Het is een zonnige en aangename middag aan de Rijn in Mainz, even over halfweg 2000. René Vandereycken is net aan de slag gegaan als trainer van tweedeklasser FSV Mainz 05. Hij staat erop zijn Belgische gasten op te pikken aan hun hotel en hen weer terug te brengen. Hij heeft in zijn auto namelijk een nieuw technisch apparaat waar je gewoon het adres intikt en dat je dan via een stem en een computertje naar de juiste straat stuurt, zegt hij fier. De gps is dan nog amper bekend. Maar wanneer Vandereycken het adres intikt, vindt het apparaat de bestemming niet. Het wordt rondjes draaien en uiteindelijk ouderwets stoppen en de weg vragen.
...

Het is een zonnige en aangename middag aan de Rijn in Mainz, even over halfweg 2000. René Vandereycken is net aan de slag gegaan als trainer van tweedeklasser FSV Mainz 05. Hij staat erop zijn Belgische gasten op te pikken aan hun hotel en hen weer terug te brengen. Hij heeft in zijn auto namelijk een nieuw technisch apparaat waar je gewoon het adres intikt en dat je dan via een stem en een computertje naar de juiste straat stuurt, zegt hij fier. De gps is dan nog amper bekend. Maar wanneer Vandereycken het adres intikt, vindt het apparaat de bestemming niet. Het wordt rondjes draaien en uiteindelijk ouderwets stoppen en de weg vragen.Vandereycken is op dat moment nog maar de tweede Belg die een Duitse profclub traint, na Jef Vliers in de jaren 70. Hij is opgelucht. 'Ik heb bewust veel dingen afgehouden omdat ik naar het buitenland wilde. De handicap was dat onze trainersopleiding daar niet gevalideerd was. Anders had ik al vroeger in het buitenland gezeten. Ik was ook de eerste Belg die in Italië ging voetballen.' De maanden na het gesprek zal hij het team flink dooreen gooien. 'Ik wilde jonge voetballers inpassen en zette een geroutineerde verdediger opzij omdat hij niet kon functioneren in het systeem dat ik wilde spelen.' Die verdediger heet... Jürgen Klopp. In een interview met dit blad in 2006 geeft Klopp Vandereycken gelijk: 'Ik was een slechte verdediger.' Van de trainer Vandereycken herinnert hij zich vooral nog diens fenomenale traptechniek op training, niet diens voetbalopvattingen: 'Altijd zekerheid inbouwen, dat is niet mijn filosofie. Ik wil de tegenstander opjagen, altijd en overal.' Na twaalf weken wordt Vandereycken ontslagen. Wanneer ook zijn opvolger Eckhart Krautzun de ploeg niet uit de degradatiezone krijgt, haalt de club een trainer uit eigen rangen. Klopp redt Mainz en zal de club een paar jaar later voor het eerst in haar geschiedenis naar de Bundesliga brengen. Voor hem de aanzet tot een fenomenale trainerscarrière. Met dank aan René. Een paar jaar eerder, in 1996, vindt op een februari-avond een van de interessantste voetbaldiscussies ooit in dit land plaats. Bij de voorbeschouwing op de wedstrijd tussen Lierse en RWDM, op dat moment twee smaakmakers in de Belgische competitie, zitten de twee trainers aan tafel in een restaurant in Tongeren. Allebei Limburgers, voormalige ploegmaats bij de Rode Duivels, maar verder kunnen voetbalvisies als die van René Vandereycken en Erik Gerets niet uit elkaar liggen. Dat verschillende wegen naar succes kunnen leiden, zal aan het eind van het seizoen blijken, wanneer beide clubs met een erg uiteenlopende aanpak een onverwacht Europees ticket afdwingen. Het wordt een hoogst interessant gesprek tussen Gerets, die in Nederland heeft geleerd om altijd uit te gaan van eigen sterkte, en Vandereycken, die uit Italië onthield dat je altijd extra zekerheid moet inbouwen. Bij zowat elk antwoord reageert de ander: 'Nou, daar ben ik het dus helemaal niet mee eens.' Vandereycken veegt de kritiek dat hij behoudend voetbalt meteen onder tafel: 'Ik ga niet af op analyses van andere mensen. Ik schat zelf in wat ik zie. Ik zit 20 jaar in het profvoetbal, werk een hele week in mijn club en hou dus geen rekening met de mening van iemand die 90 minuten per week voetbal ziet en daar zijn mening op baseert. Ik moet geen begrip nastreven, wel resultaten. Binnen de club is het enige wat ik moet doen voortdurend op mijn spelers inpraten, hen uitleggen dat de meeste kritiek niets voorstelt omdat de critici er niets van kennen.' Gerets is het daar helemaal niet mee eens: '20 jaar heeft men hier in België resultaten behaald met een goede organisatie en een voorzichtige aanpak, zodat men daar niet graag van afstapt. Alleen zit ik anders in elkaar. Ik probeer mijn spelers duidelijk te maken dat ze beter zijn dan de anderen en dat ze dat ook moeten uitbuiten in plaats van af te wachten.' Vandereycken schudt het hoofd: 'Ik vind niet dat een ploeg die het sterkste is, risico's moet nemen. Omdat de sterkste over 90 minuten toch de wedstrijd wint. Waarom zou jij dan in het eerste halfuur risicovol gaan voetballen? Ik kan wél begrijpen dat je blufpoker speelt als je zwakker bent.' Gerets: 'Ik ben het daar dus niet mee eens. Misschien omdat ik meer avonturier ben. Ik heb zeven jaar bij PSV man op man gespeeld en haalde nooit zoveel prijzen als daar, door die aanpak waarbij je je tegenstander zo hoog mogelijk vast zette.' Vreemd dat Vandereycken met de jaren zo is gaan redeneren, terwijl hij in 1993 nog Ernst Happel noemde als beste trainer met wie hij ooit werkte: 'Omdat hij een hele ploeg kon laten denken op zijn manier. De speelwijze van Club was de afspiegeling van zijn karakter.' Hoe kan het dat Vandereycken zo van mening veranderd is, terwijl hij als speler zijn grootste successen haalde met een coach die zich nooit aanpaste? Heel simpel, zegt René: 'Die successen van toen haalden we omdat we fysiek gewoon sterker waren dan de meeste tegenstanders, die vaak nog niet professioneel werkten. Daardoor maakten we met Club in de laatste 20 minuten het verschil. Happel zou nu ook op een andere manier moeten werken.' Ploegbelang staat altijd voorop, zegt hij: 'Die ingesteldheid had ik ook als speler al. Als verdedigende middenvelder moest ik het niet hebben van een individuele actie. Als ik voor de ploeg speelde, werd ik er wél beter van, want dan wonnen ze. Die filosofie heb ik me eigen gemaakt en behoud ik ook als trainer.' Als speler start Vandereycken onder aan de ladder. Hij was niet het grote talent voor wie de topclubs in de rij stonden: 'In wezen was ik een heel verlegen jongen uit Limburg toen ik bij Club Brugge belandde. Maar bij Happel moest je agressief zijn om overeind te blijven. En wat doe je dan wanneer je als voetballer wilt slagen? Je leert van je afbijten. Happel liet me ook aanvoelen dat ik het met mijn agressiviteit moest waarmaken. Dan doe je dat natuurlijk ook. Hij hield er wel van dat je bij momenten de tegenstander provoceerde. Dat kwam naar buiten uit irritant over, maar daar trok ik me niets van aan.' Ook zijn vader had op dat vlak een invloed op hem, zegt hij: 'Mijn vader heeft me geleerd harder te zijn. Toen ik begon als cadet, was ik bang, maar een paar jaar later waren ze bang van mij. In een ploeg moet je ook altijd voor elkaar opkomen. Als de tegenstander iets uithaalt, moet je tonen dat je er ook bent. Als ze aan een ploegmaat raakten, raakten ze ook aan mij.' Zijn speelstijl als verdedigende middenvelder verschaft inzicht in wat de trainer later zal doceren: 'Ik ben nooit iemand geweest die een bal ging recupereren en dan de neiging had een nummertje op te voeren. Ik speelde direct af, ik wist dat ik als verdedigende middenvelder geen balverlies mocht lijden, dat alles dan open lag. Dat wilde ik te allen prijze vermijden.' Na de succesrijke jaren bij Club gaat hij in 1981 aan de slag bij het Italiaanse FC Genoa, waar hij de eerste buitenlander is in vijftien jaar. 'De beslissing om naar Italië te vertrekken is de belangrijkste in mijn leven geweest', zegt hij in een interview in 2004. 'Niet voor het voetbal of het geld, maar omwille van het maatschappelijk-sociale. Zelf ben ik een halve Italiaan geworden.' Ook de manier waarop in Italië het voetbal wordt beleefd, met een professionele ingesteldheid en een doordachtheid die Vandereycken bevalt, zal diep op hem inwerken. Maar zijn Italiaanse droom duurt niet lang. Het tweede jaar raakt hij geblesseerd aan de kruisbanden. Wanneer hij na een jaar weer quasi fit is, heeft Genoa net een Braziliaan gekocht. 'Daar zaten we dan met drie buitenlanders, terwijl ze er maar twee mochten hebben. Toen Anderlecht me contacteerde, koos ik voor de zekerheid.' Zijn trainersdebuut maakt hij sneller dan gepland, bij AA Gent, waar hij als speler is beland na een paar jaar bij Anderlecht en een kort Duits avontuur bij Blau-Weiss Berlin. In 1988/89 dreigt Gent de promotie naar eerste klasse te missen omdat Germinal Ekeren onverwacht de titel haalt. Erwin Vanden Daele wordt bedankt en voorzitter Jean Van Milders overtuigt in maart 1989 de dan 35-jarige Vandereycken, die na een blessure aan de knie revalideert, om het als trainer te proberen. Het blijkt een gouden ingeving. In twee jaar voert de Limburger Gent van tweede klasse naar Europees voetbal. Hij stalt Gent in de kwartfinales van de UEFA Cup, waar een misnoegde Ajaxtrainer Louis van Gaal zich na de 0-0 in de heenmatch afvraagt of Vandereycken in de terugmatch misschien naast de dubbele afweergordel ook nog verdedigers achter het doel gaat zetten. Nog steeds halen de beleidsbepalers van AA Gent zijn naam aan, wanneer hen gevraagd wordt naar de trainers die een blijvende indruk nagelaten hebben. Hij is de eerste trainer in België die de pers de toegang tot de kleedkamer ontzegt. 'Het is mijn ervaring dat journalisten niet in de kleedkamer thuishoren. Ik heb nog nooit een journalist zich daar zien omkleden en er staat toch 'kleedkamer' op de deur?' Wie niet elke dag elke training bijwoont en alleen maar naar de match komt, neemt hij niet ernstig: 'Ik betreur het dat er zoveel conclusies worden getrokken op basis van zo weinig informatie. Zelf geef ik liever geen commentaar op een andere club, omdat ik gewoon over te weinig informatie beschik om een gefundeerde mening te hebben.' Als beginnend trainer heeft hij geen vaste methode. 'Mijn eigen werkwijze zou ik omschrijven als: improvisatie op basis van ervaring.' Hij vertelt hoe hij de dag voor zijn eerste training achter een blad papier ging zitten, dat een paar uur later nog altijd wit was. Maar eenmaal hij voor de groep stond, ging alles vanzelf. 'Toch is alles wat ik doe weloverwogen. Daarom is het ook zo moeilijk om mij van mening te doen veranderen. Omdat ik met zoveel dingen rekening hou waarvan andere mensen niet op de hoogte zijn.' Eind 2005 krijgt Vandereycken de leiding over de nationale ploeg, die naar plaats 55 op de FIFA-ranking is afgegleden. Het is de vierde keer dat hij gepolst wordt voor de job. De eerste keer voelde hij zich nog te jong, de tweede keer had hij net bij Anderlecht getekend en de derde keer werd na twee gesprekken de voorkeur gegeven aan Aimé Anthuenis. De opener van de kwalificatiegroep voor het EK 2008 lijkt een makkie. Kazachstan is net overgestapt van de Aziatische naar de Europese bond en staat op nummer 141 op de FIFA-ranking. Op Anderlecht, waar de wedstrijd plaatsvindt, heeft Vandereycken weer iedereen op het verkeerde been gezet, zo blijkt wanneer de ploegsamenstelling bekendgemaakt wordt. Terwijl iedereen een elftal verwacht dat de Kazakken bij de keel grijpt, treedt hij aan met één spits, Mousa Dembélé, en met Vincent Kompany als aanvallende middenvelder. Het wordt 0-0. Iedereen is van de hand Gods geslagen. Behalve één man. 'Ik heb veel goeie dingen gezien', analyseert Vandereycken. 'Het resultaat was niet helemaal wat we wensten, maar ik heb vooruitgang gezien. Bij de start van een wedstrijd met een nieuwe ploeg mag je niet te offensief beginnen. Ik wilde de wedstrijd opbouwen, de tegenstander laten komen en toeslaan als ze een fout maken. Maar als het heel snel moet gaan, zijn we niet Brazilië.' Uiteindelijk, besluit hij met wat humor die niet iedereen op dat moment kan smaken, 'hebben we vandaag een punt meer dan de tegenstanders die nog niet gespeeld hebben.' Door het trauma van de eerste wedstrijd moet de tweede kwalificatiewedstrijd, in Armenië, gewonnen worden. Voor die match vraagt een journalist, die al zijn moed bijeengeraapt heeft: 'Gaat u nu aanvallender spelen dan tegen Kazachstan?' Vandereyckens repliek: 'Nóg aanvallender?' Terwijl de relatie tussen pers en bondscoach van kwaad naar erger evolueert, zaait Vandereycken in stilte de kiemen waarvan zijn opvolgers later de opbrengst zullen oogsten. Hij haalt een aantal jonge talenten bij de kern, om in internationale wedstrijden ervaring op te doen. De eerste is de jonge Ajaxverdediger Thomas Vermaelen. Die debuteert op 1 maart 2006, de allereerste interland onder de nieuwe bondscoach, die België in Luxemburg met 0-2 wint. De volgende interland is het de beurt aan Steven Defour en Nicolas Lombaerts. Nog een wedstrijd later komt Mousa Dembélé in de ploeg. In februari 2007 volgt Marouane Fellaini. In juni is iedereen verbaasd wanneer Vandereycken een speler van het net uit de Eredivisie gedegradeerde RKC Waalwijk oproept: Jan Vertonghen, uitgeleend door Ajax. 'Vertonghen mag dan onbekend zijn bij het grote publiek, ik volg hem al lang', zegt de bondscoach. Bij Ajax is één man niet verbaasd: teammanager David Endt, zelf een fan van Vandereycken: 'Hij is een beetje de Belgische Johan Neeskens. Ik ging soms speciaal naar België kijken om René aan het werk te zien. Ik denk dat René in Jan Vertonghen iets van zichzelf herkende.' Vandereycken geeft dat ook toe, in een zeldzaam interview dat hij toestaat naar aanleiding van Vertonghens evenaring van Jan Ceulemans' interlandrecord in oktober vorig jaar. Het is een uitzondering, uit respect voor Vertonghen, benadrukt hij. 'Persoonlijk heb ik er altijd een beetje spijt van gehad dat hij geen middenvelder is gebleven. Ik ben ervan overtuigd dat hij ook als middenvelder internationaal de top had kunnen bereiken.' Over zijn politiek om jong talent versneld door te laten stromen, zegt hij: 'Als je een bepaalde periode wilt afsluiten omdat spelers stoppen, moet je om je kern te vernieuwen spelers zoeken met talent. Op die manier laat je hen op jonge leeftijd internationale ervaring opdoen en geef je hen vertrouwen.' Na Vertonghen is het de beurt aan Kevin Mirallas. In maart 2008 volgt Axel Witsel en op 19 november 2008 tegen Luxemburg Eden Hazard. Op 1 april 2009 zit Vandereycken voor het laatst op de bank, in Bosnië-Herzegovina, kort na de smadelijke 2-4-thuisnederlaag tegen hetzelfde land. België verliest opnieuw, met 2-1. Het heeft slechts 10 van de 30 onder Vandereycken gespeelde interlands gewonnen en is op de FIFA-ranking verder afgegleden naar plaats 66. Een historisch dieptepunt. Misschien heeft de Limburger er niet alles uitgehaald wat erin zat. Zoals een international van toen het later off the record verwoordde: 'Voor René was het altijd goed. Dat wist je als speler. Hoe slecht je ook speelde, je wist dat hij ons toch zou verdedigen naar buiten toe. Op den duur sloop er een zekere laksheid in de groep. Als het toch altijd goed was voor de trainer, waarom zou je dan iets extra's doen?' Maar op het veld van zijn laatste interland in Bosnië staan met Kompany, Witsel, Vermaelen, Fellaini, Dembélé en Hazard wél zes Rode Duivels die ook op het voorbije WK aan bod kwamen. Met Jan Vertonghen, die die avond niet inzetbaar is, zijn dat er zeven, van wie er liefst zes de halve finale tegen Frankrijk vorige week aanvatten. In feite heeft René Vandereycken de basis gelegd voor het succes van deze generatie, al zijn het zijn opvolgers die de oogst binnenhaalden. Het is iets waar hij komende zondag op zijn verjaardag nog eens tevreden mag aan terugdenken, wanneer hij een goeie fles wijn open maakt. Italiaanse wijn, natuurlijk.