1. Sinds uw terugkeer naar België werd u al twee keer uitgenodigd voor het voetbalprogramma op de RTBF op maandagavond en ons viel op dat u daar twee keer Standard tackelde. Eerst Sá Pinto en daarna de directie. Kan u uitleggen waarom?

LASZLO BÖLÖNI: 'Noemt u dat tackelen? Neen! Ik zou Standard nooit tackelen. Voor mij is dat een fantastische club. Ik heb daar momenten meegemaakt die ik nooit zal vergeten. Ik ben gek op de spelers van toen, het publiek, de stad en ik denk dat het respect wederzijds is. Dit gezegd zijnde, als er zaken zijn die me storen, dan denk ik dat ik me stilaan kan veroorloven om de mensen dat ook duidelijk te maken. Als ik RicardoSá Pinto even prikkelde, was dat omdat hij dat verdiende. En idem dito met de directie. Ik heb vernomen dat er dingen over mij werden gezegd die ik niet kon appreciëren. Laat het voor eens en voor altijd duidelijk zijn: ik heb niet geprobeerd om naar Standard terug te keren, voor ze een contract tekenden met Sa Pinto. Zonder twijfels waren er makelaars die geprobeerd hebben om me daar onder te brengen, maar ik heb geen enkele een mandaat gegeven om me in onderhandelingen met Standard te vertegenwoordigen.'

Ik heb niet geprobeerd om naar Standard terug te keren.

László Bölöni

2. Eén van de moeilijke momenten op Sclessin was het omgaan met Axel Witsel in de naweeën van de affaire met Marcin Wasilewski. Wat herinnert u zich daarvan?

LASZLO BÖLÖNI: 'Het was vooral een moeilijk moment voor Witsel. En uiteraard ook voor Wasilewski. Hij had het profiel van de speler die ik verafschuw. Versta me niet verkeerd, daarmee bedoel ik: een speler die ik verafschuw bij de tegenstander is een voetballer die me in het nauw brengt door zijn kwaliteiten. In het huidige Genk is dat die jongen op het middenveld. Roeslan Malinovski. Wat haat ik die. Bij het Anderlecht van toen was dat Wasilewski. Omdat hij zo agressief was op het terrein. Je hebt soms van dat soort spelers nodig in je ploeg, maar als er eentje was die een stevige klap verdiende, was het hij wel. Hij tackelde Jan en alleman, ging over lijken. En hij voetbalde hij Anderlecht, dacht dat hij zich alles kon veroorloven. Het was de speler die kon zeggen: ik ben de verdediger die alle aanvallers in de Belgische competitie aan kan. Iedereen trok zich terug. Die dag niet, die dag botste hij op iemand die zich niet terug trok.'

3. U zei eens in een interview: ik heb in het voetbal maar een vriend. Tudorel Stoica, de vader van Alin.

LASZLO BÖLÖNI: 'U moet niet alles geloven wat u leest. Maar het klopt, Tudorel is een goeie vriend, iemand in wie ik veel vertrouwen heb. We delen uitzonderlijke herinneringen aan een periode samen bij Steaua Boekarest. Hij is me zeer dierbaar. Maar om te zeggen dat het mijn enige vriend is... Neen, dat klopt niet. (denkt na) Na al mijn reizen, en al mijn verhuizen weet ik niet of ik nog vrienden heb. Vrienden zijn mensen met wie je elke dag zou kunnen praten. Dat zijn mijn vrouw, mijn moeder, mijn broer...'

4. Als we Mircea Rednic over u bezig horen, dan hebben we de indruk dat u aan hem ook een vriend hebt.

LASZLO BÖLÖNI: 'Dat klopt niet. Ik heb wel jaren met hem de kamer gedeeld, toen we beiden voor de nationale ploeg speelden. En toen ik die later ging trainen, was hij een tijdje mijn assistent. Wij hebben een zeer goeie relatie, Mircea is iemand met veel kwaliteiten. Maar om nu te zeggen dat we een zeer goeie relatie hebben, dat is overdreven. Ik heb die ook met andere grote namen uit het Roemeense voetbal. Ik zou u hier de naam van Mircea Lucescu kunnen citeren, die ik ooit als bondscoach had.'

5. Wie zijn de trainers die u hebben beïnvloed?

LASZLO BÖLÖNI: 'Ik ben in de Roemeense eerste klasse kunnen debuteren onder een buitengewoon trainer die niemand kent: Tiberiu Bone. Een oud-voetballer van Steaua Boekarest, die ooit nog international was. Zijn manier van aanpakken, zijn kijk op het spel, zijn trainingen, alles was top. Verder kan ik nog twee andere Roemeense trainers noemen: Lucescu en Emeric Jenei. Twee totaal tegenovergestelde stijlen. De ene keer was ik voor de ene, later voor de andere aanpak. En uiteraard was er ook Raymond Goethals. Ik heb het geluk gehad om een beetje met hem samen te werken, in de periode van Racing Jet. Een uniek man, door zijn manier van praten en de woorden die hij gebruikte.'

1. Sinds uw terugkeer naar België werd u al twee keer uitgenodigd voor het voetbalprogramma op de RTBF op maandagavond en ons viel op dat u daar twee keer Standard tackelde. Eerst Sá Pinto en daarna de directie. Kan u uitleggen waarom?LASZLO BÖLÖNI: 'Noemt u dat tackelen? Neen! Ik zou Standard nooit tackelen. Voor mij is dat een fantastische club. Ik heb daar momenten meegemaakt die ik nooit zal vergeten. Ik ben gek op de spelers van toen, het publiek, de stad en ik denk dat het respect wederzijds is. Dit gezegd zijnde, als er zaken zijn die me storen, dan denk ik dat ik me stilaan kan veroorloven om de mensen dat ook duidelijk te maken. Als ik RicardoSá Pinto even prikkelde, was dat omdat hij dat verdiende. En idem dito met de directie. Ik heb vernomen dat er dingen over mij werden gezegd die ik niet kon appreciëren. Laat het voor eens en voor altijd duidelijk zijn: ik heb niet geprobeerd om naar Standard terug te keren, voor ze een contract tekenden met Sa Pinto. Zonder twijfels waren er makelaars die geprobeerd hebben om me daar onder te brengen, maar ik heb geen enkele een mandaat gegeven om me in onderhandelingen met Standard te vertegenwoordigen.' 2. Eén van de moeilijke momenten op Sclessin was het omgaan met Axel Witsel in de naweeën van de affaire met Marcin Wasilewski. Wat herinnert u zich daarvan?LASZLO BÖLÖNI: 'Het was vooral een moeilijk moment voor Witsel. En uiteraard ook voor Wasilewski. Hij had het profiel van de speler die ik verafschuw. Versta me niet verkeerd, daarmee bedoel ik: een speler die ik verafschuw bij de tegenstander is een voetballer die me in het nauw brengt door zijn kwaliteiten. In het huidige Genk is dat die jongen op het middenveld. Roeslan Malinovski. Wat haat ik die. Bij het Anderlecht van toen was dat Wasilewski. Omdat hij zo agressief was op het terrein. Je hebt soms van dat soort spelers nodig in je ploeg, maar als er eentje was die een stevige klap verdiende, was het hij wel. Hij tackelde Jan en alleman, ging over lijken. En hij voetbalde hij Anderlecht, dacht dat hij zich alles kon veroorloven. Het was de speler die kon zeggen: ik ben de verdediger die alle aanvallers in de Belgische competitie aan kan. Iedereen trok zich terug. Die dag niet, die dag botste hij op iemand die zich niet terug trok.' 3. U zei eens in een interview: ik heb in het voetbal maar een vriend. Tudorel Stoica, de vader van Alin.LASZLO BÖLÖNI: 'U moet niet alles geloven wat u leest. Maar het klopt, Tudorel is een goeie vriend, iemand in wie ik veel vertrouwen heb. We delen uitzonderlijke herinneringen aan een periode samen bij Steaua Boekarest. Hij is me zeer dierbaar. Maar om te zeggen dat het mijn enige vriend is... Neen, dat klopt niet. (denkt na) Na al mijn reizen, en al mijn verhuizen weet ik niet of ik nog vrienden heb. Vrienden zijn mensen met wie je elke dag zou kunnen praten. Dat zijn mijn vrouw, mijn moeder, mijn broer...' 4. Als we Mircea Rednic over u bezig horen, dan hebben we de indruk dat u aan hem ook een vriend hebt.LASZLO BÖLÖNI: 'Dat klopt niet. Ik heb wel jaren met hem de kamer gedeeld, toen we beiden voor de nationale ploeg speelden. En toen ik die later ging trainen, was hij een tijdje mijn assistent. Wij hebben een zeer goeie relatie, Mircea is iemand met veel kwaliteiten. Maar om nu te zeggen dat we een zeer goeie relatie hebben, dat is overdreven. Ik heb die ook met andere grote namen uit het Roemeense voetbal. Ik zou u hier de naam van Mircea Lucescu kunnen citeren, die ik ooit als bondscoach had.' 5. Wie zijn de trainers die u hebben beïnvloed? LASZLO BÖLÖNI: 'Ik ben in de Roemeense eerste klasse kunnen debuteren onder een buitengewoon trainer die niemand kent: Tiberiu Bone. Een oud-voetballer van Steaua Boekarest, die ooit nog international was. Zijn manier van aanpakken, zijn kijk op het spel, zijn trainingen, alles was top. Verder kan ik nog twee andere Roemeense trainers noemen: Lucescu en Emeric Jenei. Twee totaal tegenovergestelde stijlen. De ene keer was ik voor de ene, later voor de andere aanpak. En uiteraard was er ook Raymond Goethals. Ik heb het geluk gehad om een beetje met hem samen te werken, in de periode van Racing Jet. Een uniek man, door zijn manier van praten en de woorden die hij gebruikte.'