'Wilt u niet eens de aftrap komen geven op Crossing, mijnheer Leekens?', vraagt jeugdvoorzitter Thierry Forton terwijl de voormalige Crossingspeler op de grasmat van het mooi vernieuwde stadion in het Josaphatpark te Schaarbeek poseert. 'Met plezier', zegt de Limburger, die in Brussel zijn eersteklassedebuut als speler maakte, precies vijftig jaar geleden. 'Je mag nooit je roots verloochenen. Crossing is goed geweest voor mij, het was de ideale stap op het juiste moment.'
...

'Wilt u niet eens de aftrap komen geven op Crossing, mijnheer Leekens?', vraagt jeugdvoorzitter Thierry Forton terwijl de voormalige Crossingspeler op de grasmat van het mooi vernieuwde stadion in het Josaphatpark te Schaarbeek poseert. 'Met plezier', zegt de Limburger, die in Brussel zijn eersteklassedebuut als speler maakte, precies vijftig jaar geleden. 'Je mag nooit je roots verloochenen. Crossing is goed geweest voor mij, het was de ideale stap op het juiste moment.' Alleen zullen de tegenstanders, wanneer Leekens straks nog eens naar Crossing afzakt, niet meer Anderlecht, Standard, Club Brugge of Union heten, maar US Binche, Manageoise, Symphorinois of Gosselies. Leekens kijkt zijn ogen uit, terwijl hij wandelt over de statige Louis Bertrandlaan met zijn art-nouveauhuizen en de immense Brusiliawoontoren op de plek waar tot 1966 het Brusselse sportpaleis stond. Daar vonden de Brusselse zesdaagsen plaats en gaven de Rolling Stones in 1966 hun eerste concert in België. Hij drinkt een koffie in het Josaphatpark, net voor de verstrenging van de coronamaatregelen. Hier liepen ze vroeger rondjes tijdens de conditietraining. Leekens is hier de afgelopen vijftig jaar niet meer geweest, zegt hij, al passeert hij af en toe nog honderd meter verderop, wanneer hij langs de drukke Lambermontlaan naar de VRT aan het Meiserplein rijdt.Het stadion waar hij zijn eersteklassedebuut maakte, is wel flink veranderd sinds hij hier arriveerde in 1970, één jaar na Crossings promotie naar eerste klasse. In 1972 vertrok hij al richting Brugge. Na de degradatie en het stopzetten van de steun van de gemeente Schaarbeek ging het snel bergaf, niet alleen met de club maar ook met de accommodatie. In 1983 verhuisde Crossing na de degradatie uit vierde klasse naar Elewijt. Nog één keer liep het stadion vol, voor een concert van Bob Dylan in 1986. Daarna verkommerde het, tot de afbraak in 2010. In 2012 heropende wat sindsdien het Gemeentelijk Stadion is. De nieuwe bespelers moesten zich ertoe verbinden in de toekomst één nieuwe club te vormen. Zo verhuisde FC Kosova naar de Chazallaan een kilometer verderop, omdat zij hun Kosovaarse identiteit wilden bewaren. De andere bewoner van het stadion, RC Schaarbeek, kreeg het gezelschap van Rusas Schaarbeek, dat met Kosova van accommodatie ruilde. Rusas fusioneerde met het nabijgelegen FC Evere en nam de naam Crossing weer aan. Acht jaar later is van een toenadering nog geen sprake. De twee clubs bespelen met hun duizend spelers (jeugd inbegrepen) beide kunstgrasvelden (stadion inbegrepen) maar hebben aparte kantines, vlak naast elkaar. RC komt nu onder de naam FC Schaarbeek uit in eerste provinciale, Crossing promoveerde voor het eerst sinds de fusie naar de nationale reeksen, waar het in de derde amateurklasse bovenin mee draait. Leekens heeft zijn auto naast het stadion geparkeerd, bij de bushalte die nog altijd Crossing heet. Hij kijkt wat onwennig nu de hoofdingang zich pal voor zijn neus bevindt en niet langer in de Algemeen Stemrechtlaan, waar zich voorheen de kantine en de hoofdparking bevonden. Enthousiast poseert hij naast de etalage van het clubhouse van Crossing waar hij de truitjes uit zijn eerste seizoen herkent, met de diagonale groene streep en de ezel als symbool voor Schaarbeek - vorig jaar als retroshirt uitgebracht. Hij grijnst: 'Twee ezels naast mekaar.' Hij wil ook het oefenveld achter het stadion zien, ' den bergaf zoals we het noemden'. Dat ook het hoofdveld een synthetisch terrein is, voelt voor hem onwennig aan. 'In de winter was ons veld een woestijn. Mij stoorde dat niet. Dat was voor de stijl die ik toen had geen nadeel. Terwijl Paul Van Himst en Jef Jurion daar wel hun neus voor ophaalden. Als je Paul liet voetballen, buitenkant voet: olala! Die moest je dus wat intimideren. Maar een speler doelbewust blesseren heb ik nooit gedaan. Behalve één keer, in vierde klasse met Dessel Sport. Eén die een paar keer naar mij gespuugd had. Die heb ik flink aangetrapt. Ik kreeg zelfs geen rood. Maar ik was beschaamd en heb me toen voorgenomen dat nooit meer te doen. Wel heb ik met Crossing Jef Jurion, toen hij de bal eens tussen mijn benen door speelde, een paar minuten later flink aangepakt in een duel en gezegd: 'Jef, dat doet ge geen tweede keer, anders staat uw bril straks omgekeerd op uw neus.' Dat volstond.' Hoe belandde een Limburger uit de lagere reeksen in hartje Brussel? Puur toeval, zegt hij. 'Mijn broer René en ik zaten allebei op kot in Leuven en voetbalden bij Dessel Sport in vierde klasse. Het jaar daarvoor zat ik bij Sporting Houthalen. Toen Dessel mijn broer wilde, die een goeie doelman was, zei mijn vader: 'Op voorwaarde dat Georges mee mag.' Zo belandde ik in het zog van mijn broer bij Dessel, waar we kampioen werden in vierde klasse. Intussen speelde ik ook met de universitaire ploeg. Op een avond hadden we een oefenmatch op Crossing Schaarbeek, dat net naar eerste klasse was gepromoveerd en waar Josef Masopust speelde ( die in 1962 met Tsjechoslovakije scoorde in de met 1-3 verloren WK-finale tegen Brazilië, nvdr). Hun trainer, Omer Van Boxelaer, wilde me een kans geven, zonder garanties. Dat vond ik niet erg. Als je de kans krijgt om van vierde naar eerste klasse te gaan, twijfel je niet, al had ik geen idee of ik het niveau zou aankunnen. Ik mocht gaan, op voorwaarde dat mijn broer mee mocht, eiste mijn vader. Deze keer volgde René mij. Hij is jaren tweede keeper bij Crossing geweest, want in het doel stond een monument, Antwerpenaar Jos Smolders die bij Beerschot keeper van de eeuw was.' De verplaatsingen van Leuven naar Brussel verliepen een stuk makkelijker dan naar Dessel. 'We hadden van thuis een tien jaar oude Volkswagen gekregen. Soms pikten Roger de Condé, nonkel van - Dimitri, of Guido Mallants ons op hun weg op of namen we de trein naar Brussel-Noord.' In Brussel belandden de twee jonge Limburgse studenten in een heel andere wereld. 'Bij Crossing heb ik de wereld ontdekt, de multiculturele samenleving', zegt Leekens. 'Je had er Vlamingen, zoals Smolders, Mallants, De Condé of Frank Schrauwen, Walen zoals onze kapitein Gérard Sulon, verder onze Hongaarse spits Károly Krémer, maar ook de eerste Marokkaanse voetballer in België, Abdelkhalek Louzani, een hele chique, elegante en open mijnheer, en de Albanese broers Bakalli. Ik stond daarvoor open. Mijn interesse in andere culturen en godsdiensten is hier in Schaarbeek begonnen.' Tot zijn eigen verbazing kreeg Leekens al snel zijn kans in het eerste elftal. Hij debuteerde in de openingswedstrijd tegen SV Waregem als linksachter, maar schoof snel door naar de 6. Twee jaar was hij in Brussel verdedigende middenvelder. 'Mijn taak was: bal afpakken en inleveren bij Krémer, een heel goeie, technisch vaardige spits, of bij De Condé, onze spelmaker. Na elke training liet de trainer me nablijven om te oefenen op mijn techniek: aanpakken links, inspelen rechts, en omgekeerd. Daar heb ik veel aan gehad.' Het eerste jaar was zwaar: 'Ik studeerde Lichamelijke Opvoeding. Wanneer ik 's avonds op training aankwam, had ik er al een hele dag sport opzitten. En ik genoot ook van het studentenleven. Mijn broer René, die Pol & Soc studeerde, was een toegewijd student, maar ik miste niet graag een cantus.' Op het veld, waarop al snel in het seizoen geen gras meer stond, schuwde de jonge Limburger geen duel, waarbij hij bij voorkeur met afgezakte kousen tackelde. Het leverde hem namens Charles Baete, journalist van Het Laatste Nieuws en de man ook die De Gouden Schoen uitvond, de bijnaam Mac The Knife op, naar de song van Louis Armstrong uit 1956: ' Hey man, there goes Mac the Knife...' 'Aanvankelijk was ik kwaad, maar onze secretaris, Jacques Swaelens, die op de club alles deed en dag en nacht werkte, zei dat ik me er niet moest over opwinden. Het zou mijn reputatie juist ten goede komen. 'Beter een naam dan geen naam', zei hij. Ik wist tot waar ik op het veld mocht gaan. Weet je dat ik in gans mijn spelersloopbaan maar één keer rood kreeg, en dan nog door twee keer geel? Na een gele kaart hield ik me in en na elke overtreding excuseerde ik me meteen. Maar ik tackelde wel vaak. Dat moest, omdat ik wel eens te laat kwam.' Zijn Crossing was geen vedetteteam. 'Krémer was een goeie voetballer, maar we vormden vooral een goed collectief, met een sterke doelman Smolders, een stevige verdediging met Sulon als dé patron van de ploeg, en een goeie conditie dankzij onze hulptrainer Charles Flaam, die ons aan 300 per uur liet trainen. We moesten het hebben van onze werkkracht. Daarmee eindigden we telkens net boven de degradatiezone. Crossing was een kleine, familiale club met veertien kernspelers. Als we op training een matchke wilden spelen, moest de jeugd -ingeschakeld worden om aan genoeg spelers te geraken. Het was een leuke club met weinig druk. Een plezante club, met een paar winnaars, mannen die elders uit-gerangeerd waren en zich nog eens wilden tonen. We pepten mekaar op, maakten mekaar beter.' Zelden zat het stadion vol. Leekens herinnert zich thuiswedstrijden met 3000 tot 6000 kijkers en één enkele keer, tegen Anderlecht, 17.000 man. In zijn eerste jaar speelde Leekens tot zijn verbazing alle dertig wedstrijden. Na het seizoen kreeg hij een telefoontje van de Hongaarse makelaar Jenö Békeffy. 'Anderlecht wilde me. Dat was even schrikken. Niemand zei ooit neen als Anderlecht belde. Behalve Georges Leekens. Ik vond mezelf nog niet klaar voor die stap en ik had me voorgenomen om eerst mijn diploma te halen. Dat was ook de enige eis van thuis: doe wat je wilt, maar haal dat diploma. Profvoetbal bestond nog niet in België, wij waren veredelde amateurs, ook in eerste klasse. Ik meen me te herinneren dat ik 7000 frank per maand kreeg, bruto, omgerekend zo'n 175 euro. Ik vond dat prima, we hadden een autootje, wat zakgeld, dus een mooi leven als student-voetballer. 'We trainden 's avonds, behalve enkele profs zoals Krémer en Louzani, die overdag een extra training kregen van Flaam, een politieagent die zich kon vrijmaken wanneer het nodig was. De meeste spelers had nog een andere job. Guido Mallants deed verzekeringen en Roger de Condé had net een bandenbedrijf opgericht samen met zijn broer, de vader van Dimitri de Condé. ' Af en toe trokken de spelers de stad in of was er een etentje, maar omdat de meeste spelers van ver buiten Brussel kwamen, werd er zelden en weinig gebrusseld. 'Onze kapitein Sulon nam na de training nog de trein terug naar Luik, Marcel Lismont woonde in Sint-Truiden, Smolders in Antwerpen. Maar het was een fijne bende, met een sfeermaker als Smolders. Na de douche verzamelden we in de kantine, waar we er samen een paar dronken. Daarna keerden wij terug naar Leuven, al dan niet naar de Oude Markt', grijnst hij. Hij miste in die twee jaar maar één match, en amper een training. 'Ik trainde graag. Een les missen, dat kon nog eens, maar een training missen wilde ik niet. Ik kan me niet inbeelden dat je iets wat je graag doet niet kunt opbrengen.' Na het tweede seizoen hing Békeffy weer aan de lijn. Dit keer niet voor Anderlecht, maar voor Club Brugge, dat net geen kampioen was geworden en een fikse inspanning deed om zich te versterken. Het haalde ook Ulrik le Fevre en Ruud Geels. Dit keer aarzelde Leekens niet. 'Je weet: twijfel en schrik staan niet in mijn vocabularium. Lef en durf wel. Dus ging ik, toen ik hoorde dat dat mocht. Eerst vreesde ik dat het niet door zou gaan, want Krémer was al weg en Crossing liet elk jaar maar één vaste waarde vertrekken. Uiteindelijk mocht ik toch gaan. Toen is Roger Claessen gekomen, maar ze zijn dat jaar wel gezakt.' Club betaalde zo'n zes miljoen frank aan Crossing, dat de twee broers gehaald had voor een dik half miljoen. Was hij verbaasd dat hij die stap kon zetten? 'Ik was al verbaasd dat ik met mijn broer mee mocht van Houthalen naar Dessel. Dat vond ik al fantastisch.' Ook bij Club mocht hij al vrij snel meedoen, maar dan als centrale verdediger. 'Centrale middenvelder was daar Nico Rijnders. Centraal achterin stond Kurt Axelsson, maar die viel uit met een beenbreuk, waardoor ik kon spelen. Kurt was een echte prof, die heeft me goed opgevangen. Het eerste jaar bij Club heb ik mijn eindwerk nog gemaakt en opende ik mijn kinepraktijk, die ik openhield tot ik naar KV Mechelen ging.' Bij Club mocht hij later van trainer Ernst Happel niet over de middenlijn komen. 'Tot ik op een dag op Beringen oprukte, geen tegenstander tegenkwam en dan maar de bal hard in de winkelhaak trapte, en een provocerend gebaar maakte naar de trainer. De volgende week zat ik op de bank, maar toen waren we al kampioen, dus dat maakte niet veel uit. Maar dat is weer een ander verhaal.'