Je hoort hem eigenlijk zelden nog. René Vandereycken liet zich vorig jaar nog wel eens overhalen om voor de krant Het Nieuwsblad zijn licht te laten schijnen over het WK, maar dat was uitzonderlijk. Sindsdien heerst er rond hem weer een beklemmende stilte. Net zoals dat ook voordien het geval was.

Vreemd eigenlijk dat een man die bij wijze spreken op drie televisieschermen naar drie matchen keek en kijkt, zich naar de buitenwereld toe zo ver van het voetbal houdt. Hoe zou Vandereycken zich bijvoorbeeld voelen als hij Jürgen Klopp bij Liverpool aan het werk ziet, een trainer die zijn eigen bezetenheid op de spelersgroep overplant? Vandereycken kent Klopp uit de periode dat hij trainer was bij Mainz 05. Klopp was als centrale verdediger het boegbeeld van de club, een monument waar je niet aan raakte. Maar Vandereycken zette hem tegen het advies van velen in gewoon uit de ploeg.

Dat eigenzinnige heeft de Limburger altijd gekenmerkt. Soms leek hij te stikken in die eigenwijsheid en joeg hij mensen tegen zich in het harnas. Maar vele spelers prezen zijn aanpak, zijn detaillistische manier van werken, het gegeven dat hij zijn groep vaak in bescherming nam. Vandereycken heette een defensieve trainer te zijn, een koele cynicus, een adept van het rauwe realisme, maar hij verdedigde zich telkens weer tegen iedere kritiek. Voetbal, vond hij, is niet uitgevonden om elkaar ruimte te geven. En georganiseerd verdedigen, poneerde hij ook, is een vorm van kunst.

René Vandereycken is nu 66 jaar. Sinds hij op 7 april 2009 als bondscoach werd ontslagen is hij niet meer aan de slag als trainer. Meer dan tien jaar al toeft hij in de luwte. Zelfs een vraag om even te praten over de impact van de periode van Ernst Happel bij Club Brugge wimpelde hij beleefd af. Alsof hij de anonimiteit koestert. Maar of dat echt zo is?

Dat het die richting zou uitgaan had je nooit verwacht toen Vandereycken in 1974 bij Club Brugge arriveerde. Hij woonde toen in bij een Brugse hospita. We herinneren ons goed het eerste interview met Vandereycken, hij keek toen met enige schroom naar de voetbalwereld, net zoals een andere Limburger die in hetzelfde huis was ondergebracht. Dat was Lei Clijsters. Die zou die schuchterheid aanvankelijk niet overwinnen. Vandereycken daarentegen liet al heel snel zijn stem horen.