Interviewen is een van de mooiste aspecten van de journalistiek. Een dusdanige sfeer scheppen in een interview dat voetballers (en andere sporters) hun hart openen en echt dat vertellen wat ze denken. Verhalen werden vroeger niet nagelezen, er was geen censuur, er werd gewerkt op basis van wederzijds vertrouwen.
...

Interviewen is een van de mooiste aspecten van de journalistiek. Een dusdanige sfeer scheppen in een interview dat voetballers (en andere sporters) hun hart openen en echt dat vertellen wat ze denken. Verhalen werden vroeger niet nagelezen, er was geen censuur, er werd gewerkt op basis van wederzijds vertrouwen. Nu worden afspraken voor interviews gemaakt door de perschef van de voetbalclub. Dat is in die zin gemakkelijk dat je niet meer eindeloos veel moet bellen voor je iemand aan de lijn krijgt. Zoals het ons ooit eens overkwam toen Rapid Wien in de Europacup tegen Club Luik speelde en er een interview met de Oostenrijkse legende Hans Krankl gepland stond. Precies 24 keer hebben we gebeld voor Krankl, toen trainer van Rapid Wien, uiteindelijk bereikbaar was. Maar hij trok voor het gesprek wel anderhalf uur uit. Nu worden interviews door de club doorgenomen, door de voetballer zelf en door de perschef. Sommigen grijpen amper in, anderen zijn doodsbang voor welke kritische noot dan ook. Die willen ze geschrapt zien. Vaak denken we dan terug aan onze beginperiode in de journalistiek. Toen voetballers niet geremd werden. Iedereen had een vrijbrief om te zeggen wat hij dacht. We herinneren ons een gesprek met Walter Meeuws in zijn Standardperiode. De Rouches worstelden met een crisis en Meeuws legde de reden van de malaise bloot: er woedde een machtsstrijd op het middenveld. Daar konden ze bij Standard niet mee lachen. Het bestuur niet en de aangesproken middenvelders al evenmin. Ze vroegen een wederwoord. Dat werd een feuilleton dat een paar weken duurde. Een andere keer maakte Ronny Somers, een van de boegbeelden van Lokeren, brandhout van het bestuur van zijn club. Hij zei niet te begrijpen dat de dirigenten na een overwinning juichend de kleedkamer binnen stormden, maar dat je na een nederlaag niemand zag. Hij praatte onverbloemd over de attitude van de soms briesende voorzitter Gaston Keppens. En werd prompt geschorst. Hetzelfde gebeurde met Danny Veyt, een paar maanden nadat hij de overstap maakte van Waregem naar Club Luik. Hij hekelde de trainingsmethodiek van Robert Waseige. Als het hard regende, ging niemand naar buiten en werd er in de zaal geoefend. En hij praatte over zijn ploegmaats die het allemaal niet zo nauw namen. Ze trainden met broeken vol gaten en vonden het abnormaal als je daar een opmerking over maakte. Na een training gooiden ze hun schoenen ergens in een hoek, er hing dikwijls vijf centimeter modder aan, maar de dag nadien werd alles gewoon weer aangetrokken. De kleedkamer, vertelde Veyt, lag er zo smerig bij dat hij zelf de muren had geschilderd. Robert Waseige was furieus, al ging de storm snel liggen. Van boycots was er nooit sprake. Het waren andere tijden. Mooie tijden.