Zo snel, zo soepel, zo sierlijk, zo subtiel, zo ongrijpbaar.

Met soms lyrische bewoordingen en getuigenissen werd de voorbije dagen de klasse geaccentueerd van de afgelopen vrijdag overleden Robbie Rensenbrink. Een aanvaller die het voetbal tot kunst verhief, met zijn onnavolgbare en puur op intuïtie uitgevoerde passeerbewegingen altijd het duel zocht en vooral boven zichzelf uitsteeg als het stadion vol zat, de lucht zwanger was van verwachting en er aan de andere kant internationale topspelers stonden. Dan kon hij, zoals in een memorabele Europese wedstrijd tegen Bayern München, zelfs dollen met een icoon als Franz Beckenbauer.

Geen moment in zijn carrière heeft Rob Rensenbrink zichzelf op een voetstuk gezet. Hij stapte het veld op en trok zijn trukendoos open. En hij trainde omdat dit nu eenmaal zo hoorde. Aan boslopen had hij een hekel. Toen de spelers van Anderlecht het Zoniënwoud indoken, probeerde hij zich altijd af te zonderen en een kortere weg te vinden. Het belette hem niet om uit te groeien tot de beste speler uit de clubgeschiedenis. Met een straat voorsprong, zoals zijn ex-ploegmaat en vriend Gille Van Binst het de voorbije dagen nog benadrukte.

Rob Rensenbrink praatte zelden over voetbal. Interviews met hem waren zeker de eerste jaren een kwelling. Toch bleek hij in zijn Brugse periode in zijn allereerste uitgebreide gesprek een visionair te zijn: tussen alle clichéantwoorden door liet hij zich ontvallen dat Club, dat toen op de Klokke voetbalde, dringend nood had aan een groot en nieuw stadion als het Europees wilde groeien. Een thema dat veel later brandend actueel zou worden.

Al bij Club Brugge flitste en soleerde Robbie Rensenbrink bij momenten, aangestuurd door zijn geniaal linkerbeen. Maar pas bij Anderlecht groeide hij negen jaar lang uit tot het creatief brein van de ploeg. Hij kronkelde zich langs de tegenstanders, hij bewoog zich over het veld als een slang, was aangever en vormgever, scoorde vaak, al toonde hij daarbij nooit grote emoties. Rensenbrink stak gewoon zijn hand op en liep naar de eigen helft, hij liet zich zelden betrappen op passie en hartstocht.

Rensenbrink zou niet passen in dit tijdperk met vedetten.

Die attitude was het gevolg van zijn introverte karakter. Rensenbrink was en bleef altijd een eenzaat die liever thuis zat dan dat hij op het veld. stond. Achter zijn huis in Oostzaan liep een watertje. Rensenbrink kon een hele dag vissen zonder een woord te zeggen. Het was zijn favoriete tijdverdrijf nadat hij in 1981 met voetbal was gestopt. Werken deed hij toen niet meer. Kennelijk had Rensenbrink, die zich heel zijn voetbalcarrière door het financiële liet leiden en over wiens extreme zuinigheid er legendarische verhalen bestaan, voldoende verdiend. Hij verkocht later zijn villa om in een bescheiden rijhuis te gaan wonen. Ook dat typeerde Rensenbrink: patserigheid was niet aan hem besteed.

Rob Rensenbrink toefde liefst in de luwte. Opmerkelijk daarom was het dat er in 2017 over hem een biografie verscheen. Rensenbrink blikte daarin terug op zijn carrière. Zonder met mensen af te rekenen, dat lag niet in zijn aard.

In juli vorig jaar was Rensenbrink nog in Brussel. Hij vierde er zijn 72e verjaardag. Duidelijk verzwakt door de spierziekte PSMA die in 2015 bij hem was vastgesteld. Bij Anderlecht zal hij nu de geschiedenis ingaan als een legende. Een voetballer die zich daar amuseerde in het theater van de artisticiteit en frivoliteit. Maar een voetballer ook die niet zou passen in dit tijdperk, waarin vedetten uitgroeien tot popsterren.

Ergens bleef Rob Rensenbrink altijd de timmermansleerling. Bescheiden opgevoed en zonder veel poespas door het leven stappend. Het praten liet hij altijd aan anderen over. Het voetballen daarentegen...

Zo snel, zo soepel, zo sierlijk, zo subtiel, zo ongrijpbaar. Met soms lyrische bewoordingen en getuigenissen werd de voorbije dagen de klasse geaccentueerd van de afgelopen vrijdag overleden Robbie Rensenbrink. Een aanvaller die het voetbal tot kunst verhief, met zijn onnavolgbare en puur op intuïtie uitgevoerde passeerbewegingen altijd het duel zocht en vooral boven zichzelf uitsteeg als het stadion vol zat, de lucht zwanger was van verwachting en er aan de andere kant internationale topspelers stonden. Dan kon hij, zoals in een memorabele Europese wedstrijd tegen Bayern München, zelfs dollen met een icoon als Franz Beckenbauer. Geen moment in zijn carrière heeft Rob Rensenbrink zichzelf op een voetstuk gezet. Hij stapte het veld op en trok zijn trukendoos open. En hij trainde omdat dit nu eenmaal zo hoorde. Aan boslopen had hij een hekel. Toen de spelers van Anderlecht het Zoniënwoud indoken, probeerde hij zich altijd af te zonderen en een kortere weg te vinden. Het belette hem niet om uit te groeien tot de beste speler uit de clubgeschiedenis. Met een straat voorsprong, zoals zijn ex-ploegmaat en vriend Gille Van Binst het de voorbije dagen nog benadrukte. Rob Rensenbrink praatte zelden over voetbal. Interviews met hem waren zeker de eerste jaren een kwelling. Toch bleek hij in zijn Brugse periode in zijn allereerste uitgebreide gesprek een visionair te zijn: tussen alle clichéantwoorden door liet hij zich ontvallen dat Club, dat toen op de Klokke voetbalde, dringend nood had aan een groot en nieuw stadion als het Europees wilde groeien. Een thema dat veel later brandend actueel zou worden. Al bij Club Brugge flitste en soleerde Robbie Rensenbrink bij momenten, aangestuurd door zijn geniaal linkerbeen. Maar pas bij Anderlecht groeide hij negen jaar lang uit tot het creatief brein van de ploeg. Hij kronkelde zich langs de tegenstanders, hij bewoog zich over het veld als een slang, was aangever en vormgever, scoorde vaak, al toonde hij daarbij nooit grote emoties. Rensenbrink stak gewoon zijn hand op en liep naar de eigen helft, hij liet zich zelden betrappen op passie en hartstocht. Die attitude was het gevolg van zijn introverte karakter. Rensenbrink was en bleef altijd een eenzaat die liever thuis zat dan dat hij op het veld. stond. Achter zijn huis in Oostzaan liep een watertje. Rensenbrink kon een hele dag vissen zonder een woord te zeggen. Het was zijn favoriete tijdverdrijf nadat hij in 1981 met voetbal was gestopt. Werken deed hij toen niet meer. Kennelijk had Rensenbrink, die zich heel zijn voetbalcarrière door het financiële liet leiden en over wiens extreme zuinigheid er legendarische verhalen bestaan, voldoende verdiend. Hij verkocht later zijn villa om in een bescheiden rijhuis te gaan wonen. Ook dat typeerde Rensenbrink: patserigheid was niet aan hem besteed. Rob Rensenbrink toefde liefst in de luwte. Opmerkelijk daarom was het dat er in 2017 over hem een biografie verscheen. Rensenbrink blikte daarin terug op zijn carrière. Zonder met mensen af te rekenen, dat lag niet in zijn aard. In juli vorig jaar was Rensenbrink nog in Brussel. Hij vierde er zijn 72e verjaardag. Duidelijk verzwakt door de spierziekte PSMA die in 2015 bij hem was vastgesteld. Bij Anderlecht zal hij nu de geschiedenis ingaan als een legende. Een voetballer die zich daar amuseerde in het theater van de artisticiteit en frivoliteit. Maar een voetballer ook die niet zou passen in dit tijdperk, waarin vedetten uitgroeien tot popsterren. Ergens bleef Rob Rensenbrink altijd de timmermansleerling. Bescheiden opgevoed en zonder veel poespas door het leven stappend. Het praten liet hij altijd aan anderen over. Het voetballen daarentegen...