Ergens tussen Aarschot en Westerlo ligt langs kleine wegen in het groen het Ramsel van Erwin Vandenbergh. Vanuit zijn tuin zie je het dak van zijn ouderlijk huis, waar zijn moeder, intussen 90, nog steeds woont. Daar rinkelde ooit de vaste telefoon die er aan de muur hing, toen de spits in 1980 Europees topschutter werd en zich in de belangstelling voetbalde van grote clubs.
...

Ergens tussen Aarschot en Westerlo ligt langs kleine wegen in het groen het Ramsel van Erwin Vandenbergh. Vanuit zijn tuin zie je het dak van zijn ouderlijk huis, waar zijn moeder, intussen 90, nog steeds woont. Daar rinkelde ooit de vaste telefoon die er aan de muur hing, toen de spits in 1980 Europees topschutter werd en zich in de belangstelling voetbalde van grote clubs. Op vier jaar Lille OSC uit Rijsel na, toen Vandenbergh in Wevelgem ging wonen, is hij nooit uit Ramsel weg geweest en Ramsel nooit uit hem. Een paar jaar geleden overwoog hij samen met zijn vrouw om naar Portugal te verhuizen. 'Tot we bij ons derde bezoek daar een week in de mist zaten en ons realiseerden dat de zon ook in Portugal niet elke dag schijnt.' Vandenbergh (62) vertelt het in zijn tuin, met de nodige afstand die hij al meer dan aan jaar aanhoudt, sinds covid-19 uitbrak. Ook het voetbal volgt hij van op afstand. 'Liefst een Champions Leaguematch, waar ik vooraf zeker ben dat het niveau goed is. Want na zelf twee WK's en twee EK's meegemaakt te hebben stel ik vast dat het niveau nu niet altijd hoger en beter is dan vroeger.' Het laatste EK waar hij zelf aan deelnam was in 1984. Twee jaar later eindigde hij met de Rode Duivels vierde op het WK in Mexico, zijn laatste grote toernooi. Hij kan het EK 1984 qua gevoelswaarde niet meteen plaatsen in zijn lange en rijk gevulde voetballoopbaan, waarin hij in negentien jaar op het hoogste niveau naast twee WK-eindrondes en twee EK's in clubverband nog een Europabeker won (met Anderlecht in 1983), zes keer Belgisch topschutter werd met drie verschillende clubs (Lierse, Anderlecht en KAA Gent), twee landstitels pakte (met Anderlecht), met Lierse de Gouden Schoen won en zelfs één keer Europees topschutter werd. Erwin Vandenbergh: 'Wat spontaan in me opkomt als ik terugdenk aan het EK 1984 was het gemak waarmee we ons plaatsten, met vier van de eerste zes wedstrijden die we wonnen. Toen ik in 1980 bij de nationale ploeg kwam, kroop België uit een dal, en ging het weer omhoog. Eerst waren die resultaten nog onverwacht. Dat we er in 1980 zouden bij zijn, had vooraf niemand van ons gedacht. Dat we er toen met die generatie om de twee jaar bij zouden zijn, had niemand zien aankomen. In 1980 was die mediabelangstelling en de beleving bij het publiek ook niet zoals nu. Toen hingen niet overal in het land Belgische vlaggen.' Hoe begonnen jullie aan dat toernooi? Vandenbergh: 'Met de hoop de eerste ronde te overleven. Wij riepen niet dat we het EK gingen winnen. Negen op de tien matchen startten we als underdog. Belangrijk was dat je die eerste match won. Dat deden we ook, met de jonge Enzo Scifo in de ploeg, die toen de plaats innam van Ludo Coeck. Ik had Enzo's debuut met Anderlecht meegemaakt, het seizoen voordien.Jullie begonnen wel aan het toernooi zonder de spelers van Standard, na het omkoopschandaal. Vandenbergh: ' Eric Gerets en Walter Meeuws waren niet de minsten. Dat waren de patrons van de verdediging, Meeuws leidde die centraal en Gerets stond rechtsback. Alleen op links bleef het altijd zoeken, hadden we geen vaste waarde.' Zo komt het dat centraal achterin tegen Frankrijk het duo Lambrechts-Degreef startte. Vandenbergh: 'Op dat moment was het achterin echt zoeken voor Guy Thys. Maar met Gerets en Meeuws hadden we waarschijnlijk ook verloren van Frankrijk. Misschien niet met 5-0, maar een middenveld met Jean Tigana, Michel Platini, Alain Giresse en voorin Didier Six, dat was niet niets. Dan ben je als spits blij dat je niet achterin staat, en hoop je maar één ding: dat de match zo snel mogelijk voorbij is. Winnen tegen dat Frankrijk was voor ons toen té hoog gegrepen. Ook al hoopte iedereen vooraf dat nog eens zou lukken wat we deden in de openingsmatch op het WK 1982 tegen Argentinië.' Met de idee: we houden alles achterin dicht en Erwin zal er voorin wel één binnen sjotten? Vandenbergh: 'Daar kwam het vaak op neer. Dat was in die periode meestal ons spel. We konden perfect verdedigen, en dan moesten we via snelle uitbraken een van die twee of drie kansen die we zo kregen benutten. Zelf het spel maken konden we niet echt. 'Die match tegen Argentinië vond ik persoonlijk tactisch de beste match die ik ooit gespeeld heb met de nationale ploeg. Niet omdat we die wonnen, maar omdat het plan klopte. Maradona was de patron, en Thys en de ploeg kozen toen samen om geen mandekking te spelen op hem, maar hem kort in zone te dekken, zodat iedereen in zijn positie bleef. Dat lukte perfect.' Jij moest toen als spits niet zo meeverdedigen als de aanvallers nu? Vandenbergh: 'Ik trek altijd grote ogen als ik een spits dertig meter terug zie spurten. Als een ploeg uitvoetbalt, kan je door goed te schuiven met twee spitsen vier verdedigers achteraan houden. Als je vooraan goed schuift en op het gepaste moment terugschakelt bij balverlies, moet je geen gat overbruggen van dertig meter.' Jij gold als een koele afwerker. Was je dat ook? Vandenbergh: 'Ik was geen aanvaller die een actie opzette of dribbelde. Het liefst voetbalde ik in één tijd. Later ben ik bij Gent achter de spitsen gaan spelen. Toen ontdekte men plots dat ik ook mee kon voetballen. 'Het ergste dat je als diepe spits kan overkomen, is dat de ballen van de flank niet komen. Dat je positie kiest wanneer de flankspeler zijn actie maakt, maar dat die plots terugdraait en die bal niet geeft, waardoor jij voor niets een loopactie hebt gemaakt. Het gaat op die positie om die ene seconde. Precies dan moet je er staan en moet ook die bal komen, zoals bij die derde goal van Romelu Lukaku tegen Rusland. Vaak zit ik voor mijn tv te roepen: geef die bal nu! Maar het probleem is: ze horen me niet. ( lacht) 'Het meest comfortabel vond ik samenspelen met Frankie Vercauteren op links, bij Anderlecht en de nationale ploeg. Bij hem wist je dat die bal ging komen, en ook waar en wanneer precies. Op rechts voetbalde ik bij Anderlecht met Per Frimann, bij Gent kon Danny Veyt die bal ook goed voor doel geven. Bij Lierse had ik met Berto Bosch op rechts en Albert Van den Bergh links twee goeie flanken. Voor een spits is dat heel belangrijk. ' Kevin De Bruyne geeft de beste flankballen ter wereld. Maar hij wil daar liever niet staan. Zijn center komt op de millimeter, maar hij heeft zo veel kwaliteiten dat hij die passes van overal kan brengen, niet alleen vanaf de flank.' Waarom ben jij eigenlijk zo lang bij Lierse gebleven, ook nog nadat je Europees topschutter was geworden? Vandenbergh: 'Omdat ik daar graag was, en ook in een goeie ploeg speelde. Lierse was me bij Ramsel komen weghalen, waar ik op mijn zestiende in de eerste ploeg aan de kop in vierde klasse voetbalde. Ik herinner me een bekerwedstrijd tegen het grote Club Brugge voor 3000 man waar de toenmalige Brugse trainer Ernst Happel weigerde de warming-up te doen op het B-veld, en eiste dat die opwarming op het A-veld gebeurde. 'Lokeren wilde me ook graag, toenmalig manager Aloïs Derycker bleef maar bellen. Maar zelf wilde ik dolgraag naar Lierse. Dat was mijn favoriete club waar ik vanaf mijn dertienjarige ging naar kijken. Bijkomend voordeel was dat er in Herselt, de gemeente voorbij Ramsel, met Flor Van Uytsel al een speler van Lierse woonde met wie ik kon meerijden, want ik had nog geen rijbewijs op mijn zestiende. 'Ik heb er zes jaar graag gespeeld, werd op handen gedragen, ik woonde tussen de Liersesupporters, hier in Ramsel. Zalig vond ik dat. Tot de voorzitter overleed. Het verdwijnen van Bob Quisenaerts, die me bij Ramsel was komen halen, was voor mij het sein om te vertrekken. Hij zou met mij mee naar Parijs gaan toen ik Europees topschutter werd, maar hij was toen al ziek. Ik ben dan nog een jaar gebleven, tot ze me zegden dat het misschien beter was dat ik wegging, want ze konden me niet meer betalen.' Zeg niet dat je als Europees topschutter geen interessante aanbiedingen had. Vandenbergh: 'Ik was toen erg streekgebonden en niet klaar voor het buitenland. Er waren een paar Italiaanse clubs waarvan ik de naam al niet meer ken. Uiteindelijk heb ik nog voor Nieuwjaar voor Anderlecht getekend, al mocht dat toen nog niet bekendgemaakt worden. Liefst 62 miljoen frank betaalden ze voor mij. Anderhalf miljoen euro was op dat moment het recordbedrag voor een Belgische transfer. 'Later was ook FC Barcelona geïnteresseerd, toen ik al bij Anderlecht zat. Ik zie dat contract nog bij ons moeder op tafel liggen. Die cijfers ken ik nog goed, maar ik ga dat hier niet zeggen. Het was bijna maal vijf in vergelijking met wat ik toen bij Anderlecht kreeg. Maar dat interesseerde me op dat moment niet. 'Misschien is dat wel de enige fout die ik in mijn carrière heb gemaakt. Ik had het moeten proberen om te zien of ik daar ook top was geweest. Als het niet gelukt was bij Barcelona, had ik nog overal naartoe gekund.' Uiteindelijk ben je toch nog naar het buitenland gegaan, naar Lille OSC. Vandenbergh: 'Ja. Omdat ik dan nog in België kon blijven wonen en snel terug in Ramsel stond. En omdat er met Georges Heylens en Philippe Desmet nog twee Belgen waren. Dat was toen fijn, met veel Belgische fans in het stadion. Maar van het niveau van de competitie schrok ik wel. Ik heb nog aan Heylens gevraagd: is dat het fameuze Franse voetbal? Dat was niet hoogstaander dan het Belgische, maar wel veel harder. Wat zeg ik? Die trapten om te trappen. Zo'n Luis Fernandez bijvoorbeeld, van Racing Club de Paris. Amai. En dan nog reclameren als er tegen hem gefloten werd.' Vandaag word je amper internationaal als je niet in het buitenland voetbalt, bij jou ging het omgekeerd. Jij verdween uit de nationale ploeg zodra je in Rijsel voetbalde. Vandenbergh: 'Op een dag kwam Thys naar een match kijken waarin ik ook scoorde, maar toch nam hij me niet mee. Hij vond me niet goed bezig. Als die regel vandaag geldt, is Eden Hazard er niet bij op dit EK. Dat stak me toen wel, want in die jaren veranderde de kern amper. Dat was ook onze sterkte.' Na vier jaar Frankrijk keerde je terug naar België, naar KAA Gent en zelfs naar de Rode Duivels. Vandenbergh: 'Monaco heeft toen ook geïnformeerd. Ik heb ook met Antwerp gepraat, maar die kwamen hun eerder gedane beloften niet na en dan is het voor mij afgelopen. Bij KV Mechelen zei John Cordier: 'Hij zal zich toch terug moeten bewijzen.' Dat heb ik bij Gent ook gedaan, ik ben voor de zesde keer Belgisch topschutter geworden en tot Nieuwjaar stonden we eerste. Met zulke cijfers kon men me moeilijk passeren voor de Rode Duivels.' Je werkte graag met René Vandereycken. Die haalde je in 1994 ook naar RWDM voor je laatste avontuur in eerste klasse. Vandenbergh: 'Toen ik als jonge speler bij de nationale ploeg kwam, heeft René me opgevangen. Die band is altijd goed gebleven. Bij Gent trainden we niet zo zwaar als bij Anderlecht, waar je in de voorbereiding soms letterlijk liep te kotsen omdat je zo ver in het rood moest gaan. Ik vond het zelfs helemaal niet zwaar en vroeg me af of we wel fit zouden geraken tegen de competitiestart. 'Het was ook de eerste keer dat ik met hartslagmeters trainde. Maar René wist precies wat hij deed. Hij had in Italië geleerd om geen korte, intensieve trainingen te geven maar lang te trainen aan een minder hoog ritme. Op een dag, tien dagen voor de competitiestart, had ik ineens last aan de rug. Ik dacht: ik haal het niet, maar René zei: 'Blijf maar binnen, laat me de dag voor de eerste match weten hoe het gaat.' Dus zeg ik hem, zonder één keer te trainen, de dag voor de wedstrijd tegen Sint-Truiden dat ik me oké voelde. 'Dan speel je morgen', antwoordde hij. We wonnen met 6-2 en ik trapte er vier binnen. 'Ach René... ik vergeet nooit hoe hij op een dag een cameraman van een tv-zender die na de match mee met de spelers de kleedkamer in stapte eigenhandig vastpakte en buiten zette, eraan toevoegend: 'Afspraken zijn afspraken, en dit was de afspraak niet.'' Waar ben je het meest trots op uit die negentienjarige carrière op het hoogste niveau van 1976 tot 1995? Vandenbergh: 'Zes keer topschutter in de Belgische competitie, met drie verschillende clubs, is niet niets. Aan de top komen is moeilijk, er blijven nog moeilijker. Dat is me toch gelukt. Ik heb ook altijd in goeie ploegen mogen spelen, nooit tegen degradatie moeten knokken. Maar het meest trots ben ik toch op die titel van Europees topschutter in 1980. Al verliep dat feest niet helemaal zoals gepland. 'Adidas organiseerde dat, maar Adidasbaas Willy Gillard was flink te laat in Brussel waardoor we later dan gepland met de trein naar Parijs vertrokken en de Moulin Rouge binnenstapten terwijl de show al bezig was. Ze hadden onze tafel vlak naast het podium gezet en ons eten werd gebracht terwijl de pluimen van die dames van het podium in het rond vlogen. Op de duur aten we meer pluimen dan iets anders. 's Anderdaags was dan de echte prijsuitreiking door de acteur Jean-Paul Belmondo in het Lido, maar dat was snel afgelopen. De drie beste topschutters kregen hun schoen en daarna was het gedaan. Veel media-aandacht werd daar niet aan besteed.' Vind je het voetbal erg veranderd? Vandenbergh: 'Iedereen loopt nu hoog op met het systeem van drie verdedigers. Toen ik net bij de nationale ploeg kwam, speelden we tegen Schotland, en die traden met drie verdedigers aan. Dat is toch zalig om tegen te spelen, als spits, tegen drie verdedigers? 'In de Champions League zie je soms nog mooi voetbal. Die openingsmatch Italië-Turkije, vond je dat hoogstaand voetbal? Italië was degelijk, maar Turkije... je zit wel op een EK, hé?' Naar welke spelers die na jou kwamen, keek of kijk je nog op? Vandenbergh: 'Ik heb altijd veel bewondering gehad voor Marco van Basten, die nog een klasse beter was dan ik. Ik hou van eentijdsvoetbal, het moet niet té ingewikkeld worden. De Bruyne vind ik wereldtop. En Lukaku heeft een fantastisch seizoen gemaakt en trekt die lijn door. Ik snap nog altijd niet hoe men tot voor een paar jaar aan hem twijfelde. Maar ze moeten nu wel iets winnen, deze uitzonderlijke generatie.'