Zouden ze er bij Anderlecht nog eens aan denken? Aan de tijd dat er twee Nederlandse spelers in de ploeg stonden die, in 1978, de finale van het WK hadden gespeeld: Arie Haan en Rob Rensenbrink. Dat was, met alle respect, toch van een ander kaliber dan Michel Vlap.

Maar het waren ook totaal andere tijden. Haan en Rensenbrink konden het niet met elkaar vinden, het gevolg van een kinderlijk dispuut. Maar op het veld merkte je daar niets van. Haan was de stuurman. Als de trainer een tactische bespreking gaf, durfde hij na afloop al eens naar het bord stappen, alles uitvegen, om dan te zeggen hoe er echt moest gespeeld worden. En Rensenbrink was een pure kunstenaar die op intuïtie voetbalde en allicht de beste buitenlander is die ooit bij paars-wit op de loonlijst stond. Grotere tegenstellingen bestonden er niet. Haan, de koele analyticus, Rensenbrink de melancholieke artiest.

We hebben Rensenbrink verschillende keren geïnterviewd. Soms op restaurant. Dan vroeg hij de rekening en gaf die vervolgens aan ons. De verhalen over zijn gierigheid waren legendarisch. Als er zes spelers van Anderlecht iets gingen drinken en Rensenbrink was er bij, dan werd er vijf keer getrakteerd. Zo werd het lachend gezegd. Maar Rensenbrink, die werd opgevoed in een gezin waarin iedere cent twee keer werd omgedraaid, kon in zijn eentje matchen beslissen. Zeker als je hem prikkelde.

Voor de finale van Europacup II tussen Anderlecht en Austria Wien, in 1978, hing er in de kleedkamer een interview met Robert Sara, de rechtsachter van de Oostenrijkers. Wat die dan wel te vertellen had, wilde Rensenbrink weten. Dat hij, Rensenbrink, een sterk overroepen speler was, werd er gezegd. Terwijl het interview niet over Rensenbrink ging. Maar het werkte wel want de Nederlander draaide zijn opponent helemaal dol. Na een halfuur stond het 2-0. Moeilijker was om hem voor mindere matchen te motiveren. Voor een verplaatsing naar Beringen bijvoorbeeld. Rensenbrink werd depressief als hij langs de toenmalige mijnwerkershuizen reed. Hij raakte dan gaan bal.

Rob Rensenbrink ging graag zijn eigen weg. Aan duurlopen had hij een hekel. In het Zoniënwoud liet hij zich telkens weer afzakken om een kortere weg te nemen. Dan maakte hij zijn trui nat aan een vijver om de trainer de indruk te geven dat hij genoeg had gezweet. Toch had hij veel meer last van stress dan velen denken. Alleen liet hij dat nooit zien.

Vorige maand vierde Rob Rensenbrink zijn 72ste verjaardag. In alle stilte. Door een spierziekte sukkelt hij al geruime tijd met zijn gezondheid. In de publiciteit komt hij nog nauwelijks. Dat doet ook de intussen 70-jarige Arie Haan niet meer. Hij woont in de buurt van Winschoten, in het oorden van Nederland.

Zouden ze er bij Anderlecht nog eens aan denken? Aan de tijd dat er twee Nederlandse spelers in de ploeg stonden die, in 1978, de finale van het WK hadden gespeeld: Arie Haan en Rob Rensenbrink. Dat was, met alle respect, toch van een ander kaliber dan Michel Vlap. Maar het waren ook totaal andere tijden. Haan en Rensenbrink konden het niet met elkaar vinden, het gevolg van een kinderlijk dispuut. Maar op het veld merkte je daar niets van. Haan was de stuurman. Als de trainer een tactische bespreking gaf, durfde hij na afloop al eens naar het bord stappen, alles uitvegen, om dan te zeggen hoe er echt moest gespeeld worden. En Rensenbrink was een pure kunstenaar die op intuïtie voetbalde en allicht de beste buitenlander is die ooit bij paars-wit op de loonlijst stond. Grotere tegenstellingen bestonden er niet. Haan, de koele analyticus, Rensenbrink de melancholieke artiest.We hebben Rensenbrink verschillende keren geïnterviewd. Soms op restaurant. Dan vroeg hij de rekening en gaf die vervolgens aan ons. De verhalen over zijn gierigheid waren legendarisch. Als er zes spelers van Anderlecht iets gingen drinken en Rensenbrink was er bij, dan werd er vijf keer getrakteerd. Zo werd het lachend gezegd. Maar Rensenbrink, die werd opgevoed in een gezin waarin iedere cent twee keer werd omgedraaid, kon in zijn eentje matchen beslissen. Zeker als je hem prikkelde. Voor de finale van Europacup II tussen Anderlecht en Austria Wien, in 1978, hing er in de kleedkamer een interview met Robert Sara, de rechtsachter van de Oostenrijkers. Wat die dan wel te vertellen had, wilde Rensenbrink weten. Dat hij, Rensenbrink, een sterk overroepen speler was, werd er gezegd. Terwijl het interview niet over Rensenbrink ging. Maar het werkte wel want de Nederlander draaide zijn opponent helemaal dol. Na een halfuur stond het 2-0. Moeilijker was om hem voor mindere matchen te motiveren. Voor een verplaatsing naar Beringen bijvoorbeeld. Rensenbrink werd depressief als hij langs de toenmalige mijnwerkershuizen reed. Hij raakte dan gaan bal.Rob Rensenbrink ging graag zijn eigen weg. Aan duurlopen had hij een hekel. In het Zoniënwoud liet hij zich telkens weer afzakken om een kortere weg te nemen. Dan maakte hij zijn trui nat aan een vijver om de trainer de indruk te geven dat hij genoeg had gezweet. Toch had hij veel meer last van stress dan velen denken. Alleen liet hij dat nooit zien. Vorige maand vierde Rob Rensenbrink zijn 72ste verjaardag. In alle stilte. Door een spierziekte sukkelt hij al geruime tijd met zijn gezondheid. In de publiciteit komt hij nog nauwelijks. Dat doet ook de intussen 70-jarige Arie Haan niet meer. Hij woont in de buurt van Winschoten, in het oorden van Nederland.