In de zomer van 2011 belandde hij in Brugge, Lior Refaelov. Nog wat schuchter in de omgang; zijn Engels was niet zo goed. Zijn maatje van het eerste uur werd Víctor Vázquez. Een Spanjaard, wiens Engels op dat moment al even primitief was. Heel snel vonden ze mekaar. Twee zuiderlingen, twee technisch sterke jongens, die allebei een knuffel nodig hadden en veel vertrouwen om te kunnen presteren in het killere noorden.
...

In de zomer van 2011 belandde hij in Brugge, Lior Refaelov. Nog wat schuchter in de omgang; zijn Engels was niet zo goed. Zijn maatje van het eerste uur werd Víctor Vázquez. Een Spanjaard, wiens Engels op dat moment al even primitief was. Heel snel vonden ze mekaar. Twee zuiderlingen, twee technisch sterke jongens, die allebei een knuffel nodig hadden en veel vertrouwen om te kunnen presteren in het killere noorden. Daar waar de waarden van het zuiden en Barcelona, het spelen op balbezit waarin zij hun technische vermogen konden etaleren, moest worden gekoppeld aan fysieke arbeid; een domein waarin ze beiden nog veel progressie moesten boeken. Dat het tussen hen klikte mag blijken uit hun statistieken ( zie tabel). Volgens die statistieken is de Spanjaard, na Maxime Lestienne, de speler met wie het samenspel in Brugge het meest rendeerde.De resultaten waren in die dagen nog wisselvallig. De ene (Refaelov) voetbalde aanvankelijk vooral vanaf de flank, vaak op links, de andere werd uitgespeeld als spelmaker. Allebei begiftigd met een gave traptechniek die op spelhervattingen een troef was. De assistent-trainer van Christoph Daum, Rudi Verkempinck, wilde in die dagen de spelers na training nog wel eens prikkelen om vrije trappen om te zetten. Op tien vrije trappen zette Refaelov er vier om. Uitstekende cijfers, want Verkempinck deed dat bij andere clubs ook, en alleen Branko Karacic, de Kroaat van Cercle, deed toen beter. Maar fysiek was er dus werk aan. Refaelov was laat naar Europa gekomen, op zijn 24e om precies te zijn, omdat hij eerst met Maccabi Haifa absoluut nog kampioen wilde worden. Zodoende stond hij nog niet zo stevig in de duels als vandaag. Dat merkten achtereenvolgens Daum, onder wie hij sterk presteerde, Juan Carlos Garrido, met wie het minder klikte, en Michel Preud'homme. In een steeds van sportief gelaat wisselend Club, met weinig stabiliteit en elk jaar een andere coach, was Lior Refaelov een al even wisselvallig figuur die zelden de negentig minuten vol maakte. Zijn gemiddelde speelminuten per wedstrijd bewijzen dat: 72 minuten in zijn eerste seizoen, 66 in het tweede, 61 in het derde. Hij was ook lang niet alle wedstrijden inzetbaar: 32 in zijn eerste jaar, 28 in het tweede, 33 in het derde. Ook zat hij geregeld op de bank: vijf invalbeurten in het eerste seizoen, zes in het tweede, zeven in het derde. Lior Refaelov kreeg zo al vrij snel het etiket opgeplakt: groot(s) in de kleinere wedstrijden, maar wat onzichtbaar in de duels met de topploegen. Maar hij was ook een zekerheid op het scorebord: 6 goals en 5 assists in het eerste jaar, 10/5 in het tweede, 4/8 in het derde, 10/10 in het vierde. Een en ander leverde hem lof op, want naast een scorende aanvaller en een zonnetje in de kleedkamer - je moet al echt straf uit de hoek komen, wil je met Refaelov ruzie maken - was hij ook een innemende persoonlijkheid met een hoog EQ en IQ. Eentje met wie je ook over de andere dingen des levens kunt praten; over religie, geweld, het Midden-Oosten, de schoonheid der materialen in het leven. Het enige minpuntje misschien: de individuele erkenning in een referendum als dat van de Gouden Schoen bleef uit ( zie kader). Oorzaak: allicht die wisselvalligheid, en een fysieke constitutie waardoor hij goeie prestaties nooit over een langere periode kon doortrekken. Zijn collega-voetballers schatten hem opvallend veel hoger in. In hun referendum van Profvoetballer van het Jaar werd hij in 2015 tweede achter zijn maatje Vázquez, in 2016 overkwam hem hetzelfde achter Sofiane Hanni. Het verschil bedroeg toen slechts 21 stemmen.Het verdwijnen van Vázquez, de doorbraak van Hans Vanaken en José Izquierdo, de komst van Ruud Vormer en daarbovenop wat blessures: Refaelov verdween in het tweede deel van zijn carrière in Brugge wat naar het achterplan. Het Europese boerenjaar (kwartfinale) en de bekerwinst, waarin hij in blessuretijd een hoogtepunt beleefde met een prachtige goal, luidde tegelijk ook wat het einde in: het lichaam bleek overbelast. Toen vervolgens met Ivan Leko een coach kwam die anders dacht en meer lopen zonder bal verwachtte van zijn aanvallers, liep het verhaal ten einde. De slimme Refaelov vond minder en minder de weg naar het veld en naar doel. Het Venetië van het Noorden werd een kil oord, waar zijn zoontje niet eens meer naar de wedstrijd kwam kijken. Het deed hem te veel pijn papa op de bank te zien. In de zomer van 2018 verhuisde hij naar Antwerp, een logische bestemming als investeerder in diamanten, vriend van velen in de stad en echtgenoot van een juwelenontwerpster. Als voetballer minder, want zou hij passen bij het krachtvoetbal van László Bölöni, ook niet direct de meest warme coach? Geen mens die het kon bevroeden, vandaar ook de overstap op uitleenbasis. Wat kreeg Antwerp? Een slimme voetballer, die nog steeds wat schouderklopjes nodig had, maar nog veel honger toonde en meeging in de evolutie van het spel. Iets wat Leko óók verwachtte: meer lopen in de ruimtes zonder bal. Ruimtes die hij als geen ander wist te bespelen. Zijn voordeel was naast zijn ervaring dat hij zichzelf al eens kon wegcijferen in dienst van het geheel. Maar ook: zelfkennis. Hij paste zijn leefgewoonten aan, ging wat vroeger naar bed, doseerde de trainingen. 'Plots' zagen we nog een andere kant van de sierlijke voetballer: de werker. Niet alleen omdat de trainer het eiste, ook omdat zijn ploeg het nodig had. Speelde Club voornamelijk op de helft van de tegenstander, met veel balbezit, dan groeide Antwerp nog in die richting. Het hébben van de bal vond Bölöni niet zo belangrijk, de snelle omschakeling wél. En dan moet je wel meer lopen dan wat je gewend bent. Refaelov ontdekte op de Bosuil ook twee nieuwe maatjes: Dieumerci Mbokani, maar ook Simen Juklerød. Antwerp speelde hem occasioneel nog wel eens uit op de (rechter)flank, maar toch vooral in het centrum. En daar klikte het, met God, maar ook met de linkerflankspeler die graag diep ging en in hem een aflossingspunt vond. Opmerkelijk: waren bij Club Brugge de cijfers nog min of meer in evenwicht (40 goals en 38 assists in de competitie), dan helden die op de Bosuil over naar de kant van goals: tien in zijn eerste seizoen, elf in het tweede en dit seizoen alweer zes. Assists: drie in het eerste jaar, drie in het tweede en dit seizoen ook al drie. Met andere woorden: op Antwerp is Refaelov belangrijker (geworden) als afwerker dan als aangever. Dat hij er - anders dan in Brugge - meer strafschoppen mag nemen, speelt mee, maar is niet de enige verklaring. Een andere is ongetwijfeld dat hij ook profiteert van de aandacht die verdedigers voor Mbokani hebben. Slim als hij is, kiest Refaelov steeds goed positie, klaar voor een afgelegde bal ( zie kader). De goal tegen Tottenham - heerlijk qua beheersing, technisch (onderbelichte) perfectie - is een subliem voorbeeld. Wat ook helpt: meer speelminuten. Na dat goeie jaar in Brugge (2014/15) ging het qua speeltijd daar alleen maar achteruit. Dit seizoen bij Antwerp, bijvoorbeeld, spaarde Leko hem amper. Die ene keer dat hij toch op de bank moest starten, bij Kortrijk, was het spel zo slecht, dat hij bij de rust werd ingebracht. Refaelov deed meteen de match kantelen. Meer fysieke stabiliteit, het is ongetwijfeld een pluspunt. Net als het lopen zonder bal; de kopbalgoal dit najaar als bewijs, op zijn Gerkens was dat. En zo zie je dat je, zelfs op je 34e en in de nadagen van je carrière, nog vooruitgang kunt boeken. Zelfs een spits, voor wie explosiviteit belangrijk is, die nu eenmaal afneemt gedurende de jaren. Kortom: slimmer zijn op training, doseren en op de goeie momenten voluit gaan. Een en ander maakte dat ook zijn stem in de kleedkamer duidelijker werd gehoord. Bij Brugge zakte die geleidelijk weg de laatste jaren; die van Timmy Simons, Vanaken en Vormer klonken luider. Wie minder speelt, kan minder claimen, ook al was hij nooit de man die hard op tafel bonkte. Dat Leko Vormer boven hem verkoos tot aanvoerder toen Simons ermee stopte, was veelbetekenend. Anders is dat bij Antwerp. Aanvoerder is hij er niet, Faris Haroun blijft de brug tussen aanval en verdediging, maar ook tussen iedereen in de kleedkamer. Ritchie De Laet is, als vicekapitein, het Antwerp(s) boegbeeld bij uitstek, maar samen met die twee heeft Refaelov een stem. Eentje die, dankzij de prestaties, steeds duidelijker klinkt. De vierde ervaren man, Dieumerci Mbokani, staat daar wat buiten; hij doet zijn ding, goals maken, maar trekt zich van de rest wat minder aan. Refaelov is een van de drie leiders die de boel samenhouden. Ivan Leko was aangenaam verrast toen hij hem opnieuw onder zijn hoede kreeg: fysiek rijper en op mentaal vlak had hij een switch gemaakt. Tachtig procent van de (nationale) speelminuten van Antwerp stond Refaelov dit seizoen op het veld, dat zijn cijfers die hij nog nooit haalde. Frank Vercauteren kan er alleen wel bij varen.