Er zijn van die momenten die je niet snel vergeet. We herinneren ons bijvoorbeeld nog de allereerste wedstrijd die we als stagiair-verslaggever volgden, voor de later verdwenen krant Het Volk. Dat was, in september 1971, een match tussen, toen nog, La Gantoise en Eupen. De Buffalo's waren naar tweede klasse gezakt en mochten na een schitterende voorbereidingsperiode in het Ottenstadion aan de competitie beginnen tegen de ploeg uit de Oostkantons. Iedereen verwachtte een doelpuntenfestival. Maar het werd een pijnlijke 1-2-nederlaag.
...

Er zijn van die momenten die je niet snel vergeet. We herinneren ons bijvoorbeeld nog de allereerste wedstrijd die we als stagiair-verslaggever volgden, voor de later verdwenen krant Het Volk. Dat was, in september 1971, een match tussen, toen nog, La Gantoise en Eupen. De Buffalo's waren naar tweede klasse gezakt en mochten na een schitterende voorbereidingsperiode in het Ottenstadion aan de competitie beginnen tegen de ploeg uit de Oostkantons. Iedereen verwachtte een doelpuntenfestival. Maar het werd een pijnlijke 1-2-nederlaag. Istvan Sztani was de trainer, een briljante maar melancholiek ogende Hongaarse technicus die nog voor de club had gespeeld en tijdens iedere verplaatsing zijn ploegmaats animeerde: in de bus zong hij dan opzwepende zigeunerdeuntjes. Maar na die nederlaag werd zijn hoofd meteen op de slachtbank gelegd en verschenen er giftige commentaren. Zo was de plaatselijke pers toen al: het voetbalgebeuren werd heel kritisch onder het vergrootglas gelegd. Vaak met een bijtend cynisme.In Gent werden de trainers in dit turbulente klimaat snel opgeofferd. Zo herinneren we ons in het begin van de jaren tachtig een interview met de memorabele maar enigszins kolerieke voorzitter Albert De Meester. Na een mislukte competitiestart zweerde hij op het hoofd van zijn kinderen dat de trainer, Léon Nollet, niet zou ontslagen worden. Het stond als titel boven het verhaal. Maar tussen het moment dat het stuk naar de drukkerij moest, maandagavond, en de dag van verschijning, woensdagochtend, werd Nollet wel degelijk op de keien gezet. Het weekend daarop zei De Meester met gladgestreken gezicht dat hij het een mooi interview vond, met een zeer schone foto. Over de ook voor hem toch lachwekkende titel repte hij met geen woord. Het hoorde bij de Gentse folklore.Albert De Meester, een zwaarlijvige betonbouwer, leidde de club tussen 1976 en 1984. De spelers beefden als hij de kleedkamer binnenkwam en hij hen met zijn bulderende stem toesprak. Maar soms gooide hij ook met bankbiljetten. Dat viel beter in de smaak. De premies overhandigde hij altijd aan de aanvoerder, Aad Koudijzer. Voor een training gaf hij hem eens een paar honderdduizend frank, om te verdelen onder zijn ploegmaats. Koudijzer durfde het geld niet in de kleedkamer te laten. Dus trainde hij met de briefjes in zijn kousen.Albert De Meester was gul maar soms ook gierig. Een pintje moest je zelf betalen. Maar de champagne was gratis. En hij stapte eens de kleedkamer binnen met een fles jenever en cognac. Of iemand een druppel moest hebben? Toen dat niet het geval bleek te zijn, nam De Meester er maar zelf een.(Jacques Sys, hoofdredacteur van Sport/Voetbalmagazine en al ruim 40 jaar in de journalistiek, graaft iedere zaterdag in zijn archief)