'Ik ben zeker ook een goeie voetballer geworden door veel spelenderwijs te trainen,' zegt Thomas Buffel (36), 'ook buiten de club, thuis in de tuin en op straat, met vriendjes of alleen. Door zo altijd maar te proberen om beter te worden.

'Het was niet vrijblijvend. Als je alleen speelt, kun je jezelf targets opleggen. Als kind deed ik dat al. Ik had dat nodig om de spanning erin te houden. Dan maakte ik bijvoorbeeld een parcourstje dat ik steeds sneller probeerde af te leggen. Of ik probeerde de bal langer hoog te houden.

'Zolang ik die targets niet haalde, bleef ik doorgaan en gaf ik mezelf niet de toelating om te stoppen en naar binnen te gaan. Ik werd er wel eens moedeloos van, maar wanneer het mij dan eindelijk toch lukte, was het plezier des te groter. Ik zou zeggen: raak zoveel mogelijk de bal, daar zal je basistechniek almaar beter van worden.

'Ook variatie is belangrijk. Ik deed nog veel andere sporten. Tennissen en pingpongen vooral, maar ik ging ook geregeld zwemmen en ik fietste veel. Altijd probeerde ik te winnen. Mijn goeie vriend Stijn Mahieu zorgde doorgaans voor veel weerstand. Dat helpt om beter te worden. Het gebeurde zelfs wel eens dat ik een pingpongpalet naar mijn hoofd gegooid kreeg. (lacht) Ik ben ervan overtuigd dat ook dat belangrijk is geweest voor mijn ontwikkeling als voetballer en dat het bijvoorbeeld mijn reactiesnelheid en mijn uithouding ten goede is gekomen.

'Maar om veel te kunnen spelen en trainen, is het ook nodig om voldoende te rusten en goed te eten en te drinken. Ik weet nog dat mijn papa 's middags op de dag van de wedstrijd telkens een stevige biefstuk voor mij bakte. Omdat ik vaak last kreeg van steken in mijn milt zijn we toen naar een sportdokter geweest. Hoe goed mijn pa het ook bedoelde: bleek dat een steak twee uur voor de match toch niet zo ideaal was, omdat het vlees tegen dan nog niet verteerd was. Soms is het aangewezen om het advies van deskundigen in te winnen.'

'Ik ben zeker ook een goeie voetballer geworden door veel spelenderwijs te trainen,' zegt Thomas Buffel (36), 'ook buiten de club, thuis in de tuin en op straat, met vriendjes of alleen. Door zo altijd maar te proberen om beter te worden. 'Het was niet vrijblijvend. Als je alleen speelt, kun je jezelf targets opleggen. Als kind deed ik dat al. Ik had dat nodig om de spanning erin te houden. Dan maakte ik bijvoorbeeld een parcourstje dat ik steeds sneller probeerde af te leggen. Of ik probeerde de bal langer hoog te houden. 'Zolang ik die targets niet haalde, bleef ik doorgaan en gaf ik mezelf niet de toelating om te stoppen en naar binnen te gaan. Ik werd er wel eens moedeloos van, maar wanneer het mij dan eindelijk toch lukte, was het plezier des te groter. Ik zou zeggen: raak zoveel mogelijk de bal, daar zal je basistechniek almaar beter van worden. 'Ook variatie is belangrijk. Ik deed nog veel andere sporten. Tennissen en pingpongen vooral, maar ik ging ook geregeld zwemmen en ik fietste veel. Altijd probeerde ik te winnen. Mijn goeie vriend Stijn Mahieu zorgde doorgaans voor veel weerstand. Dat helpt om beter te worden. Het gebeurde zelfs wel eens dat ik een pingpongpalet naar mijn hoofd gegooid kreeg. (lacht) Ik ben ervan overtuigd dat ook dat belangrijk is geweest voor mijn ontwikkeling als voetballer en dat het bijvoorbeeld mijn reactiesnelheid en mijn uithouding ten goede is gekomen. 'Maar om veel te kunnen spelen en trainen, is het ook nodig om voldoende te rusten en goed te eten en te drinken. Ik weet nog dat mijn papa 's middags op de dag van de wedstrijd telkens een stevige biefstuk voor mij bakte. Omdat ik vaak last kreeg van steken in mijn milt zijn we toen naar een sportdokter geweest. Hoe goed mijn pa het ook bedoelde: bleek dat een steak twee uur voor de match toch niet zo ideaal was, omdat het vlees tegen dan nog niet verteerd was. Soms is het aangewezen om het advies van deskundigen in te winnen.'