De agora, het voetbalpleintje op de hoek van de Rue Motte en de Rue Terre Al Danse, waar Théo Bongonda en zijn kameraden ravotten, heeft betere tijden gekend. Door een gebrek aan onderhoud voldeed het gevaarte niet langer aan de veiligheidsnormen en op vraag van de buurtbewoners werd het hele zootje ontmanteld. Tientallen meters verderop onderging de Apollotoren, een spuuglelijk bouwsel dat in de jaren 70 werd opgetrokken, hetzelfde lot in 2015. Het veertig meter hoge gebouw leed aan chronische liftpannes en was al een tijdje overgeleverd aan de grillen van enkele amateurpyromanen. En uiteindelijk maakte een kraan, voorzien van een enorme kniptang, een einde aan de miserie van tweehonderd gezinnen. Enkel de herinneringen van de overgebleven inwoners bleven overeind. Het braakliggend terrein, zwevend tussen het Parc Lambert en de slachthuizen van Charleroi Nord, wijst de voorbijgangers er elke dag op dat een gigantische metalen kraanvogel de ziel van hun wijk fijngemalen heeft.
...

De agora, het voetbalpleintje op de hoek van de Rue Motte en de Rue Terre Al Danse, waar Théo Bongonda en zijn kameraden ravotten, heeft betere tijden gekend. Door een gebrek aan onderhoud voldeed het gevaarte niet langer aan de veiligheidsnormen en op vraag van de buurtbewoners werd het hele zootje ontmanteld. Tientallen meters verderop onderging de Apollotoren, een spuuglelijk bouwsel dat in de jaren 70 werd opgetrokken, hetzelfde lot in 2015. Het veertig meter hoge gebouw leed aan chronische liftpannes en was al een tijdje overgeleverd aan de grillen van enkele amateurpyromanen. En uiteindelijk maakte een kraan, voorzien van een enorme kniptang, een einde aan de miserie van tweehonderd gezinnen. Enkel de herinneringen van de overgebleven inwoners bleven overeind. Het braakliggend terrein, zwevend tussen het Parc Lambert en de slachthuizen van Charleroi Nord, wijst de voorbijgangers er elke dag op dat een gigantische metalen kraanvogel de ziel van hun wijk fijngemalen heeft. Maar op die plek zal ten laatste in 2023 een modern gebouwencomplex met maximaal vier verdiepingen uit de grond rijzen. Aux Parcs moet de verlenging zijn van de aanpalende wandeltuin. Opdrachtgever La Sambrienne, een van de grootste socialehuisvestingmaatschappijen van Wallonië, hoopt dat de bouw van in totaal 155 appartementen gepaard zal gaan met een nieuwe dynamiek in de wijk. 'We willen een aangenaam kader scheppen voor gezinnen en kinderen van Charleroi Nord', zegt Julien Lechat, vicevoorzitter van La Sambrienne. 'De lokale overheid heeft veel geld geïnvesteerd om de binnenstad op te knappen en in een volgende fase wil ze de districten in de rand rond het centrum een nieuw elan geven.' Bongonda is een kind van Charleroi Nord, geboren en getogen in de straten rond de verfoeide Apollotoren. Hij woonde eerst in de Rue Warmonceau en verhuisde later met zijn twee broers, zijn zus en zijn mama naar een huisje met stadstuin in de Rue Motte. Middenklassers hebben hier niets te zoeken. Historisch gezien is dit een arbeiderswijk met een groot aantal sociale woningen - een duizendtal volgens de laatste tellingen. Felice Mazzu groeide hier ook op - zijn vader woont er nog - en hij werd er onlangs nog gespot in de plaatselijke frituur Alba. 'We zijn van bescheiden komaf. Daar is geen twijfel over mogelijk', zegt Evelyne Petit, de mama van Bongonda. 'Maar om nu te zeggen dat Théo een moeilijke jeugd heeft gekend, zoals ik ooit heb gelezen, is overdreven. Het heeft mij zelfs gechoqueerd. De mensen hebben veel clichés over Charleroi. We trekken zogezegd problemen aan en we zijn niet geciviliseerd... Ik nodig iedereen uit om naar hier te komen zodat ze kunnen zien dat ze zich vergissen.' In de jaren 90 was Evelyne Petit voltijds moeder voor haar vier kinderen Fanny, Jérôme, Harold en Théo. Fanny en Jérôme hebben een Italiaanse vader, Harold en Théo komen voort uit haar huwelijk met een Congolese man. Maar in een vorig leven was Petit in de eerste plaats een vrijgevochten vrouw, een vakbondslid en kind van het post-mei '68-tijdperk. Ze protesteerde tegen het rechtswezen, tegen reclame en tegen de doodstraf. 'Théo heeft ook dat rebelse karakter', aldus Petit. 'Hij was nochtans heel verlegen toen hij klein was. Hij had schrik van het onbekende en klampte zich vaak vast aan zijn vader en mij. Met de jaren is dat overgegaan en het was knokken om hem op tijd thuis te krijgen wanneer hij in de wijk op stap was met zijn vrienden. Ik moest af en toe zijn vader inschakelen om hem weer in het gareel te laten lopen. Hij was een Spirou, zoals ze dat hier noemen. Hij haalde kattenkwaad uit, maar het bleef altijd binnen de perken.' Fanny Domenico, die respectievelijk twaalf en tien jaar ouder is dan Théo en Harold, was een tweede mama voor haar broertjes. Ze was een surrogaatmoeder die de pampers ververste en met Théo ging wandelen om haar moeder te ontlasten. Maar zelfs dan had mama Evelyn haar handen meer dan vol met het duo. In hun kinderjaren waren Harold en Théo twee Duracellkonijnen waarvan de aan-uitknop niet werkte. Het Parc Lambert was hun actieterrein en wellicht hebben ze daar, in de zandbak van het park, hun toekomstige handlangers Joris en Jordan Tielmans ontmoet. 'Onze mama's waren vriendinnen en we waren ingeschreven in dezelfde kleuterschool', aldus Jordan. 'Ik zat bij Harold in de klas en Joris zat in de klas van Théo. In onze vrije tijd speelden we vaak alle vier samen. Harold was de gekkerd van de bende en hij kwam altijd aandraven met van die maffe ideeën. Hij had op een dag toevallig een gat in een hek ontdekt dat ons toegang gaf tot het grote synthetische veld aan het Stade Jonnet. Als Harold weer iets absurds voorstelde, keken Joris, Théo en ik elkaar vragend aan. Maar toch zeiden we telkens: oké, we doen het. Het was hier zeker niet Chicago. We hadden geen last van drugdealers of wapengeweld. De kinderen die in de cité woonden, begingen al eens een stommiteit om op te vallen. Voor de rest was het gewoon een leuke buurt om te wonen. De grootste uitdaging voor een jongen was om het respect af te dwingen van andere kinderen. We waren vier handen op één buik, maar toen Théo op zijn dertiende naar de Jean-Marc Guillou Academie vertrok, zagen we hem nog amper.' Vanaf het eerste leerjaar verplaatste het leven van Théo zich naar de Ville-Basse, het centrum van Charleroi, waar hij tot het tweede middelbaar school liep aan het katholieke Institut Notre-Dame. Discipline, stiptheid en zorgvuldigheid waren de norm en iedereen hoorde er een uniform te dragen. 'Théo was een authentiek gastje. Als hij zijn zin niet kreeg, werd hij chagrijnig', aldus Philippe Fable, Bongonda's eerste leerkracht in het lager onderwijs. 'Hij had veel karakter, en dat bedoel ik zeker niet slecht. Als er onrecht in het spel was, kwam hij daartegen in opstand. Ik ken zo weinig van sport dat je niet kunt zeggen dat ik hem gepusht heb om voetballer te worden. Maar hij was zo'n doorbijter dat het mij niet verbaast dat hij zo ver is geraakt.' De overgang naar het vierde leerjaar betekende voor Bongonda dat hij naar een grotere speelplaats mocht verhuizen. Een speelplaats van grofweg twintig meter bij twintig, die hij moest delen met tweehonderd andere leerlingen en die eigenlijk niet geschikt was om voetbalwedstrijdjes te houden. Tijdens de speeltijd werden er soms drie wedstrijden door elkaar gespeeld met drie verschillende ballen en zes doelmannen. In veel gevallen kwam er ruzie van en besliste de directie een afkoelingsperiode in te lassen en tijdelijk alle balsporten op de speelplaats te verbieden. Théo leefde zich dan maar uit tijdens de sportlessen van Benoit Marquet. In Charleroi Nord was hij een volger, op school was hij de voortrekker. 'Hij had veel temperament, dat is het minste wat je kunt zeggen', vertelt Marquet. 'En hij deed vooral zijn best als de activiteit hem lag. Turnen was zijn ding niet en dan deed hij het strikte minimum. Maar je hoefde Théo niet te motiveren bij balsporten of wanneer er gelopen moest worden. Bij een nederlaag legde hij de schuld bij een ander. Jessy Gálvez López ( ex-Charleroi, nvdr) zat bij hem in de klas en ze hadden een kleine rivaliteit ontwikkeld tijdens de baseballwedstrijden. Ik haalde hen bewust uit elkaar en je zag duidelijk dat Théo de kwaliteiten had om zijn ploegmaats beter te maken. Of ik in hem een profvoetballer zag? Ik zie elk jaar jongetjes passeren die mij vertellen dat ze in eerste klasse willen spelen, maar ik kan mij niet voor de geest halen dat hij dat ooit tegen mij gezegd heeft. Mocht hij het gezegd hebben, dan zou ik hem geloofd hebben. Hij had toen al de mentaliteit om te slagen.' Aan het einde van de derde graad ontspon zich een vermakelijk tafereel aan het Institut Notre-Dame: Fanny, die afgestudeerd was als leerkracht, moest in haar eerste jaar opeens les geven aan haar twee broers. 'Théo zat in het vijfde leerjaar en Harold een jaar hoger. Ik stribbelde wat tegen toen de directeur mij vroeg om gedurende een dikke maand voor de klas van Théo en Harold te gaan staan, maar ik had geen keuze', aldus Fanny. 'Théo vroeg meteen: 'Moet ik Fanny zeggen of juffrouw?' Dat moest uiteraard juffrouw zijn. Hij hield zich aan de afspraak en hij deed er zelfs een schepje bovenop. 'Juffrouw, mag ik naar het toilet gaan? Juffrouw, ik zou graag het woord nemen.' De andere leerlingen wisten dat ik zijn zus was en ze vonden de situatie best grappig. Maar al bij al is het goed gegaan. Hij was respectvol en probeerde op te vallen door de grapjas uit te hangen.' Als blanke vrouw met twee getinte kinderen had Evelyne Petit zowel op de bus als aan de schoolpoort veel bekijks. Sommige ouders vroegen haar op de man af of ze die twee mulatjes geadopteerd hadden. Harold en Théo waren zich pas bewust van hun huidskleur toen ze op school uitgekafferd werden. En meer dan eens gebruikten de Bongonda's hun vuisten om op het verbale geweld van hun medeleerlingen te antwoorden. 'Ze hebben mij nooit letterlijk gezegd dat ze te maken hebben gehad met racisme, maar de keren dat ik er zelf mee geconfronteerd werd, had ik pijn in hun plaats. Hun vader heeft er hen zeker op gewezen dat ze hun identiteit moesten claimen. Op een gegeven moment heeft Théo nagedacht over zijn roots en vandaag is hij de meest Afrikaanse van de twee. Hij spreekt vloeiend Lingala, hij eet graag Congolese gerechten en hij volgt de tradities en gebruiken.' De kleine Théo, liefkozend papounet genoemd door zijn zus, had vroeger een droom: hij wilde samen met zijn mama een banketbakkerij openhouden. Hij zou de bakovens bedienen en zijn mama zou aan de kassa staan. Het werd ten slotte voetbal. 'Théo was tien klassen beter dan de andere jongens van de wijk', aldus Joris. 'Wij speelden louter om ons te amuseren, maar voor Théo was voetbal een serieuze zaak. Toen we twaalf jaar waren, namen we deel aan een voetbalkamp van twee weken in La Garenne. Ik had hem nog nooit aan het werk gezien bij Sporting Charleroi en tijdens die stage zijn mijn ogen opengegaan. Het was de eerste keer dat ik hem zo gefocust zag en het motiveerde mij om mij voor de volle honderd procent in te zetten. Ik dacht: uit respect voor hem zal ik dit ook ernstig nemen.' Niemand in de familie Bongonda-Domenico zag het aankomen. Als het van Evelyne Petit afhing, had haar jongste zoon nooit gevoetbald. Petit: 'Jérôme, de oudste van het gezin, was ook voetballer geweest. Ik herinnerde mij de wedstrijden, de trainingen, de toernooien, de was... Ik dacht: dit overkomt mij geen tweede keer! Ik heb Théo ingeschreven in een turn- en karateclub, maar hij kon het voetbal niet uit zijn hoofd zetten. Ik heb hem dan maar aangesloten bij RC Lodelinsart, waarvan het veld beneden in de straat lag, en jaren later werd hij daar opgemerkt door Sporting Charleroi. Om heel eerlijk te zijn ben ik er nooit van uitgegaan dat hij carrière zou maken in het voetbal. Niet omdat hij te weinig kwaliteiten had - daar kon ik niet over oordelen - maar omdat je als ouder denkt dat het enkel de anderen overkomt. Eén vraag hield mij bezig: wat als hij resoluut voor het voetbal kiest en onderweg moet stoppen? Ik heb lang zitten tobben over dat vraagstuk. Théo is volledig opengebloeid tijdens zijn periode in de academie en ik was pas gerustgesteld over zijn toekomst toen hij bij Zulte Waregem echt de mogelijkheid kreeg om profvoetballer te worden.' Diep vanbinnen worstelt Bongonda wellicht met zijn gevoelens ten opzichte van Charleroi. Hij zal nooit van de daken schreeuwen dat hij van Charleroi is en hij zal zijn status van 'bekende Carolo' ook niet claimen. Niet uit schaamte, eerder uit schroom. Hij beseft ook dat veel van zijn stadsgenoten niet weten dat hij van Charleroi is. In Vlaanderen is de erkenning zowaar groter dan in zijn eigen stad. Maar Jordan Tielmans weet het zeker: Théo draagt Charleroi in zijn hart. Ook al keert hij slechts sporadisch terug naar Le Pays Noir: 'Het gaat niet goed met Charleroi - kijk maar naar de staat van onze wijk - en ik begrijp dat Théo elders beter af is. Mocht ik de kans krijgen, zou ik hier ook vertrekken. We moeten de realiteit onder ogen durven te zien: deze plek is allesbehalve het paradijs, hier is veel meer armoede dan elders in België. Wij kunnen alleen maar trots zijn dat iemand van hier wereldsterren als Cristiano Ronaldo, Lionel Messi of Karim Benzema van dichtbij heeft meegemaakt. Théo kan een inspiratiebron zijn voor veel jongeren uit Charleroi Nord. Ik hoop dat zij luidop denken: als Théo geslaagd is, dan kan ik dat ook.'