Hij was samen met Raoul Lambert de verpersoonlijking van Club Brugge, iemand die echt de sfeer van blauw-zwart uitademde. Johny Thio fladderde als een vlinder door het leven, vrij en blij, maar altijd toegankelijk en bereidwillig. Over hem bestaan er veel onwaarschijnlijke verhalen. Toen Gille Van Binst voor Sport/Voetbalmagazine interviews maakte, trok hij ook eens naar Thio. Beiden belandden in een bar in Torhout. Het was gezellig, er werden sterke verhalen verteld, de drank vloeide rijkelijk en om vier uur 's ochtends viel Thio plots van een barkruk. Dat was even schrikken.

Johny dronk graag een pintje. Dat stak hij niet weg. Hij ging op café, waar iedereen hem zag. Hij toefde graag tussen het gewone volk en ging altijd uit van de goedheid van de mensen. Dezelfde Van Binst haalde in zijn column in het weekblad 't Pallieterke eens een andere anekdote op van Thio. Na een Europacupwedstrijd trok Johny met zijn spitsbroeder Pierre Carteus, nog een voormalig boegbeeld, met de auto naar Roeselare. Pierre reed, ze hadden een paar 'tussenstops' achter de rug, toen Carteus een bocht miste. Ze vlogen tegen de gevel van een apotheek. De geschrokken eigenaar kwam snel kijken. Hij was een Clubsupporter, herkende het duo en stuurde hen vlug weg. Alles zou wel geregeld worden, zonder politie. Toen de apotheker de dag nadien zijn zaak opende, geloofde hij zijn ogen niet. Thio en Carteus zaten er nog, ze waren in slaap gevallen.

Maar Johny Thio was vooral een erg goeie voetballer. Hij passeerde de tegenstander even gemakkelijk links als rechts en beschikte over een uitmuntende traptechniek. Eén enkele keer lukte het hem om in een seizoen zeven hoekschoppen rechtstreeks binnen te trappen. Thio, een rechtsbuiten uit de oude doos, deed als het ware aan zelfstudie: de bal in al zijn facetten leren kennen en op een bepaalde manier met de voet zwaaien om te proberen effect te krijgen. In weerwil met wat sommigen dachten wilde hij zichzelf steeds weer overtreffen. Toen hij voor zijn Brugse periode voor FC Roeselare voetbalde, rende hij dagelijks verschillende keren de trappen van de tribune op en af. Hij beschikte dan ook over een ijzeren conditie.

Johny Thio, die achttien keer voor de nationale ploeg uitkwam, liet zich door niemand intimideren. Dat leidde na twaalf jaar Club in 1975 uiteindelijk tot een breuk. Thio voelde zich beledigd door een opmerking van trainer Ernst Happel en noemde hem een Gestapo. Hij versaste naar derdeklasser Zottegem, gekrenkt tot in het diepste van zijn ziel. Na zijn carrière werkte hij in het containerpark van Hooglede. Johny Thio voelde zich nergens te groot voor. Hij was echt een man van en voor het volk.

De tijd gaat snel. Afgelopen dinsdag, 4 augustus, is het alweer twaalf jaar geleden dat Johny Thio aan een hartaderbreuk overleed. Een paar maanden na zijn pensioen en op 63-jarige leeftijd.

Hij was samen met Raoul Lambert de verpersoonlijking van Club Brugge, iemand die echt de sfeer van blauw-zwart uitademde. Johny Thio fladderde als een vlinder door het leven, vrij en blij, maar altijd toegankelijk en bereidwillig. Over hem bestaan er veel onwaarschijnlijke verhalen. Toen Gille Van Binst voor Sport/Voetbalmagazine interviews maakte, trok hij ook eens naar Thio. Beiden belandden in een bar in Torhout. Het was gezellig, er werden sterke verhalen verteld, de drank vloeide rijkelijk en om vier uur 's ochtends viel Thio plots van een barkruk. Dat was even schrikken.Johny dronk graag een pintje. Dat stak hij niet weg. Hij ging op café, waar iedereen hem zag. Hij toefde graag tussen het gewone volk en ging altijd uit van de goedheid van de mensen. Dezelfde Van Binst haalde in zijn column in het weekblad 't Pallieterke eens een andere anekdote op van Thio. Na een Europacupwedstrijd trok Johny met zijn spitsbroeder Pierre Carteus, nog een voormalig boegbeeld, met de auto naar Roeselare. Pierre reed, ze hadden een paar 'tussenstops' achter de rug, toen Carteus een bocht miste. Ze vlogen tegen de gevel van een apotheek. De geschrokken eigenaar kwam snel kijken. Hij was een Clubsupporter, herkende het duo en stuurde hen vlug weg. Alles zou wel geregeld worden, zonder politie. Toen de apotheker de dag nadien zijn zaak opende, geloofde hij zijn ogen niet. Thio en Carteus zaten er nog, ze waren in slaap gevallen.Maar Johny Thio was vooral een erg goeie voetballer. Hij passeerde de tegenstander even gemakkelijk links als rechts en beschikte over een uitmuntende traptechniek. Eén enkele keer lukte het hem om in een seizoen zeven hoekschoppen rechtstreeks binnen te trappen. Thio, een rechtsbuiten uit de oude doos, deed als het ware aan zelfstudie: de bal in al zijn facetten leren kennen en op een bepaalde manier met de voet zwaaien om te proberen effect te krijgen. In weerwil met wat sommigen dachten wilde hij zichzelf steeds weer overtreffen. Toen hij voor zijn Brugse periode voor FC Roeselare voetbalde, rende hij dagelijks verschillende keren de trappen van de tribune op en af. Hij beschikte dan ook over een ijzeren conditie.Johny Thio, die achttien keer voor de nationale ploeg uitkwam, liet zich door niemand intimideren. Dat leidde na twaalf jaar Club in 1975 uiteindelijk tot een breuk. Thio voelde zich beledigd door een opmerking van trainer Ernst Happel en noemde hem een Gestapo. Hij versaste naar derdeklasser Zottegem, gekrenkt tot in het diepste van zijn ziel. Na zijn carrière werkte hij in het containerpark van Hooglede. Johny Thio voelde zich nergens te groot voor. Hij was echt een man van en voor het volk.De tijd gaat snel. Afgelopen dinsdag, 4 augustus, is het alweer twaalf jaar geleden dat Johny Thio aan een hartaderbreuk overleed. Een paar maanden na zijn pensioen en op 63-jarige leeftijd.