Er zijn drie modewoorden dezer dagen in het voetbal.

Eén: het project. Zie Anderlecht, soms tot falen gedoemd. Allemaal hebben we wel een project, vaak haalt de realiteit ons in. Life happens when you are busy making other plans. Ook een project vraagt voortdurende bijsturing.

Modewoord twee: data. GDPR (General Data Protection), u wordt er voortdurend aan herinnerd als u wat werkt met het internet. Cookies moeten worden aanvaard, maar daarna gaat een schat van informatie open. Alles wordt gecodeerd, geanalyseerd, in tabellen ondergebracht. Ook gegevens van spelers. Af en toe duiken experten daarin en delven ze pareltjes op: Moses Simon, Wesley, Krepin Diatta. Club Brugge was de eerste die er zwaar in investeerde en plukt daar nu de vruchten van. Roberto Martínez wipte er op het WK Brazilië mee. Met tactische data.

Modewoord drie is DNA. Geen trainer die dat beter weet - tenzij Michel Preud'homme - dan László Bölöni, aan wie modewoord twee wat voorbijgaat. Antwerp houdt ook wetenschappelijke gegevens en analyses bij, maar vooral met het oog op de periode na de Roemeen. Die werkt liever op buikgevoel. Afgaande op de resultaten is daar niks mis mee.

Club Brugge en Standard weten wat DNA is, maar zeker ook Antwerp. Paul Gheysens heeft het DNA van de Antwerpenaar moeten leren kennen. Correctie: niet van de Antwerpenaar, maar van de mannen uit Deurne, en Antwerpen-Noord. De hardliners, van geen kleintje vervaard. Mannen van de arbeid, de dokken, de haven. Geen mannekes van 't stad, laat staan uit de Westhoek.

Toen Gheysens tegen Club Brugge opriep dat ze zich wat zouden gedragen, staken ze bewust een pak Bengaals vuur af. De laatste keer weliswaar, sindsdien is het stil. Maar het was een vuist, een statement. De vuist van het DNA van de club. We zijn wat we zijn, Paul, en daar gaan geen centen tegenin.

Het brengt er de grootsten aan het wankelen. Club Brugge sneuvelde op de Bosuil. AZ, dezer dagen overal de loftrompet oogstend, wankelde afgelopen zomer Europees tegen Antwerp. Ei zo na zat niet die oogstrelend voetballende ploeg uit Alkmaar in de poules van de Europa League. Als die match niet in Brussel was gespeeld... Die had alles om positief de geschiedenis in te gaan.

Antwerp is terug, al een tijdje, maar steeds nadrukkelijker. Dankzij zijn DNA. Vooral dankzij Dieu, Faris, en genadeloze verdedigers als Van Damme vroeger en Arslanagic en Hoedt nu. Dankzij Bolat, en Refaelov, toch wat meer artiesten, de ene in het stoppen van een bal, de andere in de toets. Maar ook dankzij twee culthelden, die het DNA van de club als het ware symboliseren: Ritchie De Laet en Didier Lamkel Zé.

Nergens zou een rebel de held van de fan kunnen zijn. Tenzij op Antwerp.

Er zijn drie modewoorden dezer dagen in het voetbal. Eén: het project. Zie Anderlecht, soms tot falen gedoemd. Allemaal hebben we wel een project, vaak haalt de realiteit ons in. Life happens when you are busy making other plans. Ook een project vraagt voortdurende bijsturing.Modewoord twee: data. GDPR (General Data Protection), u wordt er voortdurend aan herinnerd als u wat werkt met het internet. Cookies moeten worden aanvaard, maar daarna gaat een schat van informatie open. Alles wordt gecodeerd, geanalyseerd, in tabellen ondergebracht. Ook gegevens van spelers. Af en toe duiken experten daarin en delven ze pareltjes op: Moses Simon, Wesley, Krepin Diatta. Club Brugge was de eerste die er zwaar in investeerde en plukt daar nu de vruchten van. Roberto Martínez wipte er op het WK Brazilië mee. Met tactische data. Modewoord drie is DNA. Geen trainer die dat beter weet - tenzij Michel Preud'homme - dan László Bölöni, aan wie modewoord twee wat voorbijgaat. Antwerp houdt ook wetenschappelijke gegevens en analyses bij, maar vooral met het oog op de periode na de Roemeen. Die werkt liever op buikgevoel. Afgaande op de resultaten is daar niks mis mee.Club Brugge en Standard weten wat DNA is, maar zeker ook Antwerp. Paul Gheysens heeft het DNA van de Antwerpenaar moeten leren kennen. Correctie: niet van de Antwerpenaar, maar van de mannen uit Deurne, en Antwerpen-Noord. De hardliners, van geen kleintje vervaard. Mannen van de arbeid, de dokken, de haven. Geen mannekes van 't stad, laat staan uit de Westhoek. Toen Gheysens tegen Club Brugge opriep dat ze zich wat zouden gedragen, staken ze bewust een pak Bengaals vuur af. De laatste keer weliswaar, sindsdien is het stil. Maar het was een vuist, een statement. De vuist van het DNA van de club. We zijn wat we zijn, Paul, en daar gaan geen centen tegenin.Het brengt er de grootsten aan het wankelen. Club Brugge sneuvelde op de Bosuil. AZ, dezer dagen overal de loftrompet oogstend, wankelde afgelopen zomer Europees tegen Antwerp. Ei zo na zat niet die oogstrelend voetballende ploeg uit Alkmaar in de poules van de Europa League. Als die match niet in Brussel was gespeeld... Die had alles om positief de geschiedenis in te gaan.Antwerp is terug, al een tijdje, maar steeds nadrukkelijker. Dankzij zijn DNA. Vooral dankzij Dieu, Faris, en genadeloze verdedigers als Van Damme vroeger en Arslanagic en Hoedt nu. Dankzij Bolat, en Refaelov, toch wat meer artiesten, de ene in het stoppen van een bal, de andere in de toets. Maar ook dankzij twee culthelden, die het DNA van de club als het ware symboliseren: Ritchie De Laet en Didier Lamkel Zé.Nergens zou een rebel de held van de fan kunnen zijn. Tenzij op Antwerp.