Zondag staan Anderlecht en Club Brugge opnieuw tegenover elkaar. Het wordt de zoveelste editie van een klassieker die altijd beladen en geladen blijft. Ook al lijkt dit voor Club in wezen niet meer dan een volgende etappe in de race naar de titel, een prestigeduel, terwijl het voor Anderlecht een match is op de weg naar een ticket in play-off 1.
...

Zondag staan Anderlecht en Club Brugge opnieuw tegenover elkaar. Het wordt de zoveelste editie van een klassieker die altijd beladen en geladen blijft. Ook al lijkt dit voor Club in wezen niet meer dan een volgende etappe in de race naar de titel, een prestigeduel, terwijl het voor Anderlecht een match is op de weg naar een ticket in play-off 1. Heel bruusk zijn de machtsverhoudingen tussen de beide clubs de afgelopen vijf jaar verschoven. In 2016 haalde Club uitgerekend in een match tegen Anderlecht het kampioenschap binnen, na elf jaar zonder titel, in het voetbal een eeuwigheid. Club won met 4-0 en het deed dat met de oude waarden: als een hecht blok, een mentaal ijzersterk bolwerk, een mengeling van fysieke kracht, loopvermogen, creativiteit, inventiviteit en opportunisme. Gestuurd door een trainer, Michel Preud'homme, die zo werd aanbeden dat je de indruk kreeg dat alleen hij kampioen werd. En bij Anderlecht was er geen spirit, geen beleving en een radeloze trainer, Besnik Hasi. Hoe anders was het één jaar later toen Anderlecht kampioen werd met zeven punten voorsprong op Club Brugge. Met René Weiler op de bank. Die had eerder op het seizoen het proces gemaakt van zijn ploeg en werd daarvoor door het bestuur op de vingers getikt. De trainer schoof en puzzelde, had na drie maanden al 29 spelers opgesteld, Anderlecht was een ploeg in opbouw. Maar uiteindelijk viel alles in de juiste plooi. Bij Club Brugge was er toen, medio 2017, weinig overgebleven van het spel van het seizoen daarvoor. En Michel Preud'homme, die zich vaak had geërgerd aan de laksheid, zei dat hij alleen wilde doorgaan met spelers die hun shirt nat wilden maken. Uiteindelijk hield Preud'homme het voor bekeken en werd hij vervangen door Ivan Leko. En bij Anderlecht kreeg Weiler de speler die hij absoluut wou: Sven Kums. Snel kan het allemaal veranderen. Zelden heeft Club Brugge zo'n grote kloof geslagen met Anderlecht als op dit moment. Steeds weer profileerde blauw-zwart zich als een baken van rust en sereniteit, van reflectie en rationaliteit. Er staan stevige fundamenten en Club Brugge begon met een budget van 90 miljoen euro aan het seizoen, dubbel zoveel als Anderlecht, los dan nog van de financiële situatie bij paars-wit. Anderlecht werd na de titel in 2017 respectievelijk derde, zesde en achtste, Club pakte in 2018 en 2020 de titel en werd tussenin tweede. Nu houdt Anderlecht na de intrede van Marc Coucke en de woelige daaropvolgende jaren vast aan een visie waarvan Vincent Kompany de architect is en blijft. Een trainer die de kans krijgt om te leren, met een jonge ploeg die ook in een leerproces zit en speelt met vallen en opstaan. Zoals bijvoorbeeld bleek in de heenwedstrijd op Club Brugge, op 4 oktober 2020, toen het met 3-0 werd verslagen. Ook al is er iets van de magie weg, het blijven wel speciale duels, die tussen Anderlecht en Club. Met een onvoorspelbaar karakter. Nooit spetterde Club zo als in de vergulde periode onder Ernst Happel. Maar zelden werd het zo weggespeeld door Anderlecht als in september 1977 toen het als regerend kampioen naar het Astridpark trok. Paars-wit won na een wervelende partij met 6-1. En Happel was na afloop zo verbolgen dat hij voortaan niet langer in zone wilde spelen, maar met mandekking, iets wat Club nog nooit had gedaan. Uiteindelijk gebeurde dat niet. Club werd dat seizoen kampioen en drong door tot de finale van de Europacup voor Landskampioenen, als enige Belgische club ooit. Het was Anderlecht dat Club op tijd had wakker geschud. En Anderlecht? Dat werd tweede in de competitie, op één puntje van blauw-zwart en het won de Europacup voor bekerwinnaars. Het was de tijd dat er in Europa nog niet op twee snelheden werd gevoetbald.