Toen trainer John van den Brom een paar weken geleden tijdens een lang interview met dit blad op het einde aangaf dat het vat bij Genk nog lang niet leeg was, leek dat een quote die niet hoefde weerhouden te worden. Achteraf bleek dat zijn buikgevoel de Genkse trainer zelden bedriegt. Alleen leek het twee dagen voor de thuiswedstrijd tegen Club wel héél onwaarschijnlijk dat Genk zich nog écht zou mengen in de titelstrijd.
...

Toen trainer John van den Brom een paar weken geleden tijdens een lang interview met dit blad op het einde aangaf dat het vat bij Genk nog lang niet leeg was, leek dat een quote die niet hoefde weerhouden te worden. Achteraf bleek dat zijn buikgevoel de Genkse trainer zelden bedriegt. Alleen leek het twee dagen voor de thuiswedstrijd tegen Club wel héél onwaarschijnlijk dat Genk zich nog écht zou mengen in de titelstrijd. Van den Brom legde uit dat hij na de gewonnen bekerfinale de temperatuur had gemeten, toen zijn spelers zich na twee dagen feesten met suffe koppen weer het trainingsveld op sleepten. Op zo'n moment moet een trainer voelen of er nog iets in zit, dan wel of de spelers na een slopend seizoen tevreden zijn met hun prijs én de kwalificatie voor Europa. Het is iets wat ook Yves Vanderhaeghe aangaf, toen hij een interview gaf over zijn invulling van het trainersvak. 'Soms moet je als trainer gewoon eens op training kijken hoe je spelers zijn, de temperatuur meten en zien: wie heeft goesting en wie niet?' Van den Brom voelde op de eerste training na de bekerwinst meteen dat zijn spelers nog honger hadden. Dat trof. Dat gevoel had hij namelijk zelf ook. Op de vraag of Genk niet een beetje te laat in gang was geschoten om Club te bedreigen, antwoordde hij: 'Bel me over een week of drie nog maar eens.' Het is opmerkelijk hoe makkelijk KRC Genk zich de laatste weken opricht telkens het uitgeteld in de touwen lijkt te hangen. Alsof het winnen van de beker een vat toverdrank door de aderen van de spelers goot, die maar niet uitgewerkt geraakt. Heel lang ging het bij Genk met ups en downs, maar op het moment dat de prijzen uitgedeeld worden, staan ze er wél. Bijvoorbeeld in de match op Antwerp, toen de thuisploeg na rust met powerplay het initiatief weer naar zich toe haalde, maar Genk, op het moment dat het helemaal leek onder te gaan, knap reageerde en plots weer rechtop stond. Ook vorige week woensdag leek het vet van de soep, tegen een uitstekend en scherp voetballend Anderlecht, dat hoog en snel druk zette en Genk niet in zijn vertrouwde spel liet komen. In plaats van berustend de resterende wedstrijden af te werken ging Genk nog op zoek naar een antwoord op de vraag: hoe keren we dat om? Zaterdag zette het Anderlecht van bij de aftrap vast, door de paars-witte creatieve spelers meteen onder druk te zetten. De manier waarop Junya Ito even na het kwartier een Anderlechtspeler ging opjagen, hem de bal ontfutselde en zijn ploeg op weg zette naar de openingsgoal, was de perfecte illustratie van wat Van den Brom zaterdag wilde zien maar waar hij ook als trainer voor staat: te allen tijde vanuit de eigen mogelijkheden blijven voetballen. Bij balverlies moesten Ito en Théo Bongonda zaterdag niet mee terugplooien en achter hun tegenstander aanlopen, waardoor ze te vermoeid zouden zijn om zelf nog iets te ondernemen, zoals woensdag. Gewoon blijven staan, en daarmee Anderlecht aan het twijfelen brengen. Het plan werkte perfect. Het is, zegde Van den Brom ook in het interview, de eerste vraag die hij zich als aanvallend ingestelde trainer steeds stelt: hoe kan hij het beste uit die jongens voorin halen? De energie die de bezoekers nog konden opbrengen na zo'n slopend seizoen verbaasde de trainer zaterdagavond niet. 'Vermoeidheid zit meer in je hoofd dan in je lichaam.' Op de vraag of hij in een titel voor Genk geloofde, grijnsde Van den Brom meteen: 'Ik geloof altijd in de titel. Vincent, die hier naast me zit, gaat ons helpen. Dat hebben we net besproken', zei hij knipogend naar Kompany. Toen Van den Brom half november aangesteld werd als derde hoofdtrainer van het seizoen, stond KRC Genk zevende. Zijn eerste perscontact duurde langer dan een half uur. Een bevlogen pratende coach zette zijn enthousiasme over op het zaaltje. Alsof hij plots het licht aanstak en energie opwekte. Begin dit seizoen had één van zijn voorgangers, Hannes Wolf, het altijd maar over dat ene woord: energie. Spelers moesten energie aan het elftal toevoegen, en op elk moment brengen. Geen energie wegnemen. Wolf slaagde er aanvankelijk in die energie op training te brengen, maar zelden lukte dat in de matchen. Uiteindelijk gleed die energie ook weg op training en ergerde de Duitse coach zich steeds openlijker aan al wat misliep, waardoor alle vertrouwen uit de nog jonge groep verdween. Het was waar zijn opvolgers aan werkten. Jess Thorup bezorgde de spelers al een goed gevoel en bracht de structuur aan die tevoren ontbrak. Toen de groep na zijn onaangekondigd vertrek onthutst achterbleef, deed Van den Brom wat hij moest doen op zo'n moment, toen alles helemaal had kunnen ineenstorten zoals bij AA Gent gebeurd was na het vertrek van diezelfde Thorup. Van den Brom legde vervolgens een arm om de schouders van zijn spelers, ging in de kleedkamer tussen hen zitten op de bank, werd één van de jongens, gaf iedereen vertrouwen en zijn drie aanvallende spelers de nodige vrijheid. Wetende dat in het aanvallende gedeelte de sterkte ligt van Genk, dat dus de anderen achter de bal moet proberen laten aanlopen, en niet omgekeerd. Van den Brom, zeggen intimi van hem, is iemand die van niets iets maakt, en die in alle omstandigheden een aantal spelers beter maakt. Hij traint, zoals Marc Degryse het omschreef, vanuit zijn gevoel als ex-voetballer. Maar wanneer het nodig was, durfde de nieuwe trainer ook keuzes te maken. Niet altijd de makkelijkste, en vaak ook op cruciale momenten. Dat hij Paul Onuachu zijn onvoorwaardelijk vertrouwen geeft, loont wekelijk. Daardoor moest Cyriel Dessers, toch dé topaankoop van afgelopen zomer, zich de laatste maanden meestal tevreden stellen met zijn wekelijkse negentig minuten warming-up langs de lijn en dan weer naar die bank toe. Maar diezelfde Dessers scoorde, toen hij zaterdag een kwartier mocht opdraven, wél de goal die Genk weer dichter bij de titel bracht. Ook al gaf hij achteraf eerlijk aan dat hij diep gezeten heeft en zijn toekomst bij Genk in vraag stelde, het bleef eens te meer een goeie ingreep van de coach, in de slotfase. Danny Vukovic, één van de weinige leiders in de groep, zette hij uit doel omdat hij het moment gekomen achtte om de jonge Maarten Vandevoordt voluit zijn kans te geven. Een risico-ingreep, net op het moment dat hij na een reeks slechte prestaties als trainer zelf ter discussie stond. Maar zaterdag gaf Anderlechtcoach Kompany nog aan wat voor een toegevoegde waarde een doelman als Vandevoordt voor een ploeg betekent. Omdat je met hem in balbezit een extra veldspeler krijgt, die al eens kan inschuiven, waardoor je als tegenstander een reactie moet bedenken. Een goeie zet was ook om de Noor Kristian Thorstvedt, die voorheen in een lagere positie over het veld zwalpte een plaats naar voor te schuiven, waar hij de afstand met de spitsen kleiner maakt en energie geeft aan het elftal met zijn infiltraties en het voortdurend in beweging zijn, waardoor hij ook bliksemafleider is. Afgelopen weekend noemde Degryse de Noor in Het Laatste Nieuws nog dé ontdekking van Genk. Het mag zelfs ietsje meer zijn: wie met Nieuwjaar gedacht had dat Thorstvedt vandaag één van de revelaties in de competitie zou zijn, mag nu de vinger opsteken. Vervolgens zette de trainer Jere Uronen, Fins international en straks EK-ganger, en altijd vooropgaand in de strijd, uit de ploeg ten voordele van de 22-jarige Mexicaan Gerardo Arteaga. Die maakt soms nog de verkeerde keuzes, maar heeft net als Uronen een enorm loopvermogen en begint met steeds meer vertrouwen te voetballen. Op de tribune kijkt technisch directeur Dimitri de Condé tevreden toe. Dit was waarvoor hij zijn nek had uitgestoken, toen het begin februari - nog niet zo lang geleden - helemaal verkeerd leek te lopen en de positie van de trainer in gevaar kwam. Toen stapte De Condé de kleedkamer in en verhief uitzonderlijk zijn stem. Dat de spelers één ding goed moesten weten: wat er de volgende wedstrijden ook zou gebeuren, de trainer blééf; en als hij toch zou gaan, zou hij, De Condé, samen met hem opstappen. Die boodschap kwam aan en bracht de duidelijkheid waar op dat moment nood aan was. De eerste wedstrijd, tegen Beerschot, verloor Genk nog wel, maar tegen Charleroi viel alles op zijn plaats. Van den Brom had net op tijd de juiste knoppen in geduwd. Hij greep terug naar de 4-3-3 waar hij de beste resultaten mee haalde en waar hij de meeste mogelijkheden in zag om zijn drie superspelers voorin de nodige vrijheid te gunnen. Op het middenveld greep hij ook terug naar de balvaste Patrik Hrosovsky, die samen met metronoom Bryan Heynen voor de verdediging rust, werkkracht en overzicht bracht. Sindsdien kan je, behalve bij een schorsing of een blessure, voor elke wedstrijd de basiself van Genk blind op papier zetten. Duidelijkheid geeft vertrouwen. Wat dit KRC Genk er op het eind van een ongewone competitie nog uit perst, is pure rock-'n-roll (wat De Condé betreft, had het ook heavy metal mogen zijn). Donderdag treden de Swinging Genkies weer op, dit keer in de eigen Luminus Arena. Het eerste doel is die tweede plaats, die recht geeft op de voorrondes van de Champions League, het door Van den Brom na de bekerfinale vooropgestelde nieuwe target, vast te houden. Met winst en een helpende hand van Anderlecht kan Genk nog een extra concert afdwingen, zondag in Jan Breydel. Dat zou pas een echt mirakel zijn.