Veel reddingen = goede doelman?

Geen enkele speler is zo afhankelijk van zijn ploeg als een doelman. Als keeper ben je vaak overgeleverd aan de grillen van de tien speler voor je. En ook al moet een doelman tegenwoordig zeker ook kunnen meevoetballen, uiteindelijk worden ze afgerekend op de ballen die ze (niet) pakken. Maar niet elke keeper heeft het dus altijd even zwaar. Met een goede verdediging verloopt de match al heel wat rustiger en is de kans op een tegengoal een stuk kleiner.

Afgelopen seizoen slikten Mignolet en Penneteau veruit de minste tegengoals, niet toevallig spelen zij voor de nummer één en drie uit het klassement. In 2018/19 hadden de nummers één en twee met Vukovic en Horvath ook elk een vertegenwoordiger bovenaan dat lijstje. Maar zijn zij daarom ook de beste doelmannen of is dat vooral te danken aan de verdediging? Want een keeper moet toch punten pakken?

Daar heeft een doelman bij een degradatiekandidaat natuurlijk meer kansen toe. Bovenaan het lijstje met meeste reddingen staan steevast de keepers van ploegen onderaan het klassement. Afgelopen seizoen haalden twee doelmannen van Cercle (Hubert en Badiashile) en twee van STVV (Steppe en Schmidt) de top vijf van meeste saves per 90 gespeelde minuten. Hendrik Van Combrugge kreeg in totaal de meeste reddingen achter zijn naam. In 2018/19 was dat Davy Roef van Waasland-Beveren, dat voorlaatste was geëindigd.

Bij een zwakkere ploeg hebben keepers dus altijd meer werk dan bij een sterk team. Om hun prestaties op een eerlijkere manier te vergelijken, wordt er daarom vaak gekeken naar het percentage van de reddingen. Dan is het aantal saves niet meer het belangrijkste, maar wel hoe vaak dat lukte ten opzichte van het aantal doelpogingen. Afgelopen seizoen behaalden opnieuw Mignolet (84%) en Penneteau (74%), maar ook Jakubech (73%) daar de mooiste cijfers.

Van Crombrugge maakte vorig seizoen de meeste reddingen, Belga Image
Van Crombrugge maakte vorig seizoen de meeste reddingen © Belga Image

Is elke schot even moeilijk?

Maar er is één probleem met het percentage saves: het telt elk schot als evenwaardig, maar dat is in de realiteit natuurlijk niet zo. Het lijkt logisch dat pakweg Antwerp gemiddeld minder grote kansen weggaf dan bijvoorbeeld Eupen. Dat betekent dat Ortwin De Wolf (68% afgelopen seizoen) veel moeilijkere reddingen moest verrichten dan Sinan Bolat (71%) om hetzelfde percentage te halen.

Expected Goals kan daarvoor een oplossing bieden. Door de waarde van de doelpogingen af te wegen tegenover hoeveel er effectief een doelpunt opleverden, kunnen we berekenen welke keeper de meeste grote kansen tegenhield en dus letterlijk de meeste punten pakte. Ook op dat vlak scoort kampioenenmaker Simon Mignolet erg goed, maar opvallend genoeg was Vaso Vasic nog een stuk belangrijker voor zijn Mouscron in de 13 matchen dat hij onder de lat stond. Als we onze vergelijking van Bolat en De Wolf er weer bijhalen, blijkt dat zij nagenoeg even veel punten pakten voor hun ploegen afgelopen seizoen. Bolat redde dus procentueel gezien meer kansen, maar De Wolf stopte vaker moeilijkere ballen.

Ook Expected Goals heeft echter zijn beperkingen. De methode meet enkel de waarde van de doelpoging vóór de bal getrapt is (de locatie van het schot, de situatie, enzovoort), maar niet de moeilijkheid van het schot zelf. Een poging vanop 25 meter heeft misschien maar 1% kans om erin te gaan, maar als die richting winkelhaak gaat, is die moeilijker te pakken dan een zwak schot van binnen de backlijn.

De oplossing?

Sinds kort is ook daar een oplossing voor: Post shot Expected Goals (of xG2 genoemd). In plaats van de kans te berekenen dat een bepaalde situatie een doelpunt oplevert, wordt berekend hoe moeilijk de bal te pakken is voor de keeper (vliegt de bal laag naar het midden of boven in de hoek, hoe hard is het schot, enzovoort). Dit gebeurt opnieuw door duizenden gelijkaardige schoten te vergelijken en te bekijken hoe vaak die een goal opleverden.

Helaas bestaan dergelijke cijfers vandaag nog niet voor de Jupiler Pro League, maar wel voor de grote Europese competities. In de Premier League bijvoorbeeld bouwde Liverpool zijn eerste landstitel in dertig jaar vooral op een ijzersterke verdediging. Het gaf weinig weg en slikte nauwelijks goals. Maar was dat nu te danken aan de verdedigers of aan de doelman? De ploeg van Jürgen Klopp kreeg 33 goals tegen, terwijl de Expected Goals tonen dat ze genoeg kansen weggaven om 40 tegendoelpunten te slikken.

Is de verdediging of de keeper van Liverpool zo goed?, GETTY
Is de verdediging of de keeper van Liverpool zo goed? © GETTY

Op het eerste gezicht lijken keepers Alisson en Adrián 7 goals meer 'gered' te hebben dan een gemiddelde keeper. De 'Post Shot Expected Goals' wijzen er echter op dat slechts 32 tegengoals te verwachten waren voor de Reds als we puur naar de kwaliteit van de schoten kijken. De vijandelijke spitsen werkten dus een stuk zwakker af dan gemiddeld, mogelijk doordat de Liverpoolverdediging hen het leven zuur maakte. Eigenlijk lieten de keepers dus 1 goal meer binnen dan een gemiddelde doelman.

Een ander voorbeeld: Thibaut Courtois werd in de Belgische pers bewierookt voor zijn inbreng in de landstitel van Real Madrid. Ook de Koninklijke bouwde zijn triomf op een ondoordringbare verdediging, maar hoe groot was het aandeel van onze nationale nummer één daarin? In de 34 matchen dat hij onder de lat stond in de competitie, moest hij 95 ballen pakken en 79% van de tijd lukte dat ook. 20 keer moest hij zich gewonnen geven. De 'Post Shot Expected Goals' geven echter aan dat dat een gemiddelde keeper er 23 zou hebben binnengelaten. Courtois voorkwam dus 3 goals meer dan een gemiddelde doelman en had zo een belangrijk aandeel in de eerste landstitel in drie jaar van Real.

Zo'n cijfers en analyses kunnen ons dus helpen in het correcter evalueren van doelmannen. Het aantal tegengoals of reddingen kan een eerste stap zijn, maar om echt te weten wat een keeper bijdraagt aan zijn ploeg moeten we dieper graven. Toch zal de man onder de lat ook altijd afhankelijk zijn van hoe goed zijn ploeg verdedigt. Hoe je dat best kan doen, is weer stof voor een volgende les.

Veel reddingen = goede doelman?Geen enkele speler is zo afhankelijk van zijn ploeg als een doelman. Als keeper ben je vaak overgeleverd aan de grillen van de tien speler voor je. En ook al moet een doelman tegenwoordig zeker ook kunnen meevoetballen, uiteindelijk worden ze afgerekend op de ballen die ze (niet) pakken. Maar niet elke keeper heeft het dus altijd even zwaar. Met een goede verdediging verloopt de match al heel wat rustiger en is de kans op een tegengoal een stuk kleiner. Afgelopen seizoen slikten Mignolet en Penneteau veruit de minste tegengoals, niet toevallig spelen zij voor de nummer één en drie uit het klassement. In 2018/19 hadden de nummers één en twee met Vukovic en Horvath ook elk een vertegenwoordiger bovenaan dat lijstje. Maar zijn zij daarom ook de beste doelmannen of is dat vooral te danken aan de verdediging? Want een keeper moet toch punten pakken?Daar heeft een doelman bij een degradatiekandidaat natuurlijk meer kansen toe. Bovenaan het lijstje met meeste reddingen staan steevast de keepers van ploegen onderaan het klassement. Afgelopen seizoen haalden twee doelmannen van Cercle (Hubert en Badiashile) en twee van STVV (Steppe en Schmidt) de top vijf van meeste saves per 90 gespeelde minuten. Hendrik Van Combrugge kreeg in totaal de meeste reddingen achter zijn naam. In 2018/19 was dat Davy Roef van Waasland-Beveren, dat voorlaatste was geëindigd. Bij een zwakkere ploeg hebben keepers dus altijd meer werk dan bij een sterk team. Om hun prestaties op een eerlijkere manier te vergelijken, wordt er daarom vaak gekeken naar het percentage van de reddingen. Dan is het aantal saves niet meer het belangrijkste, maar wel hoe vaak dat lukte ten opzichte van het aantal doelpogingen. Afgelopen seizoen behaalden opnieuw Mignolet (84%) en Penneteau (74%), maar ook Jakubech (73%) daar de mooiste cijfers. Is elke schot even moeilijk?Maar er is één probleem met het percentage saves: het telt elk schot als evenwaardig, maar dat is in de realiteit natuurlijk niet zo. Het lijkt logisch dat pakweg Antwerp gemiddeld minder grote kansen weggaf dan bijvoorbeeld Eupen. Dat betekent dat Ortwin De Wolf (68% afgelopen seizoen) veel moeilijkere reddingen moest verrichten dan Sinan Bolat (71%) om hetzelfde percentage te halen. Expected Goals kan daarvoor een oplossing bieden. Door de waarde van de doelpogingen af te wegen tegenover hoeveel er effectief een doelpunt opleverden, kunnen we berekenen welke keeper de meeste grote kansen tegenhield en dus letterlijk de meeste punten pakte. Ook op dat vlak scoort kampioenenmaker Simon Mignolet erg goed, maar opvallend genoeg was Vaso Vasic nog een stuk belangrijker voor zijn Mouscron in de 13 matchen dat hij onder de lat stond. Als we onze vergelijking van Bolat en De Wolf er weer bijhalen, blijkt dat zij nagenoeg even veel punten pakten voor hun ploegen afgelopen seizoen. Bolat redde dus procentueel gezien meer kansen, maar De Wolf stopte vaker moeilijkere ballen.Ook Expected Goals heeft echter zijn beperkingen. De methode meet enkel de waarde van de doelpoging vóór de bal getrapt is (de locatie van het schot, de situatie, enzovoort), maar niet de moeilijkheid van het schot zelf. Een poging vanop 25 meter heeft misschien maar 1% kans om erin te gaan, maar als die richting winkelhaak gaat, is die moeilijker te pakken dan een zwak schot van binnen de backlijn. De oplossing?Sinds kort is ook daar een oplossing voor: Post shot Expected Goals (of xG2 genoemd). In plaats van de kans te berekenen dat een bepaalde situatie een doelpunt oplevert, wordt berekend hoe moeilijk de bal te pakken is voor de keeper (vliegt de bal laag naar het midden of boven in de hoek, hoe hard is het schot, enzovoort). Dit gebeurt opnieuw door duizenden gelijkaardige schoten te vergelijken en te bekijken hoe vaak die een goal opleverden. Helaas bestaan dergelijke cijfers vandaag nog niet voor de Jupiler Pro League, maar wel voor de grote Europese competities. In de Premier League bijvoorbeeld bouwde Liverpool zijn eerste landstitel in dertig jaar vooral op een ijzersterke verdediging. Het gaf weinig weg en slikte nauwelijks goals. Maar was dat nu te danken aan de verdedigers of aan de doelman? De ploeg van Jürgen Klopp kreeg 33 goals tegen, terwijl de Expected Goals tonen dat ze genoeg kansen weggaven om 40 tegendoelpunten te slikken. Op het eerste gezicht lijken keepers Alisson en Adrián 7 goals meer 'gered' te hebben dan een gemiddelde keeper. De 'Post Shot Expected Goals' wijzen er echter op dat slechts 32 tegengoals te verwachten waren voor de Reds als we puur naar de kwaliteit van de schoten kijken. De vijandelijke spitsen werkten dus een stuk zwakker af dan gemiddeld, mogelijk doordat de Liverpoolverdediging hen het leven zuur maakte. Eigenlijk lieten de keepers dus 1 goal meer binnen dan een gemiddelde doelman.Een ander voorbeeld: Thibaut Courtois werd in de Belgische pers bewierookt voor zijn inbreng in de landstitel van Real Madrid. Ook de Koninklijke bouwde zijn triomf op een ondoordringbare verdediging, maar hoe groot was het aandeel van onze nationale nummer één daarin? In de 34 matchen dat hij onder de lat stond in de competitie, moest hij 95 ballen pakken en 79% van de tijd lukte dat ook. 20 keer moest hij zich gewonnen geven. De 'Post Shot Expected Goals' geven echter aan dat dat een gemiddelde keeper er 23 zou hebben binnengelaten. Courtois voorkwam dus 3 goals meer dan een gemiddelde doelman en had zo een belangrijk aandeel in de eerste landstitel in drie jaar van Real. Zo'n cijfers en analyses kunnen ons dus helpen in het correcter evalueren van doelmannen. Het aantal tegengoals of reddingen kan een eerste stap zijn, maar om echt te weten wat een keeper bijdraagt aan zijn ploeg moeten we dieper graven. Toch zal de man onder de lat ook altijd afhankelijk zijn van hoe goed zijn ploeg verdedigt. Hoe je dat best kan doen, is weer stof voor een volgende les.