Tegen tweeën vulde de Luikse spelerstunnel zich met het keurkorps van Besnik Hasi. Vooraan loerde Steven Defour vanuit de catacomben al eens naar het veld waarop hij vier seizoenen lang kapitein was. Zin om te voetballen borrelde op bij de middenvelder, getuige de lichte stretchoefeningen en opwarmende sprongetjes waar hij nog in de tunnel enthousiast aan begon. Diezelfde zin om te spelen lag in augustus ook aan de basis van zijn keuze voor paars-wit. Hij stond op exact dezelfde plaats waar hij zeven jaar geleden, met Olivier Deschacht als opponent naast zich en de uit het voetbal weggedeemsterde rouches Andrés Espinoza en Marcos Camozzato in zijn zog, de begeesterende woorden 'Allez les gars, c'est pour nous!' krijste.

Met een onaantastbaar eergevoel sprintte hij gistermiddag bij de opwarming de Luikse akker op. Moederziel alleen, nadat Deschacht zijn medemaats zichtbaar aanmaande om Defour die eerste seconden in z'n eentje te ervaren. 'Laat hem maar even gaan', viel in diens gedachten te lezen. Zijn loopje stokte aan de middencirkel, waar hij opnieuw enkele keren ter opwarming in de lucht sprong. De solitaire aanwezigheid van de man die jarenlang op Luikse arbeidershanden werd gedragen was een eerste, in vergelijking met wat komen zou weliswaar lichte, provocatie. In die eenzame seconden vormde Sclessin zich om tot een immens fluitende volière, waar elke luttele vorm van provocatie de rode haatvulkaan zou doen uitbarsten.

Hoe Steven Defour al op zijn 26e een ware cultvoetballer werd

Defour gold vijf jaar geleden als de vleesgeworden personificatie van het gehele Luikse volk, die met hard werken, bezieling en pit trots en titels naar de Vurige Stede deed terugkeren. Hij talmde nauwelijks om zijn antipathie jegens het rijke en in zijn ogen arrogante Anderlecht te verkondigen. De strijd tussen arm en rijk is net datgene wat hij met zijn zomerse overstap naar de vermogende aartsrivaal heeft aangewakkerd. De gewone fan in de Luikse straat voelt zich bedonderd. Supportersharten zullen voorgoed gebroken blijven en daar is enigszins begrip voor op te brengen.

Stel je voor dat Jan Vertonghen binnen enkele jaren, door een chronisch gebrek aan speelminuten in Engeland, terugkeert naar de Eredivisie en een contract tekent bij Feyenoord. De club waarover hij voor duizenden Ajacieden riep: 'Het zijn maar kutkakkerlakken.' Ondenkbaar. Het spreekwoord 'Geen woorden maar daden' wordt in die gevallen des te sneller ontkracht. De titels die Defour Standard schonk zijn in collectieve supportersgeheugens van dezelfde club verdrongen door de woorden die hij in zijn periode als rouche over Anderlecht uitsprak.

Dat de haat tegenover de Rode Duivel zo diep zat, had niet met deze agressieve tifo gemaakt te hoeven worden. Vanaf de tribune waar hij enkele jaren geleden zelf Standardgezangen inleidde, werd zijn hoofd op middeleeuwse en barbaarse wijze op een doek naar beneden gekieperd. Als huidige kapitein en daarmee Defours opvolger keek Jelle Van Damme de reusachtige kleurenvod hoofdschuddend aan, wetende dat het spel, de doelpunten en zelfs het afscheid van trouwe luitenant Laurent Ciman hieraan ondergeschikt zou zijn.

En zo geschiedde: binnen- en buitenlandse media sprongen op het verwerpelijke voorval. Als hongerige dobbermannen op de arm van een postbode, zich vastbijtend in afwezigheid van ethiek en peinzend over de grens van het toelaatbare. Her en der werden spijtige parallellen met Charlie Hebdo getrokken, want waar de dubieuze afbeeldingen van de Parijse krantenredactie nog vanuit humor vertrekken, lag natuurlijke haat aan de basis van het horrordoek. Welke broodnodige straffen er ook zullen volgen voor de club en haar meedogenloze aanhang, het eenvoudige geswitch tussen Belgische topclubs en de daarbij aansluitende controverse, maakt van de Defour op zijn 26e al een ware cultvoetballer.

Tegen tweeën vulde de Luikse spelerstunnel zich met het keurkorps van Besnik Hasi. Vooraan loerde Steven Defour vanuit de catacomben al eens naar het veld waarop hij vier seizoenen lang kapitein was. Zin om te voetballen borrelde op bij de middenvelder, getuige de lichte stretchoefeningen en opwarmende sprongetjes waar hij nog in de tunnel enthousiast aan begon. Diezelfde zin om te spelen lag in augustus ook aan de basis van zijn keuze voor paars-wit. Hij stond op exact dezelfde plaats waar hij zeven jaar geleden, met Olivier Deschacht als opponent naast zich en de uit het voetbal weggedeemsterde rouches Andrés Espinoza en Marcos Camozzato in zijn zog, de begeesterende woorden 'Allez les gars, c'est pour nous!' krijste. Met een onaantastbaar eergevoel sprintte hij gistermiddag bij de opwarming de Luikse akker op. Moederziel alleen, nadat Deschacht zijn medemaats zichtbaar aanmaande om Defour die eerste seconden in z'n eentje te ervaren. 'Laat hem maar even gaan', viel in diens gedachten te lezen. Zijn loopje stokte aan de middencirkel, waar hij opnieuw enkele keren ter opwarming in de lucht sprong. De solitaire aanwezigheid van de man die jarenlang op Luikse arbeidershanden werd gedragen was een eerste, in vergelijking met wat komen zou weliswaar lichte, provocatie. In die eenzame seconden vormde Sclessin zich om tot een immens fluitende volière, waar elke luttele vorm van provocatie de rode haatvulkaan zou doen uitbarsten. Defour gold vijf jaar geleden als de vleesgeworden personificatie van het gehele Luikse volk, die met hard werken, bezieling en pit trots en titels naar de Vurige Stede deed terugkeren. Hij talmde nauwelijks om zijn antipathie jegens het rijke en in zijn ogen arrogante Anderlecht te verkondigen. De strijd tussen arm en rijk is net datgene wat hij met zijn zomerse overstap naar de vermogende aartsrivaal heeft aangewakkerd. De gewone fan in de Luikse straat voelt zich bedonderd. Supportersharten zullen voorgoed gebroken blijven en daar is enigszins begrip voor op te brengen. Stel je voor dat Jan Vertonghen binnen enkele jaren, door een chronisch gebrek aan speelminuten in Engeland, terugkeert naar de Eredivisie en een contract tekent bij Feyenoord. De club waarover hij voor duizenden Ajacieden riep: 'Het zijn maar kutkakkerlakken.' Ondenkbaar. Het spreekwoord 'Geen woorden maar daden' wordt in die gevallen des te sneller ontkracht. De titels die Defour Standard schonk zijn in collectieve supportersgeheugens van dezelfde club verdrongen door de woorden die hij in zijn periode als rouche over Anderlecht uitsprak. Dat de haat tegenover de Rode Duivel zo diep zat, had niet met deze agressieve tifo gemaakt te hoeven worden. Vanaf de tribune waar hij enkele jaren geleden zelf Standardgezangen inleidde, werd zijn hoofd op middeleeuwse en barbaarse wijze op een doek naar beneden gekieperd. Als huidige kapitein en daarmee Defours opvolger keek Jelle Van Damme de reusachtige kleurenvod hoofdschuddend aan, wetende dat het spel, de doelpunten en zelfs het afscheid van trouwe luitenant Laurent Ciman hieraan ondergeschikt zou zijn. En zo geschiedde: binnen- en buitenlandse media sprongen op het verwerpelijke voorval. Als hongerige dobbermannen op de arm van een postbode, zich vastbijtend in afwezigheid van ethiek en peinzend over de grens van het toelaatbare. Her en der werden spijtige parallellen met Charlie Hebdo getrokken, want waar de dubieuze afbeeldingen van de Parijse krantenredactie nog vanuit humor vertrekken, lag natuurlijke haat aan de basis van het horrordoek. Welke broodnodige straffen er ook zullen volgen voor de club en haar meedogenloze aanhang, het eenvoudige geswitch tussen Belgische topclubs en de daarbij aansluitende controverse, maakt van de Defour op zijn 26e al een ware cultvoetballer.