Vreemd was het wel: toen Rob Rensenbrink in 1969 bij Club Brugge arriveerde, stonden er al zes interlands achter zijn naam, ook al had hij als linksbuiten veel concurrentie van illustere voetballers als Piet Keizer en Coen Moulijn. Toch was hij internationaal compleet onbekend.

Er werden in die tijd amper internationale wedstrijden door de televisie uitgezonden en het kwam er voor de clubs vooral op aan over het juiste netwerk te beschikken. Bovendien voetbalde Rensenbrink voor DWS Amsterdam, een club die leefde in de schaduw van Ajax en zijn thuiswedstrijden afwerkte in het kille Olympisch Stadion, voor een handvol supporters.

Club Brugge beschikte over een waaier van connecties die de toenmalige bestuurder Joseph Hutsebaut in Nederland had opgebouwd. Zo kon het Rensenbrink strikken. Maar de klassiek geschoolde linksbuiten aardde nooit echt bij blauw-zwart dat zijn spel te veel op Raoul Lambert afstemde. Dat zinde Rensenbrink niet. Soms waren er momenten van grote klasse, soms zakte hij helemaal weg.

Bovendien bleek Rensenbrink een eenzaat die absoluut niet paste binnen de familiegeest van Club Brugge. Hij zei amper iets, ook al had Club speciaal voor hem een landgenoot aangetrokken: Henk Houwaart bij wie hij een tijd inwoonde en met wie hij later elke dag in zijn garage pingpong speelde.

Hekel aan tactiek

Rob Rensenbrink zou in 1971 voor omgerekend 150.000 euro en in ruil voor twee spelers (Wilfried Puis en Johnny Velkeneers) naar Anderlecht vertrekken en daar uitgroeien tot een speler van wereldklasse. Hij veroverde het Astridpark door zijn kunstzinnige manier van voetballen.

Rensenbrink was een denker die puur op intuïtie voetbalde en een hekel had aan tactiek. Hij besliste pas op het laatste moment wat hij met de bal ging doen, hij liet dat over aan de ingeving van het moment. Met zijn dribbels en passeerbewegingen terroriseerde hij zijn tegenstanders, een Nederlandse journalist gaf hem de bijnaam Het Slangenmens.

Ook bij Anderlecht bleef Rob Rensenbrink gesloten als een oester. Hij dwong door zijn prestaties op een natuurlijke manier leiderschap af. Ook bij paars-wit kon hij zich niet voor iedere wedstrijd opladen. Meestal was hij een en al gretigheid, soms leek hij te mijmeren langs de zijlijn. Het hing van zijn instelling af. En van de prikkels die hij kreeg.

Toen Anderlecht in 1978 de finale van de Europacup voor Bekerwinnaars speelde, in Parijs tegen Austria Wien, hadden zijn ploegmaats een interview met de Oostenrijkse rechtsachter Robert Sara in de kleedkamer opgehangen. Wat die wel te vertellen had, wilde Rensenbrink weten. 'Dat jij er niets van kan', antwoordde zijn ploegmaat Gille Van Binst, altijd te vinden voor een grapje. Vervolgens liet Rensenbrink zijn tegenspeler alle hoeken van het veld zien en scoorde twee keer in de door Anderlecht met 4-0 gewonnen wedstrijd.

Maar als Anderlecht in Beringen aantrad en de spelersbus langs die mijnwerkershuisjes passeerde, werd hij depressief. Niet toevallig zei Raymond Goethals dat Robbie voor galawedstrijden altijd zijn smoking aantrok en dat voor gewone matchen een overall volstond. Rensenbrink dacht altijd in het belang van de ploeg en de winstpremies, ook toen het na het WK van 1978 tot een ruzie kwam met Arie Haan viel daar op het veld niets van te merken.

Vissen

Rob Rensenbrink speelde 47 interlands, maar in Nederland was hij alleen wereldberoemd vanwege een schot op de paal in de laatste minuut van de WK-finale van 1978 in en tegen Argentinië. Negen jaar zou Rensenbrink voor Anderlecht voetballen, ook al probeerden Ajax en Real Madrid hem tussendoor aan te trekken. Maar voorzitter Constant Vanden Stockontliep telkens weer de onderhandelingen. Hij wilde zijn paradepaard onder geen enkele voorwaarde laten vertrekken.

Rensenbrink won met Anderlecht drie titels, vier bekers en twee Europacups. Hij pakte in 1976 de Gouden Schoen en was in hetzelfde jaar tweede in het referendum om de Gouden Bal, na Franz Beckenbauer.

Bitter was in 1980 wel zijn afscheid aan de Brusselse club: na zijn laatste wedstrijd, op het veld van Beerschot, kreeg hij van een trouwe fan alleen een bloemetje, van het bestuur hoorde hij niets. Toen hij de volgende ochtend op de luchthaven van Zaventem stond - hij zou zijn carrière in Portland verderzetten - kwam alleen masseur Fernand Beeckmanhem uitwuiven. Het afscheid deed pijn. Maar door zijn groot relativeringsvermogen kon Rensenbrink het plaatsen.

Hij keerde na zijn carrière nog verschillende keren terug naar Anderlecht. Ook toen in 2015 bij hem de spierziekte PSMA werd vastgesteld. Rensenbrink takelde langzaam af, maar hij droeg zijn lot op een bewonderenswaardige manier. Klagen lag niet in zijn aard, de aandacht zocht hij nooit. Rob Rensenbrink was een geniale maar uiterst bescheiden voetballer. Dat vissen zijn hobby was, paste absoluut bij zijn karakter.

Rob Rensenbrink overleed zaterdag op 72-jarige leeftijd.

Vreemd was het wel: toen Rob Rensenbrink in 1969 bij Club Brugge arriveerde, stonden er al zes interlands achter zijn naam, ook al had hij als linksbuiten veel concurrentie van illustere voetballers als Piet Keizer en Coen Moulijn. Toch was hij internationaal compleet onbekend. Er werden in die tijd amper internationale wedstrijden door de televisie uitgezonden en het kwam er voor de clubs vooral op aan over het juiste netwerk te beschikken. Bovendien voetbalde Rensenbrink voor DWS Amsterdam, een club die leefde in de schaduw van Ajax en zijn thuiswedstrijden afwerkte in het kille Olympisch Stadion, voor een handvol supporters.Club Brugge beschikte over een waaier van connecties die de toenmalige bestuurder Joseph Hutsebaut in Nederland had opgebouwd. Zo kon het Rensenbrink strikken. Maar de klassiek geschoolde linksbuiten aardde nooit echt bij blauw-zwart dat zijn spel te veel op Raoul Lambert afstemde. Dat zinde Rensenbrink niet. Soms waren er momenten van grote klasse, soms zakte hij helemaal weg. Bovendien bleek Rensenbrink een eenzaat die absoluut niet paste binnen de familiegeest van Club Brugge. Hij zei amper iets, ook al had Club speciaal voor hem een landgenoot aangetrokken: Henk Houwaart bij wie hij een tijd inwoonde en met wie hij later elke dag in zijn garage pingpong speelde.Rob Rensenbrink zou in 1971 voor omgerekend 150.000 euro en in ruil voor twee spelers (Wilfried Puis en Johnny Velkeneers) naar Anderlecht vertrekken en daar uitgroeien tot een speler van wereldklasse. Hij veroverde het Astridpark door zijn kunstzinnige manier van voetballen.Rensenbrink was een denker die puur op intuïtie voetbalde en een hekel had aan tactiek. Hij besliste pas op het laatste moment wat hij met de bal ging doen, hij liet dat over aan de ingeving van het moment. Met zijn dribbels en passeerbewegingen terroriseerde hij zijn tegenstanders, een Nederlandse journalist gaf hem de bijnaam Het Slangenmens. Ook bij Anderlecht bleef Rob Rensenbrink gesloten als een oester. Hij dwong door zijn prestaties op een natuurlijke manier leiderschap af. Ook bij paars-wit kon hij zich niet voor iedere wedstrijd opladen. Meestal was hij een en al gretigheid, soms leek hij te mijmeren langs de zijlijn. Het hing van zijn instelling af. En van de prikkels die hij kreeg. Toen Anderlecht in 1978 de finale van de Europacup voor Bekerwinnaars speelde, in Parijs tegen Austria Wien, hadden zijn ploegmaats een interview met de Oostenrijkse rechtsachter Robert Sara in de kleedkamer opgehangen. Wat die wel te vertellen had, wilde Rensenbrink weten. 'Dat jij er niets van kan', antwoordde zijn ploegmaat Gille Van Binst, altijd te vinden voor een grapje. Vervolgens liet Rensenbrink zijn tegenspeler alle hoeken van het veld zien en scoorde twee keer in de door Anderlecht met 4-0 gewonnen wedstrijd.Maar als Anderlecht in Beringen aantrad en de spelersbus langs die mijnwerkershuisjes passeerde, werd hij depressief. Niet toevallig zei Raymond Goethals dat Robbie voor galawedstrijden altijd zijn smoking aantrok en dat voor gewone matchen een overall volstond. Rensenbrink dacht altijd in het belang van de ploeg en de winstpremies, ook toen het na het WK van 1978 tot een ruzie kwam met Arie Haan viel daar op het veld niets van te merken.Rob Rensenbrink speelde 47 interlands, maar in Nederland was hij alleen wereldberoemd vanwege een schot op de paal in de laatste minuut van de WK-finale van 1978 in en tegen Argentinië. Negen jaar zou Rensenbrink voor Anderlecht voetballen, ook al probeerden Ajax en Real Madrid hem tussendoor aan te trekken. Maar voorzitter Constant Vanden Stockontliep telkens weer de onderhandelingen. Hij wilde zijn paradepaard onder geen enkele voorwaarde laten vertrekken. Rensenbrink won met Anderlecht drie titels, vier bekers en twee Europacups. Hij pakte in 1976 de Gouden Schoen en was in hetzelfde jaar tweede in het referendum om de Gouden Bal, na Franz Beckenbauer.Bitter was in 1980 wel zijn afscheid aan de Brusselse club: na zijn laatste wedstrijd, op het veld van Beerschot, kreeg hij van een trouwe fan alleen een bloemetje, van het bestuur hoorde hij niets. Toen hij de volgende ochtend op de luchthaven van Zaventem stond - hij zou zijn carrière in Portland verderzetten - kwam alleen masseur Fernand Beeckmanhem uitwuiven. Het afscheid deed pijn. Maar door zijn groot relativeringsvermogen kon Rensenbrink het plaatsen. Hij keerde na zijn carrière nog verschillende keren terug naar Anderlecht. Ook toen in 2015 bij hem de spierziekte PSMA werd vastgesteld. Rensenbrink takelde langzaam af, maar hij droeg zijn lot op een bewonderenswaardige manier. Klagen lag niet in zijn aard, de aandacht zocht hij nooit. Rob Rensenbrink was een geniale maar uiterst bescheiden voetballer. Dat vissen zijn hobby was, paste absoluut bij zijn karakter.Rob Rensenbrink overleed zaterdag op 72-jarige leeftijd.