De lucht is prachtig blauw boven Tillegembos waar Franky Van der Elst woont. Brugge is mooi, maar toen hij een week eerder met zijn vader Miel (86) ging wandelen in Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek, het dorp waar hij vandaan komt, besefte hij: 'Het Pajottenland is ook echt wel mooi. Als je jong bent, ben je daar blind voor.'
...

De lucht is prachtig blauw boven Tillegembos waar Franky Van der Elst woont. Brugge is mooi, maar toen hij een week eerder met zijn vader Miel (86) ging wandelen in Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek, het dorp waar hij vandaan komt, besefte hij: 'Het Pajottenland is ook echt wel mooi. Als je jong bent, ben je daar blind voor.' Niet dat hij overweegt terug te keren naar zijn roots. 'Intussen wonen we hier al sinds 1984, dat is al 37 jaar, langer dus dan ik ginder heb gewoond. Toen ik hier voor het eerst bij de slager stond, verstond ik niets van wat de mensen zegden. Maar nu heb ik hier mijn sociaal leven, de kinderen zijn hier groot geworden. Als mijn vader dialect spreekt, verstaan ze hem niet. En als zij praten, verstaat hij hen niet.' Na een rijke voetballoopbaan beschouwt Van der Elst zich definitief als trainer af, en geeft hij voetbalanalyses voor tv. Hij wil graag eens terugblikken. 'Simpel,' grijnst hij, 'zet maar als titel: vroeger was alles beter. ( grijnst) En zet er tussen haakjes achter: bulderlach.' Wat is je vooral bijgebleven van je carrière? Franky Van der Elst: 'Dat het allemaal zo snel gegaan is. Het is me allemaal gewoon overkomen. Het begon met mijn opvoeding thuis in het café dat mijn moeder runde. Daar kwam iedereen: het was het lokaal van de lokale voetbalploeg, elke dag kwamen de doppers, die naast het café hun stempel haalden, er iets drinken en op het einde van de maand deelde een ambtenaar er zijn enveloppen met geld uit. De notabelen kwamen er, maar ook de gewone mensen. Ik ben heel content dat ik ben opgegroeid in een café. De Wes ( Wesley Sonck, net als Van der Elst geboren in Ninove, nvdr) zegt dat ook. Daar leer je de wereld kennen, mensen van alle slag. Mijn vader zei altijd: Onze Heer moet zijn getal hebben ( uitdrukking die betekent dat er van alles wat op de wereld moet rondlopen, nvdr). 'Je ziet, hoort en leert veel. Als er een man te kort was bij het kaarten, mocht ik meedoen. Ik trek ook mijn plan met caféspelen. Mijn vader was betrokken bij Blauw-Wit Lombeek, ik mocht al eens meedoen als ze op training een man te kort hadden. Na de donderdagtraining zaten alle spelers in het café te wachten tot de voorzitter met een stuk krijt op een bord de namen schreef voor de eerste ploeg en de reserven voor dat weekend. 'Ik ging ook elke week samen met mijn broer in het nabijgelegen Lennik in een platenwinkel vier nieuwe platen halen voor onze jukebox in het café. Dé vraag was elke keer: welke vier moeten er nu uit?' Je bent altijd een muziekliefhebber geweest. Welke artiesten konden je raken? Van der Elst: 'Ik was fan van Raymond van het Groenewoud. Dat ben ik nog steeds. Op mijn vijftiende herkende ik me in de dingen zoals hij ze formuleerde. Hij blijft voor mij dé grootste Vlaamse artiest, de man die de Nederlandse popmuziek heeft uitgevonden. Ik ging ook naar zijn optredens in de streek, en die van Johan Verminnen en Kris De Bruyne. 'Als ik in de auto nog eens een cd van Raymond hoor, denk ik: toch fijn dat ik fan ben van die man. Maar ik houd ook van andere muziek. Als Elvis Costello of Nick Cave in België is, ga ik kijken. Ook als speler ging ik vaak naar optredens. Van een vroege Torhout-Werchter herinner ik me een editie met The Specials, Mink DeVille, de jonge U2 en Simple Minds. En presentator Guy Mortier die trots riep: 'We zijn hier vandaag met 20.000', gevolgd door een groot gejuich. Als een festival nu 20.000 man heeft, is het net niet failliet. Festivals bezoek ik tegenwoordig niet meer. Mijn favoriete concertzaal is de Ancienne Belgique in Brussel.' Heb je ooit een plan-B gehad voor het geval je geen voetballer zou geworden zijn? Van der Elst: 'Nee. Als jonge gast zei ik wel eens lachend: een frietkot. Want een goeie frituur levert wat op, hoor. Maar ik heb dat nooit echt overwogen. Ik heb maar één maand echt gewerkt, op de dienst indirecte belastingen in Oudergem in Brussel: nagaan wie zijn belastingen niet betaald had en die een aanmaningsbrief schrijven. Ik heb gewoon mijn humaniora afgemaakt in Ninove, en ben een jaar eerder dan gepland naar het leger gegaan, net toen ik mijn kans kreeg in het eerste elftal van RWDM, van Jean-Pierre Borremans. Vanaf toen ging het allemaal vanzelf. Mijn geluk was het ongeluk van RWDM. Er waren financiële problemen, veel spelers vertrokken waardoor we ineens met een half elftal jonkies in de eerste ploeg stonden, te jong om ons in eerste klasse te handhaven.' Van Lombeek naar Molenbeek, was dat geen immense stap voor de dorpsjongen die je was? Van der Elst: 'Zo heb ik dat nooit aangevoeld. Ik nam in het dorp de lijnbus naar Brussel, stapte uit aan Scheut en liep toen binnendoor naar het stadion. Na de training kwam mijn vader me oppikken. Ik heb nooit gevoeld dat ik door de grootstad liep. 'Voor een voetballer telt maar één ding: dat het op het veld gaat. Als ik niet mee had gekund, had ik het misschien anders ervaren, maar ik speelde goed mee, en dan ging al de rest ook gemakkelijker. 'Ik weet nog dat ik op een dag als scholier naar de training van de juniores keek. Die hadden een trainer die echt bulderde, en ik dacht: oei, wordt dat volgend jaar onze trainer? Op een dag riep die tegen mij, in sappig Brussels: 'Franky, ge moet naar het midden, ge loopt als een oud strijkijzer!' Hij bedoelde dat ik het achterin veel te makkelijk had, dat ik naar het middenveld moest doorschuiven om meer uitdaging te krijgen. Dat was zo, want wij waren heel sterk, we moesten niet onderdoen voor Anderlecht. Ik was bij Lombeek naar achter geschoven om daar de boel recht te houden, want daar kregen we altijd slaag en daarom moesten de beste voetballers naar achter. 'Ik vind het nog altijd straf dat een jeugdtrainer die in het dagelijkse leven postbode was toen al zag wat andere toptrainers me pas later duidelijk maakten, bij Club Brugge en de nationale ploeg.' Van RWDM ging je naar Club Brugge. Dat was niet de ploeg waar je voor supporterde. Van der Elst: 'Nee, mijn hart klopte toen voor Standard. Die waren in mijn jeugdjaren drie keer op rij kampioen geworden. Die namen spraken me geweldig aan: Dewalque, Semmeling, Takac, Kostedde, Jeck. Wilfried Van Moer vond ik echt een geweldige speler. Ik kon naar AA Gent, naar Beveren die toen kampioen waren. 'Twee keer heb ik ook met Anderlecht gepraat, maar ik voelde niet dat ze me echt wilden. Ik had er als jonge gast al eens getest. Een paar klanten in ons café die mensen bij Anderlecht kenden, hadden dat geregeld, want het Pajottenland is Anderlechtland, en voor mij amper twintig minuten ver met de bus. Maar dat is niets geworden. Toen ik al die aanbiedingen had, zei Rudi Cossey: "Je moet ook eens naar Georges Heylens bellen. Hij wil je bij Seraing." Maar ik had al voor Club getekend. Met welk plan ben je bij Club aangekomen? Van der Elst: 'Met de vraag: gaat dat hier lukken? Want we waren net gedegradeerd met RWDM. Dan loop je niet over van zelfvertrouwen. Dat ik niet alleen aankwam, maar samen met Leo Van der Elst, die ik kende van de Brabantse selectie, hielp. Dat er direct een goeie sfeer in die groep zat ook. 'Die vijftien jaar bij Club is het altijd een toffe bende geweest. Het volkse van die club zat ook in de spelersgroep. Wij waren gewone jongens uit Humbeek, Lier, Opwijk, Lokeren, Ardooie, Bredene en één van Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek. Jongens van onder de kerktoren, drie kwart sprak dezelfde taal. 'De mentaliteit paste goed bij mijn karakter. Het was gemoedelijk en plezant, we dronken samen een pint, ook in het spelershome na de training. Het hing bij ons goed aan mekaar. Dat je veel won, hielp natuurlijk. Je kan je nu niet meer voorstellen dat je na een Europese thuismatch even verderop in het café iets gaat drinken met de supporters, soms tot 's ochtends, in Los Amigos of de Picobello. 'Ik vergeet nooit hoe voorzitter Fernand De Clerck ons op de eerste training kwam toespreken. Hij sloot af met: 'En als er problemen zijn, ik ben er niet.' Daarbij keek hij even naar de ploegafgevaardigde met een blik van: da's voor jou. Heerlijk toch? 'We werden als spelers en trainers ook niet onder druk gezet. Dat was bij Anderlecht toch anders, hoorden we van Hugo Broos. ' Hebben jullie door die vele vrolijke avonden ook geen prijzen gemist? Van der Elst: 'Zeggen dat we met een andere aanpak die finales hadden gehaald, zou ik niet doen. Het had ook gekund met onze aanpak. Ik herinner me dat we op een woensdag na een gewonnen Europabekermatch tegen Panathinaikos meteen met de bus op afzondering trokken naar Knokke, want Henk Houwaart wilde ons scherp houden voor de volgende wedstrijd die zaterdag op KV Mechelen, toen een Europese topclub. Ik denk niet dat er drie man langer dan vijf minuten in ons hotel was, iedereen vloog de nacht in, tot 's ochtends. Maar die zaterdag wonnen we wel met 2-4 op het grote KV Mechelen. Zo'n bende waren we wel. Er was veel onderling respect, toen. Op het veld mag je wel een paar klootzakken hebben, maar daarbuiten en in de omgang met je medemaats moet je respect tonen. Ik heb nooit moeilijk gedaan tegen een ploegmaat.' Is Club altijd jouw ploeg gebleven? Van der Elst: 'Jawel. Dat vind ik wel fijn, want op die manier hoor je ergens bij. Ik ben er ene van de Club, maar ik weet van mezelf dat ik ondanks mijn Clubverleden in mijn commentaar zéér objectief blijf.' Zitten de beelden van je spelerscarrière helderder in je hoofd dan die van je trainerscarrière? Van der Elst: 'Ja, omdat zelf voetballen ook het plezantste is. Trainer zijn heb ik minder graag gedaan dan voetballen. Ik heb me als coach altijd van in het begin veel eenzamer gevoeld. Een nederlaag kwam veel harder aan dan als speler, en een overwinning gaf minder voldoening.' Een jaar voor je afscheid als speler blikte je vooruit op wat je na je spelersloopbaan wilde doen: liefst iets in het voetbal, maar het minst graag trainer, zei je toen. Van der Elst: 'Ik ben niet aan mijn laatste seizoen als speler begonnen met de idee: en nu word ik trainer. Achteraf heb ik dikwijls gedacht: hoe ben ik daar durven aan beginnen? Ik zie mezelf hier nog in de tuin zitten, die laatste veertien dagen van de vakantie voor de voorbereiding begon bij Germinal Beerschot, trainingen voorbereiden. Ik heb heel lang niet het gevoel gehad dat ik trainer wilde worden. Het is mij ook weer overkomen, maar ik heb wel mijn best gedaan.' Is dat genoeg? Van der Elst: 'Wat kan je nog meer doen dan je best? Ik heb gedaan wat voor die tijd de norm was voor een proftrainer.' Wat vond je het moeilijkste aan trainer zijn? Van der Elst: 'Elke dag training geven. De wedstrijden deed ik het liefst. Ik herinner me toen ik de eerste keer in die kantine in Ekeren ineens al die ogen op mij gericht zag. Dat was even zweten, maar eens op het veld voelde ik me meteen op mijn gemak. Bij GBA waren er ook snel strubbelingen tussen de twee kampen. Daar zat ik tussen. Ik heb nooit partij gekozen. Ik had daar als beginnend trainer wel wat meer steun kunnen krijgen, ik kreeg er meer kritiek dan steun. We werden dat eerste jaar wél zesde, een goed resultaat met de oudste ploeg van eerste klasse. 'Het is niet echt een succes geweest, mijn trainerscarrière, maar ik heb daar vrede mee.' Wat miste je om een toptrainer te worden? Van der Elst: ( denkt na) 'Ik denk al snel: het is wat het is. Misschien ben ik iets te snel berustend. Ik heb nooit de impuls gehad, als ik voelde dat het aflopend was, om daar heel hard tegen te vechten. Pas op: ik heb me ook vaak kwaad gemaakt, hoor. Maar om een of andere reden lukte het niet echt. Ik heb daar vrede mee omdat ik nooit de brandende ambitie voelde om in dat vak de top te halen. Ik heb bijvoorbeeld nooit, maar dan ook nooit de ambitie gehad om hoofdtrainer te worden van Club.' Je bent wel trainer in Lommel geweest, in tweede klasse. Denk je dan tijdens die lange ritten niet: waar ben ik mee bezig? Van der Elst: 'Integendeel. Ik had langer in Lommel moeten blijven, en niet naar STVV in eerste klasse moeten gaan. Bij Lommel had ik een fijne spelersgroep, een fijne staf en een voorzitter die oprecht blij was als we wonnen. Het was een uur en drie kwart rijden, maar ik had nooit file, en we trainden in de late namiddag. Ik at hier 's middags thuis en vertrok op mijn gemak. In Lommel werd je met rust gelaten. Je zag er ook amper pers. Na Roeselare had ik er helemaal genoeg van, van het trainer zijn.' Je bent wel nog hulptrainer van Gert Verheyen geworden, eerst bij de U19 van België, dan bij Oostende. Van der Elst: 'Ik deed dat graag. We stonden met Oostende op één minuut van de bekerfinale, tegen Gent. Is die wedstrijd één minuut vroeger afgelopen, zitten we in de finale, en zijn Gert en ik daar misschien nog.' Als je foto's ziet van je ex-ploegmaats Vital Borkelmans en Stephan Van der Heyden in Jordanië, denk je dan niet: dat had ik ook willen beleven? Van der Elst: 'Dat leek mij ook een fijn avontuur, liefst samen met Gert, maar nu niet meer. Dat is voorbij. Ik geef nu commentaar op tv, ik doe dat graag. Soms houd ik wel eens iets voor mij, om een polemiek te vermijden. Ik discussieer niet graag, maar ik geef wel graag mijn mening.' Mis je de adrenaline van vroeger niet? Van der Elst: 'Natuurlijk mis je soms de piek van de ontlading na winst in een topmatch. Die pieken haal je niet meer, maar je valt ook niet meer in de diepe dalen na een zware nederlaag. Het is allemaal vlakker geworden. Daarom kruip ik soms op de fiets, rijd me leeg en heb ik, als ik kapot thuiskom, weer even dat gevoel van een klein piekje te hebben.' Waar ben je, samenvattend, het meest tevreden over als je terugkijkt? Van der Elst: 'Ik ben content met het leven zoals het is gelopen. Ik ben gezond, en blij dat men me nog vraagt. Toen het bij Oostende stopte, heb ik eventjes gedacht: en nu? Ik ben blij dat ik naar de VRT, Eleven en Proximus mag, dankbaar dat ik dit mag doen. Ik heb geen spijt of wrok van dingen die anders hadden kunnen lopen. Het is goed zoals het allemaal gegaan is.'