Uitstekende prestaties met Waasland-Beveren, een bekerfinale met KRC Genk, het seizoen erop kampioen met de Limburgers, vorig jaar bij het stopzetten van de competitie na 29 speeldagen de titel binnenhalen met 15 punten voorsprong en ook dit jaar, na een nieuwe bekerfinale (verloren van Antwerp) om te openen, opnieuw de tegenstand overvleugelend in de reguliere competitie. Mathematisch kan de titel nog voor de tegenstand zijn, maar in principe pakt Philippe Clement (47) straks zijn derde kampioenschap op rij. Niet alleen zijn verdienste: een coach managet dezer dagen een heel team naast het spelersteam.
...

Uitstekende prestaties met Waasland-Beveren, een bekerfinale met KRC Genk, het seizoen erop kampioen met de Limburgers, vorig jaar bij het stopzetten van de competitie na 29 speeldagen de titel binnenhalen met 15 punten voorsprong en ook dit jaar, na een nieuwe bekerfinale (verloren van Antwerp) om te openen, opnieuw de tegenstand overvleugelend in de reguliere competitie. Mathematisch kan de titel nog voor de tegenstand zijn, maar in principe pakt Philippe Clement (47) straks zijn derde kampioenschap op rij. Niet alleen zijn verdienste: een coach managet dezer dagen een heel team naast het spelersteam. Dan is de vraag voor hem, op één seizoen van het einde van zijn contract: Wat doen we? Zijn we uitgewonnen in België? Je moet er op dit moment bij de coach zelf niet mee komen aandraven. Clement zat al samen met zijn zaakwaarnemer en liet die weten: dat is iets voor na het seizoen. Dan zitten club, trainer en makelaar rond de tafel om een balans op te maken. Wie wil wat en wat zijn de mogelijkheden? Philippe Clement is graag in Brugge. Zijn palmares en ambities zijn er gekend. Zijn werklust ook. Wat hij vroeger al moest doen om als speler de top te halen, iets harder werken dan de rest, trekt hij nu door als trainer. Andere troeven: veelzijdigheid en teamwork. De voorbije jaren verzamelde Clement, net als zijn leermeester Michel Preud'homme, een team capabele mensen rond zich. Daar delegeert hij aan. Zo werken ze aan de top, want topclubs, signaleert een zaakwaarnemer die ook actief is over de grenzen, 'kijken verder dan het succes van de voorbije drie, zes maanden. Topclubs kijken ook naar de manier waarop het succes tot stand is gekomen.' Jaren hadden we amper voetballers in het buitenland, laat staan trainers. De gouden generatie van de jaren 80 (finalist op het EK'80, halvefinalist op het WK'86) bleef als voetballer liever onder de kerktoren. Erwin Vandenbergh en Philippe Desmet vonden Rijsel al exotisch en gingen erheen omdat Georges Heylens bij Lille OSC hun trainer was. Pas toen het omkoopschandaal van 1982 Standard decimeerde, gingen er een aantal uitzwermen. De generatie later was iets avontuurlijker: Marc Degryse, Luc Nilis, Enzo Scifo, Geert De Vlieger, Marc Wilmots, Emile Mpenza, Preud'homme... Maar vaak was het avontuur beperkt in tijd én afstand. Weinigen werden trainer in het buitenland. Walter Meeuws ging naar Turkije (waar Urbain Braems pionierde en ook Georges Leekens en Hugo Broos nog terechtkwamen), Preud'homme ging na een succesvolle periode bij AA Gent aan de slag in Twente. Eric Gerets had de mooiste trainerscarrière: Club Brugge, PSV en dan Kaiserslautern, Wolfsburg, Galatasaray en Olympique Marseille. Eigenlijk is hij de enige Belg tot dusver die in de grote competities mocht werken bij ploegen met mogelijkheden. Weliswaar één tot twee decennia geleden, waarbij ook zijn uitstraling als Rode Duivel meetelde. Die heeft straks ook Vincent Kompany, de eerste trainer van een generatie durvers en wereldreizigers. Clement heeft dat niet. Mag hij dromen van Frankrijk, waar Ariël Jacobs na Anderlecht nog aan de slag ging (Valenciennes) of van Duitsland? Hugo Broos, wiens titels met Club en Anderlecht naar eigen zeggen maar weinig losmaakten aan internationale belangstelling: 'Het is realistisch voor Philippe om te dromen van de middenmoot in een van de grote landen. Als je die kans krijgt en je kunt daar goeie resultaten halen, gaat de rest open. Maar het is niet realistisch om te denken dat PSG of Barcelona hem gaan nemen omdat hij drie keer kampioen van België werd.' Een andere makelaar noemt het een dilemma: 'Philippe heeft resultaten neergezet en spelers ontwikkeld, dus ik denk dat er belangstelling zal zijn. De vraag is: van wie? FC Köln is een fantastische club, Metz en Reims zijn dat ook, maar dan kies je voor een ploeg die niet Europees speelt. Financieel kunnen zij iets meer betalen, maar laat je daarvoor Club Brugge en een forum als de Champions League vallen? Hoe graag wil je het, dat is de vraag.' Zitten ze in de grote competities - we laten we dan China of het Midden-Oosten sportief buiten beschouwing - te wachten op een Belgische trainer? Het gevoel van de ene makelaar is: half en half. De andere twijfelt ook: 'Wij zijn in België niet zo chauvinistisch. Onze clubs kijken eerst naar het buitenland voor een coach. Ze nemen er eentje, zien dat dat niet lukt, en nemen dan een Belg om de zaak recht te trekken. Ondertussen is dan vaak veel tijd verloren of zijn er kansen verkeken.' Zijn inschatting klopt. Toen de Belgische competitie in augustus hernam, zaten er elf buitenlandse coaches op de bank. Afgaande op hun paspoort tenminste, want van Karim Belhocine, Ivan Leko of Hérnan Losada kon je na al die jaren in ons land stilaan 'adoptie-Belgen' maken. Inmiddels zijn er al een pak ontslagen of opgestapt, vorige zondag waren de buitenlanders nog met zeven. Waarbij je ook van Mbaye Leye kunt zeggen dat hij niet echt meer mag worden gezien als buitenlander. Philippe Montanier, Paul Clement, Kevin Muscat: ze zijn alweer weg, richting heimat. Hoe open zijn ze in andere landen? Waar ontvangen ze een buitenlander met open armen? De factcheck van de grote competities valt op dat vlak redelijk tegen. De Ligue 1: vijf buitenlandse trainers in 20 clubs. Bij die vijf ook nog eens de Armeniër Michel Der Zakarian (Montpellier) met twintig jaar spelerservaring in Frankrijk, de facto Fransman. De rest zijn internationale toppers à la Jorge Sampaoli, Niko Kovac of Mauricio Pochettino. Vreemde eend in de bijt: Adrian Ursea, een Roemeen die van assistent tot hoofdcoach promoveerde bij Nice. De Serie A is nog geslotener: drie buitenlandse trainers bij twintig clubs. Ivan Juric (Kroaat, Hellas Verona) voetbalde negen jaar in de Serie A, Sinisa Mihajlovic (Serviër, Bologna) zelfs veertien. De facto zijn dat ook 'Italianen'. Paulo Fonseca (Portugees, AS Roma) is hier de vreemde eend. La Liga is ook een lastig verhaal: vijftien Spaanse trainers op 20 clubs. De uitzonderingen hier hebben ofwel veel ervaring als speler in het land ( Diego Simeone zeven jaar, Ronald Koeman zes jaar, Zinedine Zidane vijf jaar) of al een heel parcours afgelegd als coach (de Chileen Manuel Pellegrini is met Betis aan zijn derde team toe). De enige vreemde eend hier: de Argentijn Eduardo Coudet, die faalde bij Vigo als speler, maar er nu coach is. In de Bundesliga werken zeven buitenlandse coaches. In feite zes, want de Griek Dimitrios Grammozis van Schalke is geboren en getogen in Duitsland. Maar ook hier geldt: veel spelerservaring in Duitsland eerder. De Amerikaan Pellegrino Matarazzo (Stuttgart) is al sinds 2000 in Duitsland, de Hongaar Pál Dárdai (Hertha BSC) voetbalde veertien jaar voor de club, terwijl de Deen Bo Svensson (Mainz) zeven jaar voor die ploeg uitkwam. Hier zijn de nieuwkomers 'taalverwanten' (twee Oostenrijkers en een Zwitser). De Premier League staat nog het meeste open voor buitenlandse trainers, al zijn het hier echt wel namen à la José Mourinho, Thomas Tuchel, Carlo Ancelotti, Jürgen Klopp of Pep Guardiola. De Schot David Moyes of de Noord-Ier Brendan Rodgers zijn Britten. Recente buitenlandse nieuwkomers hebben een spelersverleden ( Mikel Arteta, Ole Gunnar Solskjær) of kwamen in het spoor van een sterke makelaar ( Nuno Espirito bij Wolverhampton). De enige die zonder echte faam de sprong maakte was Ralph Hasenhüttl (Southampton). Hij heeft wel een verleden van twee jaar bij RB Leipzig en dat lijkt in de nouvelle vague mee te spelen. Dat laatste zien we in de Eredivisie: 18 clubs en vier buitenlandse trainers (eigenlijk drie, want mogen we de Montenegrijn Zeljko Petrovic na twaalf jaar voetballen in Nederland nog als buitenlander omschrijven?) Drie Duitsers, van wie er twee ( Roger Schmidt van PSV en Thomas Letsch van Vitesse) een Red Bullverleden hebben. De derde, Frank Wormuth van Heracles, heeft tien jaar voor de Duitse voetbalbond gewerkt. Blijven over, als we iets zakken in de sportieve hiërarchie: Griekenland, Turkije of Portugal. Alhoewel. Portugal: 18 clubs in eerste klasse, twee buitenlanders. Twee Spanjaarden. Turkije: 21 clubs in eerste klasse, twee buitenlandse coaches: een Italiaan en de Portugees Ricardo Sá Pinto (ex-Standard). Dan maar Griekenland, met slechts 14 eersteklassers, maar wel zes buitenlanders, onder wie László Bölöni. Of dit: in het Engelse Championship werken zes buitenlandse coaches bij de 24 clubs. Allemaal zonder voetbalervaring in het land. Maar wil Philippe Clement, ex-Coventry, Club Brugge en de Champions League ruilen voor Preston North End uit op een kille vrijdagavond? Het is allemaal nogal redelijk gesloten. Tenzij... Tom Saintfiet, onlangs met Gambia nog geplaatst voor de Afrika Cup (een primeur voor dat land), en met een pak ervaring in diverse buitenlanden, ziet wél een gaatje: 'Opnieuw kampioen van België worden, voldoening halen uit het ontwikkelen van talent en iets doen in de Champions League, ik denk dat er nog voldoende doelen zijn voor zowel Club Brugge als Philippe. Maar als hij er klaar voor is? Waarom niet?' En dan denkt Saintfiet als volgende stap aan Nederland: 'Gerets ging hem voor, van Club Brugge naar PSV. Daar werken klinkt nog altijd meer voor de buitenwereld dan Club Brugge. PSV opende deuren voor Phillip Cocu, Ajax voor Frank De Boer. Overal gefaald, maar wel altijd aanbiedingen. Misschien moet Clement naar PSV. Schmidt werkt daar ook niet honderd procent overtuigend. Als eerste stap voor een Belg is Nederland altijd wat makkelijker. Het grootste probleem is de aanpassing van cultuur. Je denkt: ach, ik beheers het in één land, het zal overal wel zo gaan, maar elk land is toch weer anders. In Nederland voor het kampioenschap gaan spelen, zou een goeie zet zijn.'