Toen hij in de zomer van 2020 overkwam van de Noorse eersteklasser Stabaek was de 16-jarige Kristian Arnstad een indringer op Neerpede. In het beloftenteam van Craig Bellamy waren er slechts twee andere spelers die niet de Belgische nationaliteit hadden. De ene, Eduards Daskevics, maakte de overstap uit Litouwen. De andere, Nathanio Junior Kompoaré, verliet Burkina Faso een seizoen eerder voor een Brussels avontuur. En sinds de komst van de jonge Noor is er nog maar één andere buitenlander bij de groep gekomen met Isaac Tshibangu, die vorige zomer werd overgenomen van het Congolose TP Mazembe. Voor de rest zijn de beloften van Anderlecht enkel 'lokale' jongens, die wel uit alle uithoeken van België komen.
...

Toen hij in de zomer van 2020 overkwam van de Noorse eersteklasser Stabaek was de 16-jarige Kristian Arnstad een indringer op Neerpede. In het beloftenteam van Craig Bellamy waren er slechts twee andere spelers die niet de Belgische nationaliteit hadden. De ene, Eduards Daskevics, maakte de overstap uit Litouwen. De andere, Nathanio Junior Kompoaré, verliet Burkina Faso een seizoen eerder voor een Brussels avontuur. En sinds de komst van de jonge Noor is er nog maar één andere buitenlander bij de groep gekomen met Isaac Tshibangu, die vorige zomer werd overgenomen van het Congolose TP Mazembe. Voor de rest zijn de beloften van Anderlecht enkel 'lokale' jongens, die wel uit alle uithoeken van België komen.In vergelijking met andere grote clubs in Europa, is die kleine vertegenwoordiging buitenlandse jongeren erg opvallend. Het contrast met PSV, waar de Nederlanders een minderheid vormen in de eigen jeugd, is flagrant. In België doen de meeste andere clubs Anderlecht wel na, behalve Club Brugge. Sinds enkele jaren lijkt blauw-zwart ook steeds meer in te willen zetten op buitenlandse goudklompjes, dankzij onder meer het financiële overwicht dat de regerende kampioen in België heeft. Dat blijkt onder meer uit de recente overeenkomst van € 1 miljoen met het Deense Odense BK voor Tobias Lund Jensen en Jonathan Foss, twee nobele onbekenden.Waarom zo weinig buitenlanders?Maar hoe komt dat nu, dat er zo weinig buitenlandse jongeren in onze Belgische jeugdcentra zitten? Voor een eerste reden moeten we naar de regels kijken. Wereldvoetbalbond FIFA verbiedt internationale transfers voor spelers onder 18 jaar - zo zijn Kompoaré en Tshibangu pas op meerderjarige leeftijd naar Neerpede afgezakt. Binnen de EU zijn transfers echter wel toegestaan ​​vanaf de leeftijd van 16 jaar, op voorwaarde dat de gastclub een plan kan voorleggen waarin voetbal én school verweven zijn. Om terug te gaan naar de zaak van Anderlecht: sinds 2016 hebben dit soort transfers slechts betrekking gehad op een tiental spelers, voornamelijk van Afrikaanse origine. En van hen kwamen enkel Mo Dauda (in 2017 verhuisd uit Ghana) en Edo Kayembe (hetzelfde jaar uit Congo) ooit in het eerste elftal terecht. Niet meteen bemoedigend voor de huidige buitenlanders in de jeugd van Anderlecht, maar het toont meteen ook het uitzonderlijke karakter van Arnstad aan. Het aantrekken van die buitenlandse jongeren heeft trouwens geen al te grote invloed op de uitgaven van de club. De uitgaande transfer van Kayembe naar Eupen in 2020 leverde Anderlecht bijvoorbeeld nog 1 miljoen euro op. Dat is bijna evenveel als het totale bedrag dat paars-wit betaalde voor al die andere jongeren die niet doorbraken. Oneerlijke concurrentieEen andere verklaring is dat Anderlecht, in de hoop om de toekomstige Mbemba of Acheampong te vinden, zich nu moet beperken tot pokermoves. De extreme concurrentie van buitenlandse clubs, met veel aantrekkelijkere budgetten en vooruitzichten, laat de club geen keus. Zeldzaam zijn de talenten die ontsnappen aan de uitgestrekte netwerken van de grootste Europese clubs. Die zijn verwikkeld in een felle strijd en hebben de middelen om op zoek te gaan naar dat ene goudklompje dat de nieuwe Messi of Ronaldo kan worden. In 2019 betaalde Manchester United bijvoorbeeld nog 10 miljoen euro - bijna een record voor een jeugdspeler - om de 16-jarige Mejri Hannibal Mejbri uit Monaco te halen.Onze Belgische clubs spelen zowel sportief als op het vlak van het rekruteren van jeugd niet op hetzelfde veld. Anderlecht en consorten zijn door het regelmatige vertrek van hun grootste talenten (Bounida, Matazo, Lavia, ...) daar de eerste slachtoffers van. Om dat wat tegen te houden, proberen ze lokaal te rekruteren, vóór de leeftijd van 16 jaar, en streven er vervolgens (steeds systematischer) naar om die jongeren professionele contracten aan te bieden vanaf de wettelijke minimumleeftijd van 15 jaar. Een manier om de speler aan de club te binden en niet over te blijven met een trainingsvergoeding als troostprijs. Het is anderzijds wel goed dat onze clubs op die manier onze nationale jeugdploegen voeden en niet die van onze buurlanden. Op Neerpede was Kristian Arnstad, momenteel Noors U19-international, bijna de enige speler die van een gerenommeerde buitenlandse academie kwam. De elegante middenvelder stond toen ook op het verlanglijstje van AC Milan en Ajax en mocht zelfs een weekje gaan testen bij Manchester United. Maar zijn ouders werden overtuigd door de familiale en emotionele steun die de Anderlecht hun kind beloofde. Een carrièrekeuze, bijna anachronistisch, die de unieke dimensie van deze rekrutering alleen maar versterkt.Door Thibault Debrus