gebleven. Bovendien stonden de spelers die ze me voorstelden, me niet aan. Ik was sceptisch. Want in eerste instantie dachten ze hoegenaamd niet aan spelers van het kaliber van Percy Tau, Youssoufou Niakaté of Faïz Selemani. Hadden ze die namen geciteerd, dan had ik er allicht anders over geoordeeld.' Marc Grosjean vertrekt naar andere oorden, maar volgt Union nog geregeld. Het team wordt in het seizoen 2018/19 geleid door de jonge Luka Elsner, die wordt aangetrokken na een tussenkomst van de duivelse Alex Hayes, de gewezen algemeen manager van Lorient. Grosjean geeft er de voorkeur aan om zich erover te verbazen 'dat het Union van Elsner dat jaar niet meteen naar 1A doorstootte, gezien de spelerskern waarover hij beschikte.' Het mooie parcours in de beker en de deelname aan play-off 2 laat Grosjean onvermeld. Anderen benadrukken liever de stevigheid van het project-Union. Faïz Selemani bijvoorbeeld, de speler die overwaait van Lorient. 'Toen Hayes voor het eerst contact met me opnam, was ik een beetje op mijn hoede. Ik keek naar het klassement van 1B. Ik zag dat er maar acht ploegen waren, dat was niet bepaald bemoedigend. Maar toen ik in Lier de installaties zag - de fitnesszaal, de oefenterreinen in hun onberispelijke staat - begreep ik meteen dat dit project een smoel had. Het was nog niet zoals bij Lorient, maar het overtrof ruimschoots de infrastructuur van Franse eersteklassers als Niort, Tours of Ajaccio.' 2018. Dat Union drie jaar later met voorsprong zou leiden in 1A vergt dan nog een grote sprong voorwaarts in de verbeelding. Wie kan op dat moment bevroeden dat de zangeres en wereldster Angèle, als promotie voor haar nieuwe album, op een avond in november 2021 selfies zal nemen in het Joseph Marienstadion en in de kroegen in de buurt? Of dat de bars van het Sint-Gillisvoorplein eind januari 2022 zouden volstromen met mensen met geel-blauwe sjerpen die de zege in de Brusselse derby bejubelen? Ja, wie had dit in 2018 durven te denken? Charles Picqué misschien? Op een namiddag in april 1964 zette hij voor het eerst voet in het stadion in het Dudenpark: een wedstrijd tegen Tilleur, die beide teams naar eerste klasse katapulteerde omdat Union won en derde hond Olympic Charleroi op Racing White op 0-0 bleef steken. Picqué ontsteekt in nostalgie als hij de onwaarschijnlijke comeback van Union overschouwt. 'Gedurende een hele periode zat er een man naast mij, die telkens verzuchtte: ach, Charles, als we, voor we sterven, toch nog eens Union in eerste klasse zouden kunnen zien spelen. Die man, niet zoveel ouder dan ik, is er niet meer. Hij is te vroeg gestorven. Maar ik denk nog dikwijls aan zijn woorden, omdat ze de droom van een hele generatie vertolkten.' Ook Union in de Champions League zal die man niet meer meemaken. Maar hij was wel getuige van een 4-4 (5-4 na strafschoppen) tegen Leopoldsburg. Dat waren tijden.