Hoe zouden de spelers van Sint-Truiden uit de roemruchte jaren zestig naar de huidige prestaties van de Kanaries kijken? Toen de ploeg dreef op een ijzeren mentaliteit, spelers en bestuur al eens samen op stap gingen en op de terugreis na een uitwedstrijd steevast het clublied werd gezongen? Het was de onderlinge kameraadschap die de ploeg vooruit dreef, de ongelooflijke vechtlust die Sint-Truiden in 1966 vicekampioen maakte. Trainers konden alleen slagen als ze zich aanpasten aan de aard van de spelers. Zelfs Raymond Goethals, die de club toen naar het grootste succes uit de geschiedenis leidde, wist dat. Hij paste zich razendsnel aan. Het wilde wel eens gebeuren dat Goethals de tactiek op het bord schreef en de verdedigers Lucien Boffin en Marcel Lemoine vervolgens alles uitveegden en zelf gingen vertellen hoe er zou gespeeld worden. Goethals begreep dat hij op Staaien alleen kon slagen als hij inspraak duldde.

Heerlijke tijden waren het. Sint-Truiden beschikte over een granieten verdediging. Als er al eens iemand door de mazen van het net glipte, dan werd hij opgewacht door doelman Leon Bosmans, die als een kamikazepiloot gold en 25 meter uit zijn doel speelde. Hij was in feite een libero. Tegenstanders kwamen toen met knikkende knieën naar Staaien, dat een echte hel was. Memorabel is het verhaal van de toenmalige voorzitter Frans Smeets, die eens de nacht voor een wedstrijd tegen Anderlecht de brandweer optrommelde om het kurkdroge veld nat te spuiten. Zodat Sint-Truiden zijn voetbal kon spelen, niet op een kunstgrasveld, maar op een akker waarin de spelers hun engagement konden tonen.

Andere tijden

Met Lon Polleunis beschikte Sint-Truiden toen over een vedette. Van Lon was het bekend dat hij het geld graag liet rollen. Hij genoot ervan om in de belangstelling te staan en was populair in de stad. Ergens stond de altijd bereikbare Polleunis model voor het folkloristisch verleden van de club. Jaren geleden zocht ex-voetballer Gille Van Binst voor Sport/Voetbalmagazine Polleunis op. Hij vertelde toen met weemoed over de jaren in Sint-Truiden, over de onwrikbare band in het team, ook al diende hij vaak tegen de degradatie te knokken. Aanbiedingen voor hem waren er in de loop van de jaren genoeg, maar Polleunis mocht pas op zijn dertigste vertrekken omdat ze dachten dat hij na een knieoperatie afgeschreven was voor het topvoetbal. Hij trok naar RWDM, waar hij de mooiste periode uit zijn carrière beleefde en ergens de sfeer van Sint-Truiden terugvond: ook daar gingen de spelers voor elkaar door het vuur en werd er geregeld op stap gegaan.

Andere tijden waren het. Zeker in Sint-Truiden dat nu een Australisch-Engelse trainer heeft, een Spaanse adjunct, een Australische fysiektrainer, een Braziliaanse sportief directeur en een Japanse videoanalist, naast een Japanse CEO. En de selectiegroep van STVV telt meer buitenlanders dan Belgen.

Pure romantiek is het om te mijmeren over de tijd dat er 150 bussen vertrokken naar uitwedstrijden van Anderlecht of Standard. En dat trainingspartijtjes moesten worden afgeblazen omdat er op training te veel werd gebikkeld en geschoffeld.

Hoe zouden de spelers van Sint-Truiden uit de roemruchte jaren zestig naar de huidige prestaties van de Kanaries kijken? Toen de ploeg dreef op een ijzeren mentaliteit, spelers en bestuur al eens samen op stap gingen en op de terugreis na een uitwedstrijd steevast het clublied werd gezongen? Het was de onderlinge kameraadschap die de ploeg vooruit dreef, de ongelooflijke vechtlust die Sint-Truiden in 1966 vicekampioen maakte. Trainers konden alleen slagen als ze zich aanpasten aan de aard van de spelers. Zelfs Raymond Goethals, die de club toen naar het grootste succes uit de geschiedenis leidde, wist dat. Hij paste zich razendsnel aan. Het wilde wel eens gebeuren dat Goethals de tactiek op het bord schreef en de verdedigers Lucien Boffin en Marcel Lemoine vervolgens alles uitveegden en zelf gingen vertellen hoe er zou gespeeld worden. Goethals begreep dat hij op Staaien alleen kon slagen als hij inspraak duldde. Heerlijke tijden waren het. Sint-Truiden beschikte over een granieten verdediging. Als er al eens iemand door de mazen van het net glipte, dan werd hij opgewacht door doelman Leon Bosmans, die als een kamikazepiloot gold en 25 meter uit zijn doel speelde. Hij was in feite een libero. Tegenstanders kwamen toen met knikkende knieën naar Staaien, dat een echte hel was. Memorabel is het verhaal van de toenmalige voorzitter Frans Smeets, die eens de nacht voor een wedstrijd tegen Anderlecht de brandweer optrommelde om het kurkdroge veld nat te spuiten. Zodat Sint-Truiden zijn voetbal kon spelen, niet op een kunstgrasveld, maar op een akker waarin de spelers hun engagement konden tonen. Met Lon Polleunis beschikte Sint-Truiden toen over een vedette. Van Lon was het bekend dat hij het geld graag liet rollen. Hij genoot ervan om in de belangstelling te staan en was populair in de stad. Ergens stond de altijd bereikbare Polleunis model voor het folkloristisch verleden van de club. Jaren geleden zocht ex-voetballer Gille Van Binst voor Sport/Voetbalmagazine Polleunis op. Hij vertelde toen met weemoed over de jaren in Sint-Truiden, over de onwrikbare band in het team, ook al diende hij vaak tegen de degradatie te knokken. Aanbiedingen voor hem waren er in de loop van de jaren genoeg, maar Polleunis mocht pas op zijn dertigste vertrekken omdat ze dachten dat hij na een knieoperatie afgeschreven was voor het topvoetbal. Hij trok naar RWDM, waar hij de mooiste periode uit zijn carrière beleefde en ergens de sfeer van Sint-Truiden terugvond: ook daar gingen de spelers voor elkaar door het vuur en werd er geregeld op stap gegaan. Andere tijden waren het. Zeker in Sint-Truiden dat nu een Australisch-Engelse trainer heeft, een Spaanse adjunct, een Australische fysiektrainer, een Braziliaanse sportief directeur en een Japanse videoanalist, naast een Japanse CEO. En de selectiegroep van STVV telt meer buitenlanders dan Belgen. Pure romantiek is het om te mijmeren over de tijd dat er 150 bussen vertrokken naar uitwedstrijden van Anderlecht of Standard. En dat trainingspartijtjes moesten worden afgeblazen omdat er op training te veel werd gebikkeld en geschoffeld.