Een vangnet wordt de Nations League voor de Rode Duivels genoemd. Voor het geval het straks op het EK zou mislopen is er dan, in oktober, alsnog een kans om een prijs te pakken. Maar wie ligt er eigenlijk wakker van dit toernooi? Een kwalificatie voor de Final Four zal niet meer zijn dan een voetnoot. En zou het winnen van deze titel geen schrale troostprijs zijn voor deze gouden en al zo vaak bejubelde generatie? Al is er voordien dus nog het EK en in 2022 het WK.
...

Een vangnet wordt de Nations League voor de Rode Duivels genoemd. Voor het geval het straks op het EK zou mislopen is er dan, in oktober, alsnog een kans om een prijs te pakken. Maar wie ligt er eigenlijk wakker van dit toernooi? Een kwalificatie voor de Final Four zal niet meer zijn dan een voetnoot. En zou het winnen van deze titel geen schrale troostprijs zijn voor deze gouden en al zo vaak bejubelde generatie? Al is er voordien dus nog het EK en in 2022 het WK. De Rode Duivels deden tegen Engeland wat van hen werd verwacht: winnen. Met in de eerste helft veel scherpte en efficiëntie. En een zeer gretige Romelu Lukaku. Het paste binnen de 50e interland van Roberto Martínez. Dat moest de wedstrijd een feestelijk karakter geven. Maar na de rust verwaterde het spel en werd de controle over de partij uit handen gegeven. Van het beweeglijk, subtiel en technisch onderlegd voetbal waarmee de Rode Duivels vele harten veroverde, viel er in Leuven amper iets te zien. Dat heeft ook te maken met de overbelasting van de kalender. Vele wedstrijden voor de Nations League blonken daardoor uit door een gebrek aan intensiteit. Het tempo ligt verschrikkelijk laag, zelfs als toplanden als Duitsland en Spanje tegen elkaar spelen. Of als Frankrijk en Portugal het tegen elkaar opnemen. Voetballers moeten zich soms robotten voelen. Los van de altijd risicovolle verplaatsingen die ze in deze coronatijden moeten doen. Alle veiligheidsmaatregelen ten spijt. Volgend weekend herneemt de competitie na deze interlandbreak. Tijd was het voor de clubs om een tussenbalans te maken. Al zes trainerswissels zijn er in nog geen drie maanden doorgevoerd en bij KRC Genk presenteerde John van den Brom zich als de elfde trainer in tien jaar. De Nederlander zei dat hij de mensen wil vermaken met mooi voetbal. Maar welke trainer wil dat niet? Dat soort kreten horen we bij een trainerswissel wel vaker. Meestal wordt er dan bij wijze van collegialiteit bij verteld dat er toch ook een en ander moet veranderen. Dat doet Van den Brom niet. Hij zegt daarentegen verbaasd te zijn over het enthousiasme bij de spelers. John van den Brom is een adept van aanvallend voetbal, maar vreemd genoeg werd hem bij zijn vorige club, FC Utrecht, op een bepaald moment behoudend spel aangewreven. De club was een slapende vulkaan, met ambities die volgens Van den Brom te hoog gegrepen zijn. Het aanbod van KRC Genk kwam voor hem op het juiste moment. Hij nam in Utrecht afscheid van zijn spelers, wenste ze het allerbeste en zei dat hij ze ook vanuit België zal blijven volgen. Heel anders dan Jess Thorup die verdween als een dief in de nacht. Bij Anderlecht serveerde Van den Brom in zijn eerste jaar bij vlagen het sprankelend voetbal waar nu ook Vincent Kompany naar streeft. Zo zei die tenminste bij zijn aanstelling, intussen een dik jaar geleden. Hij idealiseerde na zijn aanstelling het concept van Pep Guardiola maar moest daar intussen op terugkomen. Anderlecht pakt nu punten, maar het voetbal is saai en paars-wit past zich wel degelijk aan de tegenstander aan. Toch had de ploeg, liet Vincent Kompany horen, de ranglijst al riant kunnen aanvoeren indien er in de slotfase niet zoveel punten te grabbel gegooid zouden zijn. Een vreemde analyse. Uiteindelijk duurt een match 90 minuten (of iets meer) en geen 85 minuten. Volgende zondag speelt Anderlecht op het onbevangen en ongedwongen voetballend Beerschot. Dat wordt een interessante confrontatie. Op het Kiel werken ze in alle rust en hoor je geen enkele wanklank. Net zoals op Sporting Charleroi. Daar toeft de trainer, Karim Belhocine, al het hele seizoen in de luwte. Terwijl je mag verwachten dat af en toe een echt interview geven toch bij zijn vak hoort.