G eert De Vlieger loopt langs een muur, de steentjes knisperen onder zijn voeten. Dan duwt hij zijn handen als kommetjes tegen een tuindeur en tuurt door de kier die ze laat. 'Daar waar het raampje openstaat ben ik opgegroeid, dit was ons koertje', zegt hij. Het tuintje ligt ingesloten tussen de rijtjeswoningen. Meer dan vier vierkante meter zal het niet zijn geweest, vermoedt hij. 'Mijn opa had de stenen muur verhoogd met kiekendraad, zodat de bal niet telkens bij de buren lag.'
...

G eert De Vlieger loopt langs een muur, de steentjes knisperen onder zijn voeten. Dan duwt hij zijn handen als kommetjes tegen een tuindeur en tuurt door de kier die ze laat. 'Daar waar het raampje openstaat ben ik opgegroeid, dit was ons koertje', zegt hij. Het tuintje ligt ingesloten tussen de rijtjeswoningen. Meer dan vier vierkante meter zal het niet zijn geweest, vermoedt hij. 'Mijn opa had de stenen muur verhoogd met kiekendraad, zodat de bal niet telkens bij de buren lag.'Hij draait zich om en laat zijn blik rondgaan. Aan de achterkant van zijn voormalig ouderlijk huis was er iets meer ruimte: een pleintje omringd door garages. 'Hier kwamen we, mijn twee broers en ik. Met een doos met dertig ballen.' Hij kijkt omhoog. 'Die vlogen natuurlijk steeds over de tuinmuren en de garages. De mensen waren dat gewoon. Tegen de avond, wanneer de doos begon leeg te geraken, zag je ze zo, hup, één voor één terug vliegen.' Voor de zijde van beton gaat De Vlieger met zijn handen breed staan. Toen al een keeper. 'Heroïsche partijtjes werden hier gespeeld.' Hij wijst naar de zijkanten. Aan de twee lange zijden zijn drie garagemuren van hout, drie van ijzer. 'Kleppen dat het niet schoon was, hé. Dan wisten de mensen: daar zijn ze weer... Dat was voor de buurt niet zo fijn. En roepen, hé. We konden geen van allen tegen ons verlies. De mensen werden wel eens ambetant van ons.' Weggestuurd zijn ze ook. Het hielp niets. 'We waren erger dan ongedierte. We kwamen altijd terug.' Hij grijnst en kijkt nog eens rond. Voortdurend die glimlach op zijn gezicht, tevreden en verwonderd. Terug geweest is hij hier niet meer, in al die jaren. En dat terwijl hij hier vaak voorbij rijdt als hij zijn kinderen naar school brengt in Dendermonde. De voorkant van zijn ouderlijk huis ligt aan de drukke steenweg die zijn woonplaats Lebbeke en Dendermonde met elkaar verbindt. Precies daar tussen, in Sint-Gillis-bij-Dendermonde groeide De Vlieger op. In zijn gang naar dit pleintje had hij erop gewezen: waar de gevel nu blauw kleurt, prijkte destijds 'Kleding De Vlieger' op de gevel. Hij toont zijn telefoon. 'Een vriend was de kelder van zijn oma aan het leegmaken en kwam dit tegen.' Op zijn scherm is een wit plastic zakje zichtbaar met een lichtblauwe opdruk van een antieke spiegel. 'Kleding De Vlieger', staat erin geschreven. 'Speciaalzaak in grote maten', vult De Vlieger aan alsof hij een reclamespot inspreekt. In die winkel groeide Geert op, als middelste tussen de oudste, Dirk, en de jongste, Jan. 'We kwamen binnen via de winkel en als we iets moesten vragen, liepen we door het volk naar mijn moeder toe.' Boven de huizen torent de top van het gemeentehuis met haar traditionele bel. 'Daar ben ik eens bijna door verongelukt.' Ook toen al, veertig jaar geleden, was de Sint-Gillislaan een drukke weg. 'Onze ouders konden mijn twee broers en mij niet ophalen van school. Mijn vader werkte in brouwerij Wieze in Aalst, mijn moeder was in de kledingzaak bezig. Zij zei: 'Stap de school buiten, de steenweg af en blijf aan de overkant van de straat.' Daar wachtten we. Soms wel een paar minuten, we mochten niet alleen oversteken. Als onze moeder vanuit de winkel naar de overkant keek en zag: de jongens staan er, dan kwam ze naar buiten en liet ze ons over.' En toen ging op een onverwacht moment de sirene af. 'Er was ergens brand. Ik schrok zó hard dat ik de steenweg op rende.' Piepende banden gilden door de straat. 'Een auto kwam net op tijd tot stilstand, voor mijn neus. Een jaar of vijf, zes was ik, ontsnapt aan de dood.' De Vlieger noemt zijn opvoeding 'vrij': 'Wij gingen om tien uur de deur uit en we waren om zes uur terug binnen. Wij mochten heel veel. Maar mijn ouders wisten ook dat wij niet ergens in een café zaten of de boel verziekten.' Als hij zichzelf in die tijd zou moeten omschrijven, komt er één woord op. 'Bedeesd', zegt hij. 'Wij waren doorsnee. Mijn broers en ik wisten wat er op school moest gebeuren. Hoe we ons dienden te gedragen. We zijn christelijk opgevoed. Wij wisten het verschil tussen goed en slecht. Dus als onze ouders ons nodig hadden, liepen ze naar achteren of namen ze de auto om naar het voetbalveld te rijden.' Voetbal, voetbal. Altijd maar dat spelletje. Hele dagen. Zijn ouders hadden er niets mee en dachten: laten we de jongens eens inschrijven voor de jeugdbeweging. 'De scouts. Pakje gekocht en noem maar op. We waren er drie keer naartoe geweest. 'En was het leuk?', vroegen mijn ouders. 'Het was één keer leuk. Toen we gevoetbald hebben.' Dag vier diende zich aan. We zaten stilletjes binnen te spelen. 'We hoeven toch niet naar de jeugdbeweging, hè? We zijn toch hier braaf aan het spelen?'' Hij lacht. Met keepen begon De Vlieger omdat die plek in het doel hem aantrok vanaf het begin. 'Maar ik mocht eerst niet, hè!' Bij zijn club speelde hij rechtsbuiten. 'Maar na anderhalf jaar dacht ik: ik wil in die goal staan.' De trainer was onverbiddelijk. Hij zag bij De Vlieger kwaliteiten als flankspeler; een ander moest in de goal. 'Ik dacht: néén, ik wil écht in die goal staan.' Het daaropvolgende jaar was de trainer weg, De Vlieger ging over naar een nieuw elftal en een andere trainer. 'Op de eerste training ging hij iedereen af met de vraag op welke positie hij speelde. 'Geert?' 'Keeper!' Ik dacht: ik doe gewoon alsof. Deze kans ga ik echt niet laten schieten.' Wat hem zo aantrok op die positie, is iets wat hij later ook in zijn leven belangrijk bleek te vinden ( zie kader). 'Ik vind voetbal een fantastisch leuk spelletje omdat we het samen doen. Maar ik heb graag iets voor mijzelf. Een eigen verantwoordelijkheid.' Hij strekt zijn armen in de breedte uit en kijkt om zich heen, de fictieve ruimte voor het doel lijkt voor zijn ogen te verschijnen. 'Ik wist: we doen het samen, maar dit gebied is van mij. Mijn domein. Mijn verantwoordelijkheid. Ook in de jeugd krijg je te maken met winnen en verliezen. Door jouw schuld. Of dankzij jou. Als keeper merk je dan al snel de nadelen. Je wordt nogal eens te kakken gezet. Maar ik deed dat zo graag. Ik dacht: ik zal er dan wel voor zorgen dat het goed gaat.' En dat ging het. Op een dag stond de plaatselijke voetbalclub voor de deur. 'Geert staat in de belangstelling van Beveren, Lokeren en Eendracht Aalst, wat denken jullie?' Zijn ouders keken de man vragend aan. 'Wat moeten we denken dan?, dachten mijn ouders', zegt De Vlieger met een lach. 'Waarom moet hij naar Beveren gaan voetballen? Dat doet hij hier toch bij zijn vrienden?' Hij ging toch naar Beveren. 'Mijn ouders en ik hebben daar echt onze weg in moeten vinden. Nietsvermoedend en onwetend.' Er was één absolute voorwaarde. Na een jaar zou er een evaluatie volgen. Als de schoolresultaten zouden lijden onder zijn overstap, was het gedaan. Dan zou De Vlieger teruggaan naar Sint-Gillis. 'School was heilig voor mijn ouders. Daar was echt geen bemiddeling mogelijk.' Zo begon zijn carrière. 'Ik kwam bij Beveren aan en dacht: ik ga hier lekker keepen. Maar dan staat er nóg een keeper in de goal. Hoezo? Ze hadden mij toch gehaald? 'We hebben er nog een aangetrokken', hoor je dan. 'De beste zal gaan spelen.' O... Dan komt dat eerste besef dat dit anders zal zijn dan ik gewend was. Bij Sint-Gillis stond ik gewoon in het doel. Klaar. Nu moest ik zorgen dat ik mijn plek in die ploeg zou opeisen. 'Mijn doorzettingsvermogen is gekomen, dat bedeesde is eruit gegaan, ik leerde voor mezelf op te komen en mijn eigen zaakjes te regelen. Ik maakte een plan. Zelf. School, huiswerk, trainen, wedstrijd. Dat moest strak geregeld worden, want ik wist wat de gevolgen waren. Ik durf nu te stellen dat ik dankzij die periode karakter heb gekweekt.' Zijn schoolresultaten werden beter. Met achttien jaar haalde hij zijn diploma van de middelbare school. Zijn ouders waren tevreden en er begon een trots te groeien. 'Ik speelde in eerste klasse. Je bent jong, krijgt erkenning, voor iedereen ben je goed. 'Dat is die zoon van de klerenwinkel, hè?', hoorde je dan in het dorp. Mijn ouders waren daar geweldig fier op. Op ons alle drie evenveel. Alleen: op mijn traject werden ze steeds aangesproken. Over mijn broer zal niemand zeggen: 'Goh, wat doet hij het toch goed bij de bank, hè.' Maar er werd wél gezegd: 'Ik heb Geert gisteren zien spelen. Hij was weer goed, hè!'' De bekendheid groeide, zeker toen zijn carrière hem leidde naar Anderlecht, Willem II en Manchester City om later bij Zulte Waregem en Club Brugge terug te keren in België. De eigen verantwoordelijkheid die hem naar de plek onder de lat had geleid, vond hij in de clubsfeer ook terug in Engeland. 'Bij de andere clubs werd voor jou bepaald wat je moest doen. Om halfnegen op de club, om negen uur in de gym, om halfelf op het veld. Ik kwam toe in Manchester en daar was de boodschap: om halfelf trainen we. Als je om vijf voor halfelf toekwam, je spullen aantrok en op het veld stond, was het goed. Maar om negen uur zat minstens drie vierde van de jongens in de gym. Daar heerst de cultuur: je zorgt voor jezelf en je komt er, of we nemen een ander.' Het keurslijf van een voetbalagenda heeft hij 22 jaar gedragen. De Vlieger genoot van zijn carrière, maar was evengoed blij dat het op zijn veertigste gedaan was. Een aanlokkelijk aanbod van Anderlecht om keeperstrainer te worden, sloeg hij af. 'Vanmorgen heb ik de oudste naar school gevoerd. En echt... Daar geníet ik van. Nog altijd. Van die stoeme dingen, kleinigheden, die voor een ander normaal zijn, die kan ik nu doen. De kinderen wegvoeren naar school, onderweg even stoppen, een krantje halen en thuis op mijn gemak een koffietje drinken en de krant lezen. Dan vraag je je weleens af: wat heb je nodig om gelukkig te zijn? Een krantje en een kop koffie.' Hij is even stil. 'Je moet het maar eens uitleggen aan mensen die niks met voetbal hebben - en ik vind dat zelf ook heel eng als daar over nadenk...', klinkt het mijmerend. 'Dat je zoveel jaar bezig bent geweest met hoe je het best een bal vasthoudt.' Hij houdt zijn vingers gespreid, alsof ze een bal vast hebben. 'Pas op: dit is essentieel is voor ons hè. Hoe die duimen en vingers staan en je je armen moet houden. Maar daar ben ik zóveel jaren mee bezig geweest. Als je dat aan iemand uitlegt, die niets van voetbal kent, denkt die ook: wat voor een halve gek ben jij!' Ook op de langere termijn zou het trainerschap niets voor hem zijn. 'Als ik ex-collega's nu bezig zie als coach, denk ik: dat moet ik gewoon niet doen. Yves Vanderhaeghe, Gert Verheyen, Glen De Boeck: zij gooien zich volledig. Als keeper kon ik dat. Die vonk en overgave voel ik niet voor het trainerschap.' Hij wijst nog eens op de reden dat hij keeper werd: 'Die eigen verantwoordelijkheid. Als ik het goed doe, dan is het goed. Is het slecht, dan steek ik mijn hand op. Ik kan me in het leven niet verstoppen. Dat gaat niet. Daarom ga ik nu ook zo graag fietsen. Als je niet goed fietst, ga je eraf. Ik heb in mijn carrière bij trainers gezien hoe afhankelijk ze werden. Van de ploeg, karakters, supporters, het bestuur. Ik kan niet leven met die afhankelijkheid.' Nu is hij analist en beoordeelt hij spelers en teams. Zoals hij zelf ooit beoordeeld werd. 'Ik zeg soms dingen waarvan ik denk: als je dat over jezelf hoort...' Hij trekt met zijn mond. 'Dat is niet leuk. Ik wéét dat het niet leuk is. Maar nu weet ik ook hoe het bedoeld wordt. En ik besef dat ik kritiek als speler altijd anders heb geïnterpreteerd. Als ik een artikel las en ik wist: ik heb geen goede wedstrijd gespeeld, dan hoopte ik dat er niet in stond: 'Geert De Vlieger heeft een blunder gemaakt' of 'Geert De Vlieger miskeek zich'. Dan begon het, hè. Wie leest dit allemaal?' Hij lacht. 'Maar God, ja... Het wás een blunder, hé. Het wás een slechte wedstrijd. Als ik nu eens kritisch ben, weet ik hoe hard het kan overkomen en hoe anders het is bedoeld. Ik blijf in mijn analyses correct, ga geen zaken uitbuiten. Dat wordt op prijs gesteld, merk ik.' Ook over zijn eigen optreden zijn er meningen. 'Je moet eens zien wat ik op Twitter voor verwensingen naar mijn hoofd krijg. Dat sommige mensen zeggen: 'Wat zeggen die nu allemaal over jou!' Maar wat interesseert mij dat? Het grappigste vind ik die anonieme accounts. Ik zie en voel gewoon wie daarachter zit. Wat voor een figuur. Een beetje zielig. Dus wat gaan we ons daar dan druk in maken?' Ook na al die jaren blijft hij daarmee een publiek figuur. 'Als ik dat niet leuk zou vinden, moet ik echt iets anders gaan doen. Je kunt er een beetje kapsones van krijgen, zeggen ze in Nederland. Streken... Maar als je zelf normaal doet en niet een restaurant binnenkomt in een wit kostuum om pas nadat je de hele zaak bent doorgelopen aan tafel te gaan zitten, dan valt het in België reuze mee met de aanspraak. En die streken zie ik bij mezelf nu toch niet meer komen, haha... Bovendien: de gasten met wie ik nu fiets, zijn de gasten met wie ik vroeger voetbalde. Hier, bij de club. Als je na een tijd raar begint te doen, zeggen die ook: 'Doe je even normaal?' Het helpt om altijd bij hen terug te keren.' Want, weet De Vlieger, in een voetbalcarrière verandert er veel en snel. 'Soms weet je even niet meer wat je overkomt. Ik snap dat sommige gasten daarvan in de war kunnen geraken. Dan is het geweldig fijn om met de mannen van vroeger een pint te gaan drinken. Dat je om je heen kijkt, een keer knikt en weet: dit is nog altijd hetzelfde. Dit ken ik. Dit is vertrouwd.'