In het begin van deze maand, op 6 december, was het alweer dertien jaar geleden dat Raymond Goethals overleed. Geen trainer die zo zijn stempel op de nationale ploeg heeft gedrukt als hij.

Tien jaar lang, tussen 1966 en 1976, was Goethals bondscoach en predikte hij een op zekerheid gemetseld systeem. Weinig trainers ook die de sfeer zo in de groep konden houden als Goethals, die grappen en grollen maakte, maar in blinde woede ontstak als zijn richtlijnen niet werden gevolgd.

Ontelbare anekdotes bestaan er over Goethals. Zoals die ene keer dat hij bij een Braziliaanse club werkte, de krant uit de brievenbus haalde, een verkeerde flat binnenstapte en in de living rustig zat te lezen tot zijn geschrokken buurvrouw binnenkwam.

De flamboyante Goethals gaf altijd de indruk dat hij nood had aan gezelschap, maar was in feite een eenzaat.

Heerlijk was het om Raymond Goethals te interviewen. Of beter: om naar hem te luisteren. Aan een halve vraag had Goethals genoeg om in zijn sappig en kleurrijk taalgebruik aan een exposé te beginnen waaraan geen einde kwam. Dan maakte hij tussendoor aantekeningen op bierviltjes om zijn tactiek te verduidelijken.

Goethals hield alle voetballers op zijn manier in de hand. Toen hij bij Marseille op een gegeven moment de uit blessure terugkerende Eric Cantona op de bank wilde zetten en die zei 'dat je een Cantona niet op de bank zette', antwoordde hij met gladgestreken gezicht: 'Dan zet ik u gewoon naast de bank.'

Raymond Goethals was zeker van zijn aanpak. Hij vond dat er in het voetbal veel blabla werd verkocht en dat een trainer eigenlijk maar één zaak moest doen: zien wat er in een wedstrijd verkeerd loopt en dan ingrijpen. En dat, vond Goethals, zit in de genen. Als trainer, zo debiteerde hij vaak, word je geboren.

Heerlijk was het om Raymond Goethals te interviewen. Of beter: om naar hem te luisteren.

De flamboyante Goethals gaf altijd de indruk dat hij nood had aan gezelschap, maar was in feite een eenzaat. Toen hij in 1993 met Marseille de Champions League won, slofte hij achteraf helemaal alleen naar het hotel waar hij woonde. Terwijl in de stad het feest losbarstte, zat hij op zijn terras rustig een sigaretje te roken. Het was zijn manier om te genieten.

Eén schaduwvlek kleeft er aan de carrière van Raymond Goethals. Hij was in 1982 verwikkeld in de omkoopaffaire rond de memorabele wedstrijd tussen Standard en Waterschei, maar minimaliseerde alles en deed dat af op zijn manier: 'Het was veel bazaar voor niets.'

Veel liever stond Raymond Goethals stil bij zijn palmares: hij won twee van de zeven Europese finales die hij speelde, pakte twee keer de supercup, werd vijf keer landskampioen en veroverde zes nationale bekers.

Jacques Sys, hoofdredacteur van Sport/Voetbalmagazine en al ruim 40 jaar in de journalistiek, graaft iedere zaterdag in zijn archief.

In het begin van deze maand, op 6 december, was het alweer dertien jaar geleden dat Raymond Goethals overleed. Geen trainer die zo zijn stempel op de nationale ploeg heeft gedrukt als hij. Tien jaar lang, tussen 1966 en 1976, was Goethals bondscoach en predikte hij een op zekerheid gemetseld systeem. Weinig trainers ook die de sfeer zo in de groep konden houden als Goethals, die grappen en grollen maakte, maar in blinde woede ontstak als zijn richtlijnen niet werden gevolgd. Ontelbare anekdotes bestaan er over Goethals. Zoals die ene keer dat hij bij een Braziliaanse club werkte, de krant uit de brievenbus haalde, een verkeerde flat binnenstapte en in de living rustig zat te lezen tot zijn geschrokken buurvrouw binnenkwam.Heerlijk was het om Raymond Goethals te interviewen. Of beter: om naar hem te luisteren. Aan een halve vraag had Goethals genoeg om in zijn sappig en kleurrijk taalgebruik aan een exposé te beginnen waaraan geen einde kwam. Dan maakte hij tussendoor aantekeningen op bierviltjes om zijn tactiek te verduidelijken. Goethals hield alle voetballers op zijn manier in de hand. Toen hij bij Marseille op een gegeven moment de uit blessure terugkerende Eric Cantona op de bank wilde zetten en die zei 'dat je een Cantona niet op de bank zette', antwoordde hij met gladgestreken gezicht: 'Dan zet ik u gewoon naast de bank.'Raymond Goethals was zeker van zijn aanpak. Hij vond dat er in het voetbal veel blabla werd verkocht en dat een trainer eigenlijk maar één zaak moest doen: zien wat er in een wedstrijd verkeerd loopt en dan ingrijpen. En dat, vond Goethals, zit in de genen. Als trainer, zo debiteerde hij vaak, word je geboren.De flamboyante Goethals gaf altijd de indruk dat hij nood had aan gezelschap, maar was in feite een eenzaat. Toen hij in 1993 met Marseille de Champions League won, slofte hij achteraf helemaal alleen naar het hotel waar hij woonde. Terwijl in de stad het feest losbarstte, zat hij op zijn terras rustig een sigaretje te roken. Het was zijn manier om te genieten.Eén schaduwvlek kleeft er aan de carrière van Raymond Goethals. Hij was in 1982 verwikkeld in de omkoopaffaire rond de memorabele wedstrijd tussen Standard en Waterschei, maar minimaliseerde alles en deed dat af op zijn manier: 'Het was veel bazaar voor niets.'Veel liever stond Raymond Goethals stil bij zijn palmares: hij won twee van de zeven Europese finales die hij speelde, pakte twee keer de supercup, werd vijf keer landskampioen en veroverde zes nationale bekers.