Een taskforce onder leiding van Chris Van Puyvelde, technisch directeur van de KBVB en sportief adviseur van de Pro League, is aan het uitzoeken hoe het probleem van het effect van de geboortemaand en van laatrijpe spelers in het jeugdvoetbal structureel aangepakt kan worden. Thomas Caers, ex-profvoetballer en technisch directeur van de Essevee Soccer School, stelt twee oplossingen voor.
...

Een taskforce onder leiding van Chris Van Puyvelde, technisch directeur van de KBVB en sportief adviseur van de Pro League, is aan het uitzoeken hoe het probleem van het effect van de geboortemaand en van laatrijpe spelers in het jeugdvoetbal structureel aangepakt kan worden. Thomas Caers, ex-profvoetballer en technisch directeur van de Essevee Soccer School, stelt twee oplossingen voor."Mochten we de jeugd langer op kleinere velden laten voetballen, minder snel naar 8 tegen 8 en 11 tegen 11 overschakelen, dan zou het probleem van maturiteit zich veel minder stellen", zegt hij. "Dat testte ik al eens uit in een clinic voor coaches. Ik liet toen 22 spelers van de U13 en de U14, dus jongens die in België al met 11 tegen 11 op een groot veld voetballen, onderlinge partijtjes van een kwartier spelen op een speelveld dat ik na elk partijtje verkleinde. Coaches langs de lijn volgden in al die partijtjes elk één speler, telkens dezelfde, en turfden zijn aantal balcontacten en geslaagde acties. Wat bleek? Naarmate je het veld kleiner maakt, valt het effect van het verschil in kracht en gestalte grotendeels weg. Kleinere en lichtere spelers kwamen veel meer aan de bal in 5 tegen 5 en 6 tegen 6 en uit interviews achteraf bleek ook dat hun succesbeleving veel groter was dan in 11 tegen 11. Een kleinere ruimte vraagt meer handelingssnelheid en minder loopvermogen en kracht."Een kleiner veld is ook voor vroegrijpe jeugdspelers beter, aldus Thomas Caers."Want kleinere ruimtes nodigen hen uit om snel te denken en snel te handelen. Dat bevordert de ontwikkeling van spelintelligentie, technische verfijning en creativiteit. Kinderen van 12 jaar op een veld voor volwassenen zetten, van 65 meter breed en 105 meter lang, is allesbehalve logisch, want ze beschikken nog niet over dezelfde fysieke capaciteiten als volwassenen."Je moet, benadrukt hij, jeugdspelers plaatsen in een context waar ze hun mogelijkheden optimaal kunnen gebruiken en ontwikkelen. "In jeugdopleiding hoor je te vertrekken van een kind met een bal om dan stapsgewijs en kindgericht op te bouwen. Maar ik stel vast dat het vaak andersom wordt gedaan: dat er gedacht wordt vanuit 11 tegen 11 en dat wat het kind aangereikt wordt daaraan wordt aangepast. De lange bal introduceer ik bijvoorbeeld maar wanneer het kind er fysiek klaar voor is, wanneer het er de kracht voor bezit, wanneer de adductoren sterk genoeg zijn et cetera. Dieptezicht, noodzakelijk om een goeie lange bal te kunnen trappen, kan maar ontwikkeld worden door overzicht. En overzicht kun je maar ontwikkelen als je techniek en je balgevoel je toelaten om je ogen van de bal te houden. Overigens zitten ook in 5 tegen 5 alle tactische principes van het voetbal. Ook in een positiespel van 4 tegen 2 op een ruimte van 12 bij 12 meter zit dieptezicht. Stap voor stap probeer ik dieptezicht uit te diepen. Sla je in de opleiding stappen over, dan krijg je spelers die in het kluwen van 11 tegen 11 minder snel de oplossingen zien. Sommigen zijn klaar op 15 jaar om op een groot veld te spelen, anderen pas op 18. Theo Bongonda was 17 toen hij voor het eerst 11 tegen 11 speelde. Anderhalf jaar later tekende hij voor Celta de Vigo."Een andere mogelijke oplossing die Thomas Caers aandraagt om het probleem van het effect van de geboortemaand en van laatrijpe spelers in het jeugdvoetbal structureel aan te pakken, is: gewichtsklassen introduceren. "Als ik spelers van elders selecteer om bij ons eens te komen meetrainen, bijvoorbeeld een vijftigtal, dan laat ik ze wedstrijdjes van een kwartier spelen in verschillende homogene groepen", zegt hij. "Eerst deel ik ze in volgens leeftijd, dan volgens gewicht en ten slotte ook volgens lengte. Geef je dan elke speler op basis van hun prestatie telkens een appreciatiescore van 1 tot 5, na elk wedstrijdje in een andere homogene groep, dan valt het enorm op hoe die scores van dezelfde spelers verschillen afhankelijk van de indeling. Ik bedoel: bijvoorbeeld een spelertje dat 2,5 kreeg in zijn leeftijdsgroep krijgt 4 in zijn gewichtsgroep. Dan kun je vaststellen dat in het maturiteitsprobleem de factor gewicht het meest doorweegt. Kleine, wendbare spelertjes, met een laag zwaartepunt, puren soms hun talent uit een heel korte versnelling."Tot slot betreurt Thomas Caers dat er sinds vorige zomer ook in het jeugdvoetbal play-offs zijn ingevoerd."Dat is een heel vreemde beslissing," zegt hij, "want het is een rem op het oplossen van het maturiteitsprobleem. Het versterkt de competitiviteit onder de clubs en dat bevordert de selectie van mature spelers om zoveel mogelijk punten te behalen. Het is ten nadele van de kleine en fijne talenten, van de laat op het jaar geboren en/of laatrijpe spelers. Net dat wat ze willen vermijden. Volgens mij is die structuur daarom een beetje weg van de realiteit en zeker van het talent."