Op stap in Antwerpen blijkt Mo Messoudi (35) niet alleen op het Kiel, maar ook in de rest van 't Stad een Bekende Antwerpenaar te zijn. Eén die dit seizoen maar weinig speelminuten verzamelde, maar wél een man met een missie: ' zijn' Beerschot helpen terug naar eerste klasse te keren. Jeugdreeksen inbegrepen is hij aan zijn vijftiende seizoen in de paarswitte kleuren bezig. Maar ook wanneer hij als prof de kleuren van andere clubs verdedigde, zat hij wanneer het mogelijk was 'zijn' ploeg aan te moedigen op het Kiel.
...

Op stap in Antwerpen blijkt Mo Messoudi (35) niet alleen op het Kiel, maar ook in de rest van 't Stad een Bekende Antwerpenaar te zijn. Eén die dit seizoen maar weinig speelminuten verzamelde, maar wél een man met een missie: ' zijn' Beerschot helpen terug naar eerste klasse te keren. Jeugdreeksen inbegrepen is hij aan zijn vijftiende seizoen in de paarswitte kleuren bezig. Maar ook wanneer hij als prof de kleuren van andere clubs verdedigde, zat hij wanneer het mogelijk was 'zijn' ploeg aan te moedigen op het Kiel. Mo Messoudi: 'Dat ik hier terecht kwam, heeft een simpele verklaring. Het Kiel ligt op amper anderhalve kilometer van waar ik opgroeide, in Hoboken. Daar versleet ik mijn eerste voetbalschoenen. Via de papa van ex-prof Chris De Witte mocht ik een paar maanden bij Anderlecht mee trainen, met Maarten Martens en Xavier Chen. Ik kon bij Anderlecht blijven, maar mijn mama vond dat te ver. Zij voedde mij en mijn zes zussen na de echtscheiding van onze ouders op. Zo werd het Beerschot. Met de tram was ik vanuit Hoboken in drie haltes op het Kiel en in vier haltes op de Wilrijkse Pleinen. 'Ik was vaak ballenraper op het Kiel, toen Beerschot in tweede klasse speelde. Mijn helden waren Ekanza Simba, Ronny Prins, Zlatko Arambasic en Rashin Wurie. Toen de club naar derde zakte, ben ik twee jaar bij Beveren gaan voetballen omdat ik in de nationale jeugdreeksen wou blijven. Die twee jaar zijn belangrijk geweest in mijn ontwikkeling. Ik belandde er in een ploeg met Jonas Ivens en Greg Van Avermaet die meestal tweede doelman was. In het weekend ging ik zowel naar Beveren als naar Beerschot kijken. Ik heb nog altijd een steunkaart van 250 frank (zes euro) voor de allerlaatste wedstrijd van het oude Beerschot, in mei 1999 tegen Rita Berlaar, net voor de opslorping door Germinal Ekeren. Natuurlijk was ik daar bij.''In het tweede jaar van de fusie ben ik teruggekeerd naar het Kiel, hoewel ik ook bij Beveren mocht blijven. Maar ik wou terug naar huis. Voor het uitwisselingsproject voor jeugdspelers met Ajax kwam ik niet meer in aanmerking. Toen Thomas Vermaelen en Jan Vertonghen vertrokken, zat ik al bij de beloften en lonkte het eerste elftal. Dat was mijn droom, ooit in het eerste van Beerschot spelen. Op het internationaal toernooi van Oostduinkerke voor U19 voor het seizoen 2001-2002 werd ik uitgeroepen tot Beste Speler. Wij wonnen er in een bezetting met Barcelona, Tottenham, Ajax en Dortmund de finale tegen het Club Brugge van Glenn Verbauwhede, Nicolas Lombaerts en Jason Vandelannoite. Celtic, dat ook deelnam, vroeg me daar om voor hen te tekenen, ook een paar Nederlandse ploegen waren geïnteresseerd. Maar de hoofdtrainers geloofden in mij, en dankzij Simon Tahamata en Marc Noë werd ik samen met mijn toenmalige ploegmaats Prince Asubonteng, Agyeman Dickson, Nico Van Der Linden en later Mousa Dembélé naar de A-kern overgeheveld. Met mijn eerste contractje verdiende ik 500 euro per maand, premies niet inbegrepen. Met dat loon won ik in 2005 de beker van België. Maar mijn debuut maakte ik nog onder Franky Van der Elst, met een invalbeurt op Charleroi. Later dat seizoen volgden nog twee matchen, waarin ik ook mijn eerste goal maakte, tegen Mons. De trainer van het jaar daarop, Marc Brys, zag die match vanuit de tribune. Brys was het type trainer dat toenmalig voorzitter Jos Verhaegen graag had. Die eerste maanden was ik helemaal kapot, ik heb toen vaak gedacht: amai, ik wist niet dat dat zo zwaar zou zijn, profvoetballer zijn. Maar het heeft mij, en ook de andere spelers geholpen om te worden wie we geworden zijn. Na een paar jaar onder Brys kan je wel wat aan als voetballer. 'Dat seizoen begon ik na het beëindigen van mijn humaniora aan het Sint-Lievenscollega eerst nog aan universitaire studies, politieke en sociale wetenschappen, maar omdat Brys vaak trainde overdag, was ik verplicht de avondlessen te volgen. Maar ik wilde ook nog een sociaal leven, en we hingen enorm goed aan mekaar met de spelers. Bijna na elke match gingen we samen op stap en dat zijn we regelmatig blijven doen, met Bram Verbist als gangmaker en Daniel Cruz als bindmiddel met de andere culturen. Cruz is nog altijd een vriend, ik ben naar zijn huwelijk in Cali in Colombia geweest, hij was hier vorig jaar voor het mijne. 'Je zag in die jaren wel regelmatig hele contingenten buitenlanders arriveren. Op het Kiel zijn ze gek van vooral Zuid-Amerikanen. Zo arriveerden er eens zeven Brazilianen ineens. We kregen toen vier pagina's met Portugese woordjes om met hen te communiceren. In Nederland zou zoiets echt niet kunnen. Maar dankzij die pagina's kan ik wel naar Portugal op vakantie ( grijnst). Een jaar later stond er een heel contingent Zimbabwanen, en op een dag kwam de broer van doelman Luciano eens mee sjotten. Dat kon hier toen allemaal. Daar moest je als eigen jeugdproduct wel mee om kunnen. Maar ook andere factoren spelen vaak een rol. Prince Asubonteng bijvoorbeeld was technisch één van de beste voetballers in de Benelux, maar hij miste de hardheid en de grinta die je in het profvoetbal absoluut nodig hebt om je door te zetten. 'In die tijd pikte ik Mousa Dembélé die nog geen rijbewijs had, op in Berchem. Mousa was toen nog erg verlegen, maar op zijn zestiende al een beer van een vent. Ik zie Kurt Van Dooren, Carl Hoefkens en Kenny Thompson nog op hem staan trappen, in een poging om hem de bal af te nemen, maar dat lukte niet. Niemand zette hem van de bal, maar hij kreeg het verwijt dat hij niet hongerig genoeg was om te scoren. Mousa was samen met Mounir El Hamdaoui de beste speler met wie ik ooit gevoetbald heb. 'Na Beerschot ging ik naar Willem II, omdat ik net als Mousa gek was van het Nederlands voetbal. Eigenlijk wilde ik het liefst blijven en bij Beerschot een nieuw contract tekenen, maar Jos Verhaegen zei me dat het beter was voor mijn carrière om te vertrekken. Dat was de politiek toen, spelers verkopen en besparen. Ooit mocht ik om geld te besparen ook niet mee voor de Europese wedstrijd tegen Marseille, die volgde op onze bekercampagne. Ik had toen mijn voet gebroken en ben die match dan maar met vrienden gaan bekijken in een studentencafé. In 2006 ben ik dus met tranen in de ogen weggegaan. Niet naar Standard, dat me toen wilde, en waar ik nee tegen zegde. Maar naar Willem II. De dag dat ik daar mijn contract zou tekenen, belde Jos Vaesen namens KRC Genk. Maar ik had mijn woord al aan Willem II gegeven. Van daar ging ik naar Kortrijk, AA Gent, OHL en Zulte Waregem.' 'Drie jaar geleden voetbalde ik bij Raja Casablanca, waar ik op aangeven van de toenmalige trainer, voormalig Nederlands international Ruud Krol, was beland. Een belevenis, thuiswedstrijden voor 50.000 man, 10.000 fans mee op verplaatsing en de derby voor 90.000 man. Het ging goed, tot Krol ontslagen werd, en de betalingen achterwege bleven. 'Toen rijpte het voorstel om terug te keren naar Beerschot, dat hard op weg was om naar eerste amateurafdeling te promoveren. Ik wilde graag terug naar hier, ook al voetbalde Beerschot Wilrijk in de amateurreeksen. Je moet weten dat ik alle jaren, ook toen ik bij andere clubs speelde, naar Beerschot ben blijven komen kijken, wanneer dat ook maar even kon. Bij elke club waar ik voetbalde, wist iedereen altijd dat ik een Beerschotman ben. Ook bij Willem II en Kortrijk, waar ik fantastische tijden beleefd heb, zou ik nooit het logo op het truitje gekust hebben, zoals sommigen bij elk van hun clubs doen. Ik snap dat niet. Ik denk dat er weinig spelers zo zijn. 'Ook als ik elders in eerste klasse voetbalde, ging ik zo vaak naar het Kiel als ik maar kon. Al mijn vrienden waren Beerschotsupporters. Ik hield ook contact met Daniel Cruz, Pieter-Jan Monteyne, Kris De Wree. Ik liep die tegen het lijf in Antwerpen. Ik heb maar één club in mijn hart, en dat is Beerschot. Ik weet dat, toen ik terugkeerde, sommige mensen smaalden: wat komt die vet betaalde prof hier doen? Maar het was echt het kleinste contract dat ik ooit als prof tekende, op mijn stagiairscontract hier helemaal in het begin na. Het ging me niet om het geld, maar om de uitdaging, om mijn club terug hogerop te helpen.' 'De trainer die ik bij mijn terugkeer aantrof, was Marc Brys. Dat was even schrikken. Brys is van alle trainers die ik ooit meemaakte degene die zijn spelers het hardst laat trainen, zonder discussie. 'Hij maakte bij zijn terugkeer direct de omschakeling van avondtrainingen naar dagtrainingen. Daardoor moesten de spelers kiezen tussen hun job of voetballen. De meesten hebben toen voor hun job gekozen. Dat jaar waren wij, samen met Seraing en Deinze de enige ploeg die overdag trainde. Dat vergde flink wat improvisatie qua organisatie, het toenmalige bestuur wist niet wat een profritme was, die hadden dat nog nooit meegemaakt; overdag eten voorzien, een goeie medische staf met kine's die bij de training aanwezig zijn et cetera. 'Op verplaatsing kwam ik in dorpen en stadions waar ik nog nooit geweest was: Virton, Dessel Sport, maar ook Koksijde, met zijn kunstgrasveld. Fantastische ambiance overal, en de meeste clubs die erg tevreden waren met onze komst, hoewel ze meestal verloren. Want wij brachten veel volk mee. Op Virton, toch niet bij de deur, waren ze ook met 500. Die clubs wreven zich in de handen met een goeie recette en een flinke omzet qua drankgebruik. 'Maar het werd een heerlijk seizoen, ook al was het maar derde klasse, waarin we 26 van de 30 matchen wonnen. Thuis hadden we het gevoel dat we in eerste klasse speelden. De meeste fans herkende ik nog. Bijna allemaal dezelfde gezichten, maar wel tien jaar ouder geworden, én nog kritischer en ongeduldiger. Veel kritischer dan in de tijd van Germinal Beerschot. Als je ook maar vijf minuten even de bal rondspeelde, begonnen ze al te roepen: 'aanvallen!' Je voelt in het stadion het ongeduld om terug naar eerste klasse te gaan.' 'Vorig seizoen begonnen we als promovendus vanuit het amateurvoetbal met de overtuiging dat we bij de eerste drie konden eindigen. Niemand die dacht dat we gingen mee doen voor de titel. Maar het liep tot eenieders verbazing erg goed. In de eerste periode verloren we maar één keer, en brachten fantastisch voetbal. Die eerste periode binnenhalen kostte veel krachten, waardoor we de tweede periode moeizaam doorkwamen, met veel blessures. Die laatste thuiswedstrijd tegen Cercle was doorslaggevend, toen we in de laatste zeven minuten een 2-0 zege uit handen gaven en 2-3 verloren, waardoor we plots zeven punten achterop lagen in plaats van één punt. Winnen we die match, dan halen we Cercle bij, komen er geen play-offs en promoveren we rechtstreeks. Nu gingen we nipt onderuit in de play-offs. Dat heeft voor een serieuze kater gezorgd. Iedereen zat op zijn gat. Dan nog eens tien wedstrijden in PO2 afwerken, was verschrikkelijk. Zelfs de dubbele derby tegen den Antwerp kon ons niet troosten. Het was op. 'Veel belangrijke spelers haakten af na vorig seizoen. Hernán Losada stopte, Arjan Swinkels ging naar Mechelen. In het begin liep het niet. De klik kwam met de aankoop van Marius Noubissi. Met hem hebben we een aanvaller die op elk moment vanuit het niets kan scoren. Vorig seizoen hadden we maar één echte spits, Fessou Placca. Marc Brys werkte met twaalf, dertien spelers. Dit jaar hebben we een ruimere en sterkere kern. Als wij het halen, komt dat omdat we het beste team hebben. Dat is de samenvatting van de top in 1B dit seizoen: wij hebben de beste ploeg, Union het meeste talent en KV Mechelen de meeste ervaring. 'Zelf kom ik minder in actie. Vijfhonderd speelminuten is het minste wat ik al mee heb gemaakt. De trainer zegt dat ik niet in zijn systeem pas. Maar op dit moment is mijn situatie ondergeschikt aan die van de club. Eerst gaan we voor die promotie. Dat is tenslotte waarvoor ik naar hier gekomen ben.'