Op 9 september vorig jaar overleed Urbain Braems op 87-jarige leeftijd. Tien dagen later werd de architect van de eerste successen van SK Beveren begraven in Zottegem. In de volle kerk woonden vier spelers uit die gouden periode de plechtigheid bij. Vier iconen, drie Beverenaars en één Duitser: doelman Jean-Marie Pfaff, verdediger Freddy Buyl, aanvoerder Jean Janssens en de Duitse regisseur Heinz Schönberger die acht jaar voor geel-blauw voetbalde en nog altijd in Beveren woont, in de omgeving van het stadion.
...

Op 9 september vorig jaar overleed Urbain Braems op 87-jarige leeftijd. Tien dagen later werd de architect van de eerste successen van SK Beveren begraven in Zottegem. In de volle kerk woonden vier spelers uit die gouden periode de plechtigheid bij. Vier iconen, drie Beverenaars en één Duitser: doelman Jean-Marie Pfaff, verdediger Freddy Buyl, aanvoerder Jean Janssens en de Duitse regisseur Heinz Schönberger die acht jaar voor geel-blauw voetbalde en nog altijd in Beveren woont, in de omgeving van het stadion. Het eerbetoon aan hun vroegere trainer was niet toevallig. Urbain Braems zette SK Beveren op de voetbalkaart. Hij arriveerde medio 1975 op de Freethiel, na een tweejarig avontuur bij Anderlecht. Drie jaar later won hij met Beveren de eerste trofee. In de bekerfinale werd Sporting Charleroi met 2-0 verslagen. Urbain Braems was een natuurlijke autoriteit. Dat zat in hem, hij hoefde er niets kunstmatigs voor te doen. Bovendien had hij veel psychologisch inzicht. Het kostte hem dan ook niet veel moeite om de ploeg op zijn kompas te laten varen. Zelden werkte hij met een meer evenwichtige ploeg, met spelers die zo gemakkelijk te sturen en te leiden waren. Omdat iedereen gedreven was door een enorme, haast ontroerende eerzucht. Dat zou het handelsmerk van de ploeg blijven, ook toen hij er later, in 1981, nog eens voor drie seizoenen terugkeerde. Urbain Braems zag het als een voorrecht om elke dag met die spelers te werken. Er was Jean-Marie Pfaff die geobsedeerd bleek door perfectionisme en altijd met zijn lichaam bezig was. Hij verdiepte zich in zijn spierstelsel, hij deed zelf oefeningen om zijn vingertoppen optimaal te gebruiken en kon ook daardoor magistraal genomen vrijschoppen uit zijn doel ranselen. Of je had Jean Janssens die overdag in de Antwerpse haven aan de dokken werkte en voor een wedstrijd op Beringen ooit rechtstreeks van zijn werk naar een hotel in Herentals kwam, waar de ploeg iets zat te eten. Hij arriveerde vuil en ongeschoren, Braems kon hem nog uitleggen wat de tactiek was. Vervolgens won Beveren met 1-5 en stampte Janssens er drie binnen. Of er was Heinz Schönberger, een wereldvoetballer, alleen had hij dat zelf niet in de gaten. Zijn overzicht en techniek, de manier waarop hij in beide richtingen zo snel om zijn as kon draaien, het was allemaal fabuleus. Eigenlijk zijn de meest geniale spelers degenen die de toeschouwers de indruk kunnen geven dat voetbal simpel is. Schönberger paste in dat plaatje. Met veel vertedering zou Braems later altijd praten over die eerste ambtsperiode bij Beveren. Hij ging daarbij steeds uit van dezelfde patronen: zoveel mogelijk in blok opschuiven en terugplooien. Tussen de laatste man en de spits mocht nooit meer dan 45 meter liggen. Immers: hoe meer contact tussen de onderlinge linies, hoe meer combinaties er mogelijk zijn. Urbain Braems vertrok na dat vergulde seizoen 1977/78 naar Lokeren. De compleet onbekende Robert Goethals werd zijn opvolger. Hij had als trainer bij Waregem, SK Roeselare, Cercle Ieper, FC Roeselare, VG Oostende en RC Doornik gewerkt. In een kennismakingsgesprek zei Braems hem dat Beveren aan zijn plafond zat en er niet meer uit de ploeg te halen viel. Maar de realiteit zou er anders uitzien. Het sprookje in geel en blauw ging gewoon verder. Robert Goethals was een innemende persoonlijkheid. De naar Ieper uitgeweken Gentenaar beheerste de kunst van het analyseren en relativeren. Zijn wedstrijdontledingen waren haarscherp en neigden wel eens naar somberheid. Het leverde Goethals de stempel op van pessimist, al noemde hij zichzelf liever realist. Hij wilde spelers leren om hun technische bagage te gebruiken als het tempo hoog ligt. Dat was volgens hem een mankement in het Belgische voetbal. Dat Robert Goethals als trainer zonder palmares door de groep meteen in de armen werd gesloten, zegt alles over de mentaliteit. Vanaf de eerste dag klikte het tussen de nieuwe coach en de spelers. Er werd enorm veel plezier gemaakt op training, maar je mocht ook om het even welke inspanning vragen: alles gebeurde met een onvoorstelbaar engagement. Er werd nooit geklaagd, iedereen wilde er het maximum uit halen. En ook Robert Goethals keek met verwondering en zelfs verbijstering naar de onvoorstelbare trainingsijver van Jean-Marie Pfaff. Altijd bezig, altijd de lat hoger leggen, zo' grote honger naar zelfbevestiging had hij nog nooit gezien. Beveren werd dat seizoen, 1978/79, kampioen. Met hartverwarmend voetbal, het misschien wel beste uit de clubgeschiedenis. In Antwerpen zeiden ze toen dat iemand die voetbal wilde zien de Boerentoren moest beklimmen om naar Beveren te kijken. Nochtans bestond Beveren uit pure amateurs. Het bleek geen rem op de prestaties. Het gebeurde vaak dat Paul Vangenechten, die met Freddy Buyl een ijzersterk centraal verdedigingsduo vormde en tot zijn 39e voetbalde, een vervanger moest zoeken. Vangenechten werkte immers bij de brandweer, hij kwam dikwijls naar de wedstrijden in uniform. En niet uitzonderlijk was het dat Jean Janssens, als de ploeg in afzondering was, 's morgens om zeven uur nog even naar zijn werk in de Antwerpse haven moest. Goethals reed dan snel heen en weer met hem. Of dat Bob Stevens, een handelsingenieur, belde dat hij te laat zou zijn voor een training en aan Goethals vroeg of hij even wilde wachten om hem alleen nog wat onder handen te nemen. De coach deed het allemaal, niets was onmogelijk. SK Beveren schreef dat seizoen ook Europees geschiedenis, in de Europacup voor bekerwinnaars. Het werd nog meer gedirigeerd door Heinz Schönberger, de orkestmeester die onder iedere aanval zijn signatuur zette. Ook rond die Europese wedstrijden hing een sfeer van amateurisme. Toen de kwartfinale werd gespeeld, uit op Inter Milaan, gaf Goethals, een licentiaat lichamelijke opvoeding die in een Brugse school werkte, tot één uur les. Dan vertrok hij met Bob Stevens, die een topfunctie had en op die dag geen vakantie kon krijgen, snel naar Milaan. Daar arriveerden ze twee uur voor de wedstrijd. En vervolgens speelde Beveren in San Siro 0-0 gelijk, om later de terugwedstrijd te winnen met 1-0: een goal van Stevens, vier minuten voor het einde. Het stadion ontplofte, er is toen een hele nacht gevierd. Maar de dag nadien moest Goethals weer op school zijn. Niet anders was het voor de halve finale van die Europacup in Barcelona: de trainer moest na de match meteen vertrekken, om drie uur 's ochtends was hij thuis, om acht uur stond hij weer in zijn school waar hij zes uur les had. En 's avonds haastte hij zich voor de training naar Beveren. Het waren andere tijden. Keken de spelers van zowel Inter Milaan als Barcelona niet raar op toen ze voor die Europese wedstrijd in Beveren arriveerden? Op een wei naast het stadion stonden koeien te grazen. De successen hielden ook na het kampioenenjaar aan, al struikelde de ploeg vroeg in de Europacup voor Landskampioenen over Servette Genève. Beveren drong wel door tot de bekerfinale, maar verloor die met 2-1 van Waterschei. Jos Heyligen borstelde net voor affluiten de beslissende vrijschop binnen. Het was drukkend warm die dag en daar konden de beide spitsen, Bob Stevens en de Duitser Erwin Albert, niet tegen. Ze raakten geen bal. Maar de ploeg bleef voor stunts zorgen en hakte bijvoorbeeld in de competitie Anderlecht in de pan met 4-1. Achteraf werd Robert Goethals bedankt door Anderlechttrainer Tomislav Ivic. Die zei dat zijn ploegt deze nederlaag nodig had en dat ze nu zeker kampioen zouden worden. Omdat de naar overmoed neigende spelers meteen wakker geschud waren. Dat bleek in Beveren niet nodig. In de ploeg zat veel karakterieel evenwicht. Je had bloedserieuze gasten, zoals de Duitse prijsschutter Erwin Albert die nooit lachte, of Jean-Marie Pfaff die er zich kon over opwinden dat sommigen twee uur voor een Europacupmatch nog stonden te biljarten. Of je had uitbundige types, zoals Freddy Buyl, een karakterspeler en een sfeermaker. Of Jean Janssens die ondanks zijn eenvoud een natuurlijk overwicht had op zijn ploegmaats. Als die zei dat het gedaan moest zijn met zeveren, dan was het ook gedaan. Er zat veel nuchterheid in de groep, de spelers gingen na de successen niet zweven, al waren sommigen tot veel meer in staat dan ze dachten. Zoals Heinz Schönberger die de brandende ambitie miste om naar de top door te stoten. Of Marc Baecke, de linksachter die goud in de voeten had, maar vooral van het leven wilde profiteren. Al was hij op het veld heel verstandig: hij voelde precies aan wanneer hij wel moest gaan of wanneer niet. Maar je had ook de Nederlander Wim Hofkens, een excellente breker op het middenveld, die al eens dingen wilde doen die hem niet lagen. Als Schönberger met een blessure uitviel, wilde hij die rol overnemen. Goethals wilde daar echter niet van horen en zette dan Fred Truyens in de plaats. De trainer gaf spelers altijd een functie waarmee ze zich konden identificeren. Dat was zijn uitgangspunt, zijn voetbalevangelie: duw niemand tegen zijn zin in een bepaalde rol. Robert Goethals bleef drie seizoenen bij Beveren. Dan kwam Urbain Braems terug. Goethals wist dat al het hele seizoen, Braems zat voor iedere thuiswedstrijd op de tribune. Het contract zou al heel vroeg in het seizoen getekend zijn. Het was een bitter afscheid dat een beetje botste met het familiale karakter van Beveren. De toenmalige voorzitter Jan Van Ussel zou zich later bij Goethals verontschuldigen voor deze ongelukkige gang van zaken. Onder Braems werd een vervolg geschreven van het succesverhaal. Verschillende spelers verlieten de club, zoals Jean-Marie Pfaff die naar Bayern München trok en werd opgevolgd door de toen 17-jarige Filip De Wilde. In 1983 won Beveren voor de tweede keer in de geschiedenis de beker, één jaar later werd de ploeg kampioen. Braems had in twee periodes bij Anderlecht gewerkt en was als trainer, vond hij zelf, nog beter geworden: het gevoel van superioriteit, de wetenschap dat je sterker bent dan een ander, altijd uitgaan van de eigen veldbezetting, het had hem verder georiënteerd. En SK Beveren profiteerde daarvan. Na de titel, in 1984, koos Braems voor een buitenlands avontuur bij het Griekse Panionios. Hij werd opgevolgd door zijn assistent Rik Pauwels die eerder al met Robert Goethals samenwerkte. Een kleurrijke Antwerpenaar die zijn eigen manier van werken en praten had.