Wanneer stopt de magie van het goochelen? Meestal op het moment dat je beseft dat het allemaal neerkomt op trucs - een vorm van valsspelen zelfs, je wordt opgelicht terwijl je erbij staat. Dan wordt de goochelaar ineens een bedrieger en valt hij van zijn voetstuk. Maar hier en daar valt een enkeling niet van zijn geloof in de magie af te brengen. Wat zegt dat over die mensen? Type naïeve dromer allicht? Of meer genre nieuwe David Copperfield, de wereldberoemde illusionist?
...

Wanneer stopt de magie van het goochelen? Meestal op het moment dat je beseft dat het allemaal neerkomt op trucs - een vorm van valsspelen zelfs, je wordt opgelicht terwijl je erbij staat. Dan wordt de goochelaar ineens een bedrieger en valt hij van zijn voetstuk. Maar hier en daar valt een enkeling niet van zijn geloof in de magie af te brengen. Wat zegt dat over die mensen? Type naïeve dromer allicht? Of meer genre nieuwe David Copperfield, de wereldberoemde illusionist? Lionel Brouwaeys is geen van beiden. Geen naïeve dromer; evenmin een would-be David Copperfield. Wanneer hij op 26 oktober 2021 als trainer van CS Onhaye, in de buurt van Dinant, naar Oostende afreist voor de 1/16 finale van de beker van België, weet hij dat zijn team straks zal worden opgepeuzeld. Toch trekt hij 20 uren uit om een match voor te bereiden waarvan de statistieken uitbazuinen dat ze bij voorbaat verloren is. Zo draait ook de realiteit uit. CS Onhaye (derde afdeling ACFF B) komt aan de kust wel vroeg op voorsprong, maar slikt nadien acht tegendoelpunten tegen het B-team van Oostende (met Alexander Blessin als trainer). Goed, dat is een povere balans. Maar om daarom te beweren dat er zich achteraf in de kleedkamer van Onhaye hartverscheurende taferelen afspelen? Hoegenaamd niet. Veeleer overheerst bij trainer en spelers het wat vreemde gevoel dat ze hun job hebben gedaan. Misschien is dat logisch als je als laatste amateurclub uit D3 het bekeravontuur zo lang hebt overleefd. En zo heeft de beker van België de vertegenwoordigers van het amateurvoetbal gedegradeerd tot eeuwige figuranten. Onvermijdelijk? Wel, toch niet zo noodzakelijk als we zouden denken. Dat bewijzen ze in Frankrijk. Dit jaar stootten daar twee ploegen van de National 2 (omgerekend: onze vierde afdeling) door tot in de kwartfinale, en dat berustte niet op toeval, nee, het gebeurde voor de derde opeenvolgende keer. Je moet in Frankrijk al tot het seizoen 2012/13 afdalen om niet op z'n minst één team uit de derde klasse of lager in de kwartfinales van de beker te treffen. Om een lang verhaal kort te maken: er gaapt een afgrond tussen de prettig gestoorde romantiek van de Coupe de France en de koele wiskunde van de Croky Cup. Om dat beter te begrijpen, moeten we naar Hesperange. Dat dorpje ligt verscholen in Luxemburg, Groothertogdom welteverstaan. Daar vinden we het spoor van ene Clément Couturier. Een naam die allicht nergens een belletje doen rinkelen, tenzij misschien bij de supporters van Virton. Maar op Wikipedia heeft deze Couturier - een naar Luxemburg geëmigreerde Fransman - een pagina. De tekst van 1500 tekens werd in zes talen vertaald. Couturier wijdt uit over de finale van de beker van Frankrijk van 2018. Zijn club, Les Herbiers (National 2, onze vierde klasse dus) nam het daarin op tegen PSG. We herhalen, want naar Belgische normen is het onbevattelijk: finale van de Beker van Frankrijk. Les Herbiers, National 2. Een gemeente van nog geen 15.000 inwoners in het departement Vendée in de regio Pays de la Loire. Tegen PSG. 'Een onwaarschijnlijk avontuur', noemt Couturier, een elegante middenvelder, het zelf op Wikipedia. Het leverde hem op 25-jarige leeftijd wel zijn eerste profcontract op, hij speelt nu voor F91 Dudelange in Luxemburg. Het lijkt een atypisch cv. 'Integendeel', ontkent Couturier. 'Mijn traject is dat van honderden Franse voetballers. Allemaal revanchisten die langs het klassieke circuit van de opleidingscentra van de grote Franse clubs passeerden, maar op een moment uit de boot vielen en vol opgekropte frustratie in het amateurvoetbal wegzakten. Voor al deze jongens is de beker van Frankrijk de laatste kans om weer aan te sluiten bij hun dromen van vroeger. De bekercompetitie ligt daar voor hen als een brug naar het profvoetbal. Al die spelers beseffen dat een goede prestatie in een bekermatch tegen een profclub hen opnieuw kan lanceren.' Clément Couturier is met andere woorden geen geval apart. Het drukt ons met de neus op de feiten: het Franse voetbal is een eindeloze vijver van talent. Dankzij de opleidingscentra worden er ontelbaar veel goede voetballers gevormd, stuk voor stuk pretendenten voor het hoogste niveau. Te veel eigenlijk, het aanbod overtreft de vraag. Waardoor de Coupe de France fungeert als het grootste vangnet van het Europese voetbalcontinent. Topclubs op zoek naar lekkere brokjes graaien er gretig. Hangen prof- en amateurvoetbal in Frankrijk homogener aan elkaar dan in België, ook het format van de bekercompetitie vergroot er de kans op een lang(er) parcours voor kleine clubs. In Frankrijk stappen de clubs van de Ligue 1 en de uittredende bekerwinnaar al in de 1/32 finale in de bekercompetitie, en bovendien zonder een geleide loting. Bij ons beginnen de clubs van 1A plus de degradant van het vorige seizoen er pas vanaf de 1/16 finale aan en dan nog met een beschermde status, zodat ze niet tegen elkaar (kunnen) uitkomen. Het uitzicht op onverwachte wendingen wordt zo al een eerste keer in de kiem gesmoord. Een tweede pleister op de kwetsbaarheid van de clubs uit 1A is dat er vanaf de halve finale met heen- en terugwedstrijden wordt gespeeld. 'En dat is nog maar het topje van de ijsberg', klaagt een gekwalificeerde correspondent van een amateurclub die ergens in de laatste seizoenen par accident in de 1/16 finale van de beker tuimelde. Hij houdt zijn getuigenis liever anoniem, hij is niet uit op ronkende titels in de kranten. 'Er staan in het reglement punten waarover we ons allemaal kunnen informeren. Maar er bestaat ook zoiets als de kleine lettertjes. Dat zijn passages voor de ingewijden, de happy few; de rest staat erbuiten. In de schoot van de Belgische voetbalbond onderneemt men niets om de kleine clubs een mooi bekerparcours te gunnen.'Alvast Jean-Yves Ska, voorzitter van CS Onhaye, deelt dat standpunt. Zijn club was zelf het slachtoffer van de kromme communicatie van de bond. Info vooraf: het stadion van CS Onhaye aan de Rue du Forbot werd onwaardig bevonden om thuis een ploeg uit 1A te ontvangen. Ska: 'Dat de kleine clubs over zulke dingen slecht geïnformeerd worden, is gewoon een feit. In ons geval vernamen we pas na de loting voor de 1/16 finales - die ons het uitzicht op een thuismatch tegen Oostende bood - dat we al vóór de loting hadden moeten melden dat we onze thuismatchen voor de beker wilden spelen in een naburig stadion dat wel aan de stadionnormen beantwoordde.' De match had dus niet in Oostende gehoeven. Achteraf verweet de Belgische voetbalbond CS Onhaye dat het zich vooraf onvoldoende had geïnformeerd. Ska: 'Ze zeiden ons dat we nu verwittigd waren en dat het voorval kon dienen als een goede les voor een volgende keer. Maar hoe vaak geraakt een club als CS Onhaye in de 1/16 finales van de beker? En stel dat we dat over een jaar een tien nog eens voor elkaar krijgen, dan zal het reglement wellicht alweer gewijzigd zijn.' Het is maar één voorbeeld in het verhaal zonder einde over de beker van België als een competitie die de verdeeldheid nooit kon verdrijven. Niettemin proberen de leidende instanties het bekervoetbal al sinds 2016 'aantrekkelijker' te maken. Waarbij ze niet verbergen waar hun prioriteit ligt, en dat ze bedoelen: 'aantrekkelijker voor de grote clubs'. Want de bond stelde destijds met stijgende boosheid vast dat de grote clubs met gelegenheidsteams aan het bekeravontuur begonnen. Alsof de beker geen belang had. Waarna de bondsinstanties voor die grote clubs de rode loper uitrolden. De winnaar van de beker van België heeft alvast weinig reden tot mopperen. De beker verschaft hem rechtstreekse toegang tot de voorrondes van de Europa League en de daaraan verbonden premie van 2,4 miljoen euro. Een overwinning levert 360.000 euro op, een gelijkspel 120.000 euro. Voordien ontving elke bekerfinalist al een premie van 400.000 euro, plus een deel van ontvangsten uit de ticketverkoop en de tv-rechten, en een premie van ongeveer 200.000 euro van de profliga. Conclusie: de beker van België blinkt in de ogen van de grote clubs als een goudmijn. Waardoor ze zich wel twee keer zullen bedenken vooraleer in bekerwedstrijden nog een veredeld B-elftal op te stellen. 'Het is een beetje het verhaal van de slang die zichzelf in de staart bijt', verdedigt Stijn Van Bever, woordvoerder van de profliga, zich. 'Van begin 21e eeuw tot zelfs kort geleden vroeg men zich af waarom de grote clubs geen belangstelling voor de beker van België hadden. Men betreurde het dat de finales geen affiches waren. Dus wilden we de beker aantrekkelijker maken. En paradoxaal genoeg, net nu we voor de finales mooie affiches voorschotelen, verwijten ze ons dat ze nooit geen wedstrijden van David tegen Goliath meer zien. Wat kunnen wij daaraan doen?' Wat kunnen wij daaraan doen? Wel, om te beginnen zou de profliga kunnen terugkeren naar de essentie van de beker van België: een competitie die alle prof- en amateurploegen overkoepelt, die werkt met rechtstreekse uitschakeling op basis van één enkele, door een lottrekking bepaalde wedstijd, waarbij het lot ook het thuisvoordeel toekent. Dat concept biedt niet de garantie dat de kleintjes de gevestigde orde omgooien, maar het levert op z'n minst mooie beelden op. In de plaats van een driekwart lege Diaz Arena, alleen maar geanimeerd door zowat 300 supporters van CS Onhaye die op 26 oktober de verplaatsing naar de kust maakten om hun helden in de pan te zien hakken. Met als enige winstpunt voor die helden: na afloop een vlugge wissel van shirts aan de rand van het veld. 'Het grote voordeel van een epos zoals het onze, dat zijn de persoonlijke herinneringen die je verzamelt', vertelt Clément Couturier, finalist van de Coupe de France de 2018. 'Nadat we de finale met 2-0 hadden verloren, nodigden de sterren van PSG ons uit in hun kleedkamer. Ik herinner me dat ik met Verratti babbelde over de niet-deelname van Italië aan het WK, dat ik de Fransen die naar het WK afreisden het beste wenste, en dat ik vertrokken ben met een short van Cavani, een shirt van Draxler en een jasje van Pastore. Alles wat in mijn handen kwam, heb ik mee gegrist', lacht hij. Bekercompetities zijn magisch zo lang ze onwaarschijnlijke scenario's aanreiken. Dat jaar verliet de bende van Les Herbiers het Stade de France niet alleen met een koffer vol vuile was en andere kledingstukken, maar ook met het gevoel dat bekerwedstrijden een vorm van toverkunst kunnen bevatten. Want parallel met het onwaarschijnlijke bekerparcours waarop ze respectievelijk de eersteklassers AJ Auxerre en RC Lens elimineerden, kenden Les Herbiers in 2017/18 op competitieniveau een dramatisch seizoen dat uitliep op de degradatie naar National 2. 'Wat wij tijdens dat moeilijke seizoen beleefden, is twintig jaar later nog altijd de erfenis van wat Calais in het begin van de eeuw presteerde', zegt Stéphane Massala, toen en nu nog altijd coach van Les Herbiers. Hij verwijst naar het avontuur van RUFC Calais, club uit de CFA - intussen National 1 geworden: op 7 mei 2000 bereikte ook dat team de finale van de beker van Frankrijk en verloor met 2-1 van Nantes. 'Zij waren de eersten die ons toonden dat het mogelijk was', aldus Massala. 'Ze verbrijzelden wat iedereen toen voor een soort van glazen plafond hield. Voordien deden er zich in het Franse bekervoetbal zelden of nooit stunts voor. Het was toen net zoals bij jullie.' Daarmee bedoelt Massala: een fletse en voorspelbare competitie, hooguit af en toe opgesmukt met een uitzonderlijke prestatie van een club uit 1B met een groot budget, zoals in 2019 met Union Sint-Gilloise (halve finale) en KV Mechelen (winnaar). In Frankrijk kreeg het voorbeeld van Calais navolging. Bijna jaarlijks ontpopt een kleine club (gemeente van minder dan 30.000 inwoners) zich tot reuzendoder: Montceau-les-Mines (4e klasse, halve finale in 2007), Carquefou (5e klasse, kwartfinale in 2008), Schirrhein (7e klasse, 1/16 finale in 2009), Quevilly (4e klasse, halve finalist in 2010), Viry-Châtillon (6e klasse, 1/16 finale in 2019) of nog Andrézieux (4e klasse, eveneens 1/16 finale in 2019). Wat al deze amateurclubs gemeen hebben, is dat ze op een moment een profteam vloerden, de sympathie genoten van de hele natie en er vriendschappelijke betrekkingen aan overhielden met de gemeente als dank voor bewezen diensten. Dat laatste leverde de clubs in kwestie niet zelden nieuwe kleedkamers, investeringen voor hun opleiding op langere termijn en/of extra drankbonnen voor de derde speelhelft op. Weet u, meer moest dat voor de betrokken clubs ook niet zijn. Op voorwaarde dat hen maar het recht op dromen werd gegund.