Er zijn, in een lange journalistieke carrière, van die momenten die je niet vergeet. Momenten van tragiek, van ingetogenheid, van verdriet. Bij de allereerste editie van de Memorial Ivo Van Damme bijvoorbeeld, in 1977, toen de Nieuw-Zeelander John Walker de 1500 meter won, het nummer waarop de betreurde Van Damme tijdens de Olympische Spelen van Montréal na dezelfde Walker zilver had behaald. Nu, in Brussel, kreeg Walker van vader Van Damme een medaille. Hij stapte van het podium en omhelsde Ivo's ontroerde vader. Het stadion werd herschapen in een tranendal, iedereen liet zijn emoties de vrije loop.
...

Er zijn, in een lange journalistieke carrière, van die momenten die je niet vergeet. Momenten van tragiek, van ingetogenheid, van verdriet. Bij de allereerste editie van de Memorial Ivo Van Damme bijvoorbeeld, in 1977, toen de Nieuw-Zeelander John Walker de 1500 meter won, het nummer waarop de betreurde Van Damme tijdens de Olympische Spelen van Montréal na dezelfde Walker zilver had behaald. Nu, in Brussel, kreeg Walker van vader Van Damme een medaille. Hij stapte van het podium en omhelsde Ivo's ontroerde vader. Het stadion werd herschapen in een tranendal, iedereen liet zijn emoties de vrije loop. Of er was de val van de Spaanse wielrenner Isaac Gálvez tijdens de zesdaagse van Gent in 2006. Verbijsterd keken de toeschouwers hoe men de wereldkampioen ploegkoers probeerde te reanimeren, er werd een wit doek rond hem gespannen. Na een halfuur werd Gálvez naar het ziekenhuis gebracht waar hij overleed. En recent was er een ander indringend, huiveringwekkend beeld, dat van wielrenner Michael Goolaerts die in Parijs-Roubaix door een hartstilstand ten val was gekomen, we zagen hem net voorbij een ruwe kasseistrook langs de kant van de weg liggen, roerloos, terwijl men ook hier verwoede pogingen deed om hem weer tot leven te brengen. Groolaerts stierf later op de avond, in het ziekenhuis van Lille. Op 8 mei is het tien jaar geleden dat François Sterchele dodelijk verongelukte. Nooit hebben we in een voetbalstadion zo'n beklemmende sfeer weten hangen als die drie dagen later heerste in het Jan Breydelstadion. De spelers van Club Brugge stapten voor de match tegen Westerlo met een levensgroot spandoek van de overleden aanvaller het veld op en hielden twee keer een minuut stilte. Twee uur voor de match zat een man op een bank voor het Brugse station. Hij huilde als een klein kind. Een paar toeristen vroegen wat er scheelde, maar de man kon niet reageren. Naast hem lag een trui van François Sterchele. Het was een beeld met symboliek: van een voetbalgemeenschap in totale shock. Zelden gingen de supporters zo overmand door verdriet naar een wedstrijd als naar de partij tussen Club Brugge en Westerlo. De serene sfeer was een voorbode voor een beklijvend en door emoties overspoeld eerbetoon. Lang heerste er in het stadion een haast gewijde stilte. Later werd er geapplaudisseerd. Maar er werd vooral getreurd. En geweend. François Sterchele was een voetballer van en voor het volk. Naar het beeld van Club Brugge. Maar hij was ook een glamourboy aan wie je alles mocht vragen. Zoals die ene keer toen hij als een soort James Bond op onze cover prijkte, in smoking, het pistool in de hand. 'Profiel van een scherpschutter' was de titel bij het verhaal en Sterchele vond het prachtig, hij amuseerde zich tijdens de fotosessie. Zoals de zon altijd scheen in zijn leven. Zijn onbevangenheid en onbekommerdheid maakten hem zo geliefd. Sterchele verpersoonlijkte het totale geluk. Tot op die achtste mei. Vandaag, tien jaar later, applaudisseren supporters in iedere thuiswedstijd in de 23e minuut nog altijd voor François Sterchele, die bij Club het nummer 23 droeg. Dat zal ook volgende zondag niet anders zijn, als de kraker tegen Anderlecht wordt gespeeld. Hij zit nog in de harten van iedereen. Naast de perszaal hangt een zeer grote foto van François Sterchele. Van een voetballer die nood had aan ruimte. Om te scoren, om te leven, om niet te verstikken. Van een spits die fel en snel leefde, gejaagd en soms opgejaagd, maar geen moeite had met dat hels ritme. Nooit ging hij op de rem staan. Niet op het veld, niet in zijn manier van leven. Ook niet in die fatale nacht, toen hij in Antwerpen een stapje in de wereld zette. En op weg naar huis tegen een boom vloog.