Heel lang geleden, begin jaren tachtig toen Berchem Sport nog in eerste klasse speelde, en daar kampte om te overleven, bonkte trainer Rik Coppens tijdens de rust van wéér een wedstrijd die verloren zou gaan, hard op de tafel.

"Er is er hier maar één die kan voetballen!" riep hij zijn spelers toe, die allemaal deemoedig het hoofd bogen, elkeen hopend dat de trainer hem zou aanduiden. Waarop Coppens voor de spiegel ging staan en en zei: "Dat zijt gij, jongen", op zichzelf wijzend.

Het is een verhaal dat Coppens, de visboer uit de Seefhoek, typeert. Flamboyant was hij, een je m'enfoutist, zoals hij zichzelf omschreef: "Ik liep uit het gareel. Toen iedereen nog een wit hemd droeg, liep ik al met gekleurde hemden uit Italië."

Als speler was hij een draaikont, een publiekspeler. En het moest ergens om gaan. "Er moest een beetje challenge zijn. Aan een overwinning moest eer te behalen vallen, anders interesseerde het me niet."

Enfant terrible

Van 1947 tot 1960 was Coppens Beerschots enfant terrible. Hij werd er drie keer Belgisch topschutter en won in 1954 de allereerste Gouden Schoen. "Eeuwen geleden, in mijn tijd, was Beerschot de ploeg van de gentlemen, Antwerp van het plebs. Beerschot was le beau monde."

Opvallend is dat zo'n talent heel zijn actieve loopbaan één club trouw bleef, tot hij in zijn nadagen nog wat ging bijklussen bij Olympic Charleroi: "Het was Olympic of Cercle, maar bij Olympic kende ik een paar Antwerpenaren, bij Cercle niemand." Later ging hij zich nog wat in Brussel amuseren bij Crossing Molenbeek, later Crossing Schaarbeek.

"Op mijn negentiende kreeg ik een aanbieding van Inter. Ik stuurde ze naar het bestuur: nooit meer iets van gehoord. Later speelde ik in Napels met de militaire ploeg. Op het banket kwamen drie mannen op me af: of ik niet in Napels wilde blijven? In 1953 informeerde Barcelona. Na een match met de Europese selectie vroeg de trainer van AC Milan me mee naar daar. In 1955 legde wéér Inter me een blanco cheque voor. Ik mocht invullen wat ik wou verdienen. De laatste buitenlandse interesse kwam van Espanyol. Onze trainer ging naar daar en vroeg me mee. Ik was toen 26. Maar toen had ik geen goesting meer."

Met hem won Beerschot nochtans nooit een prijs: "Ik zal u zeggen waarom: één keer maakten we 88 goals, maar kregen er ook 66 tegen. Wat stelde dat voor, een titel in België in die tijd? Europees voetbal bestond nog niet. Wat telt, is geld. Ik speelde voor het geld en mijn plezier. Op een dag moest ik na een blessure wederoptreden met de invallers. De eerste ploeg ging naar Beringen, ik speelde met de invallers op het Kiel voor 10.000 man."

'Ik vreesde niemand'

Schrik had hij nooit. "Wij dachten altijd dat we de besten waren", erkende hij in een dubbelgesprek met dat andere enfant terrible van het Kiel, Juan Lozano: "En meestal was dat ook zo. Het is belangrijk een mentaal overwicht te hebben. Ik vreesde niemand."

Na zijn spelerscarrière werd hij trainer, bij het al eerder genoemde Berchem Sport, bij zijn Beerschot en bij Club Brugge. Als trainer had hij maar één probleem: "Ik kon beter sjotten dan mijn spelers."

Wereldberoemd werd hij met de nationale ploeg. Zijn eerste interland speelde hij in maart 1949, tegen Nederland. Zijn 47e en laatste interland was er ook één tegen Nederland, in oktober '79 met een score om u tegen te zeggen: 9-1 verlies voor de Rode Duivels in Rotterdam, de zogeheten Feyemoord. Coppens was Belgisch aanvoerder en stapte lachend van het veld met zijn Nederlandse vriend Faas Wilkes. Hij werd nooit meer opgeroepen.

Wat hij het liefst deed, was dribbelen. "Ik maakte wel eens een tegenstander belachelijk, maar ik heb nooit overdreven. Allez: dat denk ik toch."

Grote theoriën waren niet aan hem besteed: "Voetbal moet ge spelen en daar niet te veel over leuteren." Naast voetbal genoot hij van het leven, en van zijn geliefkoosde muziek: "Jazz, en daarbij een tripel van Westmalle, dat is het toch?"

Heel lang geleden, begin jaren tachtig toen Berchem Sport nog in eerste klasse speelde, en daar kampte om te overleven, bonkte trainer Rik Coppens tijdens de rust van wéér een wedstrijd die verloren zou gaan, hard op de tafel."Er is er hier maar één die kan voetballen!" riep hij zijn spelers toe, die allemaal deemoedig het hoofd bogen, elkeen hopend dat de trainer hem zou aanduiden. Waarop Coppens voor de spiegel ging staan en en zei: "Dat zijt gij, jongen", op zichzelf wijzend.Het is een verhaal dat Coppens, de visboer uit de Seefhoek, typeert. Flamboyant was hij, een je m'enfoutist, zoals hij zichzelf omschreef: "Ik liep uit het gareel. Toen iedereen nog een wit hemd droeg, liep ik al met gekleurde hemden uit Italië."Als speler was hij een draaikont, een publiekspeler. En het moest ergens om gaan. "Er moest een beetje challenge zijn. Aan een overwinning moest eer te behalen vallen, anders interesseerde het me niet."Van 1947 tot 1960 was Coppens Beerschots enfant terrible. Hij werd er drie keer Belgisch topschutter en won in 1954 de allereerste Gouden Schoen. "Eeuwen geleden, in mijn tijd, was Beerschot de ploeg van de gentlemen, Antwerp van het plebs. Beerschot was le beau monde."Opvallend is dat zo'n talent heel zijn actieve loopbaan één club trouw bleef, tot hij in zijn nadagen nog wat ging bijklussen bij Olympic Charleroi: "Het was Olympic of Cercle, maar bij Olympic kende ik een paar Antwerpenaren, bij Cercle niemand." Later ging hij zich nog wat in Brussel amuseren bij Crossing Molenbeek, later Crossing Schaarbeek. "Op mijn negentiende kreeg ik een aanbieding van Inter. Ik stuurde ze naar het bestuur: nooit meer iets van gehoord. Later speelde ik in Napels met de militaire ploeg. Op het banket kwamen drie mannen op me af: of ik niet in Napels wilde blijven? In 1953 informeerde Barcelona. Na een match met de Europese selectie vroeg de trainer van AC Milan me mee naar daar. In 1955 legde wéér Inter me een blanco cheque voor. Ik mocht invullen wat ik wou verdienen. De laatste buitenlandse interesse kwam van Espanyol. Onze trainer ging naar daar en vroeg me mee. Ik was toen 26. Maar toen had ik geen goesting meer."Met hem won Beerschot nochtans nooit een prijs: "Ik zal u zeggen waarom: één keer maakten we 88 goals, maar kregen er ook 66 tegen. Wat stelde dat voor, een titel in België in die tijd? Europees voetbal bestond nog niet. Wat telt, is geld. Ik speelde voor het geld en mijn plezier. Op een dag moest ik na een blessure wederoptreden met de invallers. De eerste ploeg ging naar Beringen, ik speelde met de invallers op het Kiel voor 10.000 man."Schrik had hij nooit. "Wij dachten altijd dat we de besten waren", erkende hij in een dubbelgesprek met dat andere enfant terrible van het Kiel, Juan Lozano: "En meestal was dat ook zo. Het is belangrijk een mentaal overwicht te hebben. Ik vreesde niemand."Na zijn spelerscarrière werd hij trainer, bij het al eerder genoemde Berchem Sport, bij zijn Beerschot en bij Club Brugge. Als trainer had hij maar één probleem: "Ik kon beter sjotten dan mijn spelers."Wereldberoemd werd hij met de nationale ploeg. Zijn eerste interland speelde hij in maart 1949, tegen Nederland. Zijn 47e en laatste interland was er ook één tegen Nederland, in oktober '79 met een score om u tegen te zeggen: 9-1 verlies voor de Rode Duivels in Rotterdam, de zogeheten Feyemoord. Coppens was Belgisch aanvoerder en stapte lachend van het veld met zijn Nederlandse vriend Faas Wilkes. Hij werd nooit meer opgeroepen. Wat hij het liefst deed, was dribbelen. "Ik maakte wel eens een tegenstander belachelijk, maar ik heb nooit overdreven. Allez: dat denk ik toch."Grote theoriën waren niet aan hem besteed: "Voetbal moet ge spelen en daar niet te veel over leuteren." Naast voetbal genoot hij van het leven, en van zijn geliefkoosde muziek: "Jazz, en daarbij een tripel van Westmalle, dat is het toch?"