De zomer van 1914. De Eerste Wereldoorlog is net uitgebroken. De 28-jarige HectorTortenGoetinck, legendarische linksbuiten van FC Brugeois, nu Club Brugge, moet naar het front. Den dag dat we optrokken, hadden wij nooit gedacht dat wij zooveel gingen voetballen, schrijft hij later in zijn boek Voetbalanecdoten. Vlak na de Duitse inval in België is de voetbalbedrijvigheid eerst even stilgevallen, maar al gauw wordt in bezet België weer her en der een balletje getrapt. Ook achter het front rolt de bal. Op veilige afstand van de frontlinie wordt voetbal voor menig soldaat en burger een manier om alle ellende eventjes te verdringen en het moreel op te krikken. Goetinck: Elk regiment, elk bataljon, elke compagnie, ja zelfs ieder peloton had zijn voetbalelftal aan den IJzer.

De voetbalpleinen waren natuurlijk niet geheel effen, gezien het meeste aardappelvelden waren of gewezen korenvelden.

Torten Goetinck

Vorstelijke voetbalschoenen

Matchen tussen legerploegen vinden overal langs het front plaats, ook in het kleine stukje België achter de IJzer dat met hand en tand verdedigd wordt. Goetinck: Bachten De Kupe is het vette zaaigrond en we speelden nogal dikwijls tot aan de enkels in het slijk. 'Bachten De Kupe' is de benaming voor het stukje België dat geprangd ligt tussen de IJzer, de kust en de Franse grens.

Op 7 oktober 1914 verbaast De Nieuwe Gazet zich over het fenomeen van de voetballende frontsoldaten. 'Voetbal in den bommenregen!', luidt de kop. Eronder staat: Uit Parijs naar Londen wordt gemeld dat er sedert gisterenmiddag tot hedenochtend vroeg een betrekkelijke kalmte heerscht over een groot gedeelte van het front. De Fransche soldaten stonden zeer verbaasd toen zij zagen hoe hunne Engelsche kameraden gebruik maakten van de paar uren dat het kalm was om hun geliefkoosde Zaterdagmiddagsport te beoefenen. Terwijl het artillerie-duel nog voortduurde, lieten de soldaten, die, om eenige rust te nemen, op eenigen afstand van de vooruitgeschoven vuurlinie waren gebracht, de voetballen rollen. Spoedig daarop daagde een ander bataljon hen uit en weldra was een spannende wedstrijd aan den gang. Beide bataljons hadden in de laatste gevechten ernstige verliezen geleden, doch dit had, naar het scheen, geen uitwerking gehad op hun liefde voor sport.

Een dag later schrijft de krant Vooruit: De Engelschen zijn toch onverbeterlijke sportliefhebbers. Achter de loopgrachten, onder het geschutgedonder speelden zij met eenige snel gemaakte ballen een opgewekte voetbalmatch.

De legerleiding en zelfs koning Albert I zien al snel het belang in van het voetbal als verzetje voor de soldaten. Er worden verscheidene voetbalvelden aangelegd achter het front. Goetinck: De pleinen waren natuurlijk niet geheel effen, gezien het meeste aardappelvelden waren of gewezen korenvelden, maar er werd daar zoodanig op gespeeld dat ze effen geloopen werden.' Albert I woont weleens een match bij, bijvoorbeeld die tussen het 24e en 4e Linieregiment, zo meldt de Kroniek van het Belgisch voetbal, geschreven door Dirk Willocx en Jean Fraiponts. De commandant die bij die wedstrijd als scheidsrechter fungeert, zegt aan de koning dat het spel bemoeilijkt wordt door de zware legerschoenen die de soldaten altijd moeten dragen. Wat later krijgt diezelfde commandant van de koning 500 paar voetbalschoenen. Ook Goetinck ontvangt voetbalschoenen via de vorst, 1800 paar. Dat kon er nogal door. En af en toe zag men een voetballer die de studs afgetrokken had en er alzoo mee in verlof ging naar Parijs, kwestie van te 'presenteeren'!

Het voetbal brengt achter het front een massa militairen op de been. Bij sommige matchen staan duizenden soldaten rond het veld. Goetinck: Meer dan één piot verliet de loopgraven om zijn favorieten te komen aanmoedigen, op gevaar af gestraft te worden of acht dagen zijn solde afgenomen te worden, wat de ergste straf was.

Ondervoede spelers

Ook aan de andere kant van het front, in bezet België, beleeft het voetbal ondanks de oorlog hoogdagen. Volgens de Kroniek van het Belgisch voetbal stijgt het aantal aangesloten verenigingen bij de voetbalbond van 160 in 1914 naar ongeveer het dubbele in 1918. De clubs die er vóór de Groote Oorlog toe deden, blijven ambitieus. Terwijl zich in de Westhoek vreselijke taferelen afspelen, maken zij zich druk over de vertrouwde besognes in voetballand. Tussen de toenmalige topclubs Union Saint-Gilloise en Daring Club de Bruxelles, respectievelijk de Belgische vicekampioen en kampioen in het laatste seizoen vóór de oorlog, is er - met het wapengekletter op de verre achtergrond - getouwtrek over het binnenhalen van speler Alfred Guillaume van FC Vilvoorde.

Hector Goetinck, centraal op de foto, met het kind op de arm, vlak voor zijn aftocht naar het front. Voor zijn café verzamelen de miliciens om samen te vertrekken., GF
Hector Goetinck, centraal op de foto, met het kind op de arm, vlak voor zijn aftocht naar het front. Voor zijn café verzamelen de miliciens om samen te vertrekken. © GF

Met hun leden die niet naar het front moeten, spelen de clubs officieuze regionale competities. Zo is er een Brussels-Antwerps toernooi waarin naast Daring, Union en Anderlecht ook Antwerp FC, Beerschot AC en RC Mechelen aantreden. Zulke toernooien, telkens met acht à tien clubs, zijn er ook in Gent en Luik.

Maar naarmate de oorlog blijft aanslepen, ontstaan er almaar meer praktische moeilijkheden. In september 1916 geven de vier overgebleven bestuursleden van de Belgische voetbalbond ten einde raad hun goedkeuring voor doelnetten in kiekendraad. Op verschillende plaatsen dooft het animo rond de plaatselijke competities. Het Guldenboek van Racing Mechelen schrijft: De belangstelling én van spelers én van publiek liet veel te wensen over; de ondervoeding van de spelers veroorloofde hen niet meer over de nodige krachten te beschikken en het tornooi eindigde onder algemene onverschilligheid.

Duitsers beetnemen

Ook de clubs in het Brugse - dicht bij het front - kampen met problemen, aldus opnieuw de Kroniek van het Belgisch voetbal. De installaties van FC Brugeois worden door de plaatselijke Kommandatur opgeëist als wagenpark en stallingen voor legerpaarden die van hun inzet aan het front komen uitrusten. Na de oorlog blijven nog enkel de vier muren overeind. Dan is Cercle Sportif Brugeois er een tikje beter aan toe. De voorloper van het huidige Cercle Brugge kan wel over zijn terrein beschikken, maar enkel als de Duitsers het niet gebruiken voor eigen voetbalpartijtjes of voor het inoefenen van hun militaire parades.

Omdat Brugge in het door de bezetters vastgestelde Operationengebiet ligt, mogen FC en CS de regio niet verlaten en mogen ze geen andere clubs ontvangen. Beide verenigingen weigeren steevast om tegen Duitse elftallen te spelen, dus spelen ze maar eindeloos veel derby's tegen elkaar. Maar dan gebeurt het meer dan eens dat plots enkele Duitse soldaten opduiken met het bevel om de wedstrijd direct te staken omdat zij wat naar doel willen trappen.

Toch kan er af en toe ook eens gelachen worden in Brugge, zo blijkt uit het Guldenboek 1899-1989 van groen-zwart: Cercle moest die zondag een derby betwisten en vele spelers waren onbeschikbaar. Tot overmaat van ramp werd Frans Vanhoute, die wellicht een of andere bezetterswet had overtreden, door de Duitsers opgepakt en gratis gelogeerd in de gevangenis aan het Pandreitje. Het Cerclebestuur zat met de handen in het haar en dokterde een riskante oplossing uit: de broer van speler Emile De Buysere, de zestienjarige jeugdspeler André, was nogal klein van stuk maar een prima komediant. In een gesloten koets werd hij naar 't Pandreitje gevoerd en wenend gaf hij zich bij de Duitsers uit voor Frans' jongere broertje met de mededeling dat vader op sterven lag en smeekte hij om zijn gevangengenomen zoon nog eens te mogen zien. De list lukte, de Duitsers lieten zich door het gesnotter en gekerm van André vermurwen en Frans werd voor een paar uur de vrijheid gegund. In de koets trok hij vliegensvlug zijn voetbalplunje aan en hij verscheen één minuutje voor de aftrap op het veld.

Prinsen in Milaan

Al vroeg in de oorlog wordt aan het front een soort van nationale afvaardiging gevormd met de beste voetballers onder de strijdende Belgische soldaten. Die afvaardiging speelt in april 1915 zijn eerste match tegen een gelijkaardige Franse selectie. De Belgen winnen met 3-0. De ploeg krijgt de naam Front Wanderers, wat betekent: zij die langs het front zwerven. Het team wordt almaar sterker wanneer bekende spelers van de grote Belgische clubs erbij komen, onder wie Ferdinand Wertz van Antwerp FC, de al geciteerde Goetinck van FC Brugeois, Dominique Baes van Cercle en Armand Swartenbroeks van Daring CB.

In 1916 geeft de Belgische voetbalbond goedkeuring voor 'doelnetten in kiekendraad'.

In juni 1917 mogen de Front Wanderers per trein richting Milaan om er tegen een Italiaans legerelftal te spelen. Weer winnen de Belgen, met 3-4. De volgende dagen boeken ze ook nog een 0-5-zege tegen een stadselftal van Modena en gaan ze met 6-4 onderuit bij Milan FCB. Goetinck: ' Die reis naar Italië vergeet ik niet al werd ik honderd jaar. We waren tezamen gekomen te Adinkerke waar we om 5 uur 's namiddags moesten vertrekken. Allen welgezind, gekuischt, en gepoetst, de eene met een geleende culotte, de andere met een paar geleende botten, kapotte of képi. (...) We werden te Milaan ontvangen zoals prinsen! We waren de eerste Belgische soldaten die men daar te zien kreeg. (...) Iedere Italiaan wou een speler mee naar huis nemen om hem te herbergen. We moesten dadelijk van het station naar de opera waar er een galavertoning gegeven werd ter onze eer. We namen plaats in een loge en werden stormachtig toegejuicht en beladen met bloemen.'

De koninklijke familie was geregeld toeschouwer op militaire wedstrijden. Hier zien we koning Albert en kroonprins Leopold samen met militaire autoriteiten., GF
De koninklijke familie was geregeld toeschouwer op militaire wedstrijden. Hier zien we koning Albert en kroonprins Leopold samen met militaire autoriteiten. © GF

Enkele maanden later, in november 1917, mogen de Front Wanderers weer op reis, deze keer naar Engeland. Ook daar worden ze op handen gedragen. De trip is zo'n succes dat er begin 1918 al meteen een nieuwe editie komt.

'Zoo droevig'

Maar aan het front verdringt de zwarte realiteit van de loopgraven het hoerasfeertje rond die matchen in Italië en Engeland. Terwijl later in 1918 plannen op tafel liggen voor een derde Engelse tournee van de Front Wanderers, richt een Duits scherpschutter zijn vizier op Dominique Baes van Cercle, 'Piet' voor de vrienden. Goetinck: Ik hoorde van zijn broer dat hij zwaargewond in het ziekenhuis lag. Ik reed er dadelijk heen en als ik in de barak kwam, deed de ziekendienster teken dat hij niet mocht spreken. Een kogel had zijn dikken darm op acht plaatsen doorboord. (...) Hij had een verlof van een maand op zak, gezien zijn verloofde uit Brugge langs Holland in Engeland geraakt was. Piet ging daar in het huwelijksbootje treden. Haar portret lag op zijn nachttafel. Hij bekeek me toch zoo droevig en beteekenisvol in de oogen en dan naar dit portret. Ik drukte hem eens stevig de hand en moest weg. 's Anderendaags lag hij reeds in het doodhuisje en ik had nog juist den tijd om dien zeventwintig jarigen prachtkerel te helpen kisten.' In Cerclerangen alleen al laten 22 voetballers het leven, onder wie twee spelers van het eerste elftal.

Ook in het prinsdom Luik loopt de tol hoog op. De bekendste gesneuvelde daar is doelman MarcelLilyEvrard. In het seizoen 1912/13 debuteert hij al, op zijn 15e, in het eerste elftal van FC Liégeois. Een boekje over de 125e verjaardag van die club beschrijft dat Evrard opvalt omdat hij bij strafschoppen een eigenzinnige tactiek gebruikt: in de plaats van zich in het midden van het doel op te stellen, neemt hij weleens plaats dicht bij een van de palen, om de tegenstander van slag te brengen. Wanneer de oorlog uitbreekt, is hij nog te jong om gemobiliseerd te worden, maar een jaar later biedt hij zich met een valse leeftijd aan als vrijwilliger in het leger. Hij komt in Frankrijk terecht. Ook Evrard speelt tijdens de oorlog verscheidene voetbalmatchen. Tot hij eens een verkenningsvlucht moet uitvoeren maar zijn vertrouwde compagnon-mitrailleur afwezig is. Dus gooit Evrard maar een zak zand op de plaats waar normaliter zijn kompaan zit, om het evenwicht van het vliegtuig te bewaren. Evrard plaatst de zak echter op een slechte manier, waardoor zijn Nieuport 10 ten zuiden van Parijs neerstort in september 1916. Zo verliest ook FC Liégeois, dat zijn clubmars opdraagt aan Evrard, een van zijn grootste talenten.

In Brussel betaalt Léopold een zware tol. Het Guldenboek van de club, verschenen vlak na het conflict, maakt melding van 227 leden die hebben deelgenomen aan de gevechten. 45 onder hen hebben het leven gelaten. Tientallen zijn gewond geraakt. Eén van hen is Fernand Nisot, de jongste Rode Duivel ooit. Hij was pas 16 jaar en 19 dagen toen hij op 30 april 1911 al meedeed in de 7-1-zege van België tegen Frankrijk. Hij ontving verschillende eretekens omdat hij negen opeenvolgende dagen en nachten in de loopgraven van Diksmuide bleef zonder afgelost te worden. Alle aanvallen van de Duitsers kon hij afwenden, tot een obus hem trof. Toen hij op 10 november 1918, amper één dag voor Wapenstilstand, een tweede keer getroffen werd, weigerde hij om zich te laten evacueren en trotseerde hij nog een bombardement om aan de commandant van zijn bataljon alle nuttige informatie over te maken die hij vergaard had.

Nisot moet na de oorlog meer dan een jaar genezen van zijn verwondingen vooraleer hij de draad van zijn voetbalcarrière weer kan opnemen. Op het nippertje slaagt hij erin zich nog bij de Rode Duivels te scharen die deelnemen aan de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen. Daar pakt België zowaar goud. Volgens Goetinck is die grootse prestatie mede te danken aan het voetbal tijdens de Eerste Wereldoorlog en meer bepaald aan de Front Wanderers, van wie er verscheidene deel uitmaken van de olympische ploeg. Goetinck: De Front Wanderers die allen op het front en dus in de gezonde IJzerlucht leefden, hadden met oefening en hard labeur hun uithoudingsvermogen versterkt.

Met dank aan het Memorial Museum Passchendaele 1917 en aan Bruno Dubois van de vzw FOOT 100.

© GF

Gedenksteen achter toiletcontainer

Doorgaans loopt de doorsneesupporter er argeloos voorbij, maar verscheidene profclubs hebben in of vlak bij hun stadion nog een monument of gedenksteen ter ere van de leden die sneuvelden in de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Dat geldt onder andere voor Beerschot en Cercle Brugge. Ook bij KV Mechelen is dat zo, maar toen geel-rood zo'n tien jaar geleden kampte met een tekort aan sanitair, besliste de club om vlug-vlug een toiletcontainer neer te poten naast de toenmalige hoofdtribune. De container kwam pal voor de gedenksteen te staan waarop de tien namen prijken van Malinois-leden die sneuvelden in de 'Groote Oorlog'. Toen eerder dit jaar de hoofdtribune werd vervangen, sprak het nieuwe clubbestuur de intentie uit om het monument een nieuwe, waardige plek te geven.

Bij Antwerp, nog zo'n traditieclub, was er vroeger een heus oorlogsmonument. Daarop prijkten de namen van onder meer de elf gesneuvelde Antwerpleden van de Eerste Wereldoorlog en de tekst: dulce et decorum est pro patria mori - zacht en eervol is het te sterven voor het vaderland. In 1980 moest dat monument plaats ruimen bij stadionwerken. Vanwege de slechte staat van het beton werd het toen volledig gesloopt. Begin dit jaar kwam er vanuit het rood-witte legioen de vraag naar een nieuw gedenkteken, maar dat verzoek botste op een njet van het huidige Antwerpbestuur. De perswoordvoerder zegt dat Antwerp als traditieclub veel belang hecht aan de geschiedenis en het verleden van de club, maar: 'RAFC focust op de toekomst en de groei van onze club.'

De zomer van 1914. De Eerste Wereldoorlog is net uitgebroken. De 28-jarige HectorTortenGoetinck, legendarische linksbuiten van FC Brugeois, nu Club Brugge, moet naar het front. Den dag dat we optrokken, hadden wij nooit gedacht dat wij zooveel gingen voetballen, schrijft hij later in zijn boek Voetbalanecdoten. Vlak na de Duitse inval in België is de voetbalbedrijvigheid eerst even stilgevallen, maar al gauw wordt in bezet België weer her en der een balletje getrapt. Ook achter het front rolt de bal. Op veilige afstand van de frontlinie wordt voetbal voor menig soldaat en burger een manier om alle ellende eventjes te verdringen en het moreel op te krikken. Goetinck: Elk regiment, elk bataljon, elke compagnie, ja zelfs ieder peloton had zijn voetbalelftal aan den IJzer. Matchen tussen legerploegen vinden overal langs het front plaats, ook in het kleine stukje België achter de IJzer dat met hand en tand verdedigd wordt. Goetinck: Bachten De Kupe is het vette zaaigrond en we speelden nogal dikwijls tot aan de enkels in het slijk. 'Bachten De Kupe' is de benaming voor het stukje België dat geprangd ligt tussen de IJzer, de kust en de Franse grens. Op 7 oktober 1914 verbaast De Nieuwe Gazet zich over het fenomeen van de voetballende frontsoldaten. 'Voetbal in den bommenregen!', luidt de kop. Eronder staat: Uit Parijs naar Londen wordt gemeld dat er sedert gisterenmiddag tot hedenochtend vroeg een betrekkelijke kalmte heerscht over een groot gedeelte van het front. De Fransche soldaten stonden zeer verbaasd toen zij zagen hoe hunne Engelsche kameraden gebruik maakten van de paar uren dat het kalm was om hun geliefkoosde Zaterdagmiddagsport te beoefenen. Terwijl het artillerie-duel nog voortduurde, lieten de soldaten, die, om eenige rust te nemen, op eenigen afstand van de vooruitgeschoven vuurlinie waren gebracht, de voetballen rollen. Spoedig daarop daagde een ander bataljon hen uit en weldra was een spannende wedstrijd aan den gang. Beide bataljons hadden in de laatste gevechten ernstige verliezen geleden, doch dit had, naar het scheen, geen uitwerking gehad op hun liefde voor sport.Een dag later schrijft de krant Vooruit: De Engelschen zijn toch onverbeterlijke sportliefhebbers. Achter de loopgrachten, onder het geschutgedonder speelden zij met eenige snel gemaakte ballen een opgewekte voetbalmatch. De legerleiding en zelfs koning Albert I zien al snel het belang in van het voetbal als verzetje voor de soldaten. Er worden verscheidene voetbalvelden aangelegd achter het front. Goetinck: De pleinen waren natuurlijk niet geheel effen, gezien het meeste aardappelvelden waren of gewezen korenvelden, maar er werd daar zoodanig op gespeeld dat ze effen geloopen werden.' Albert I woont weleens een match bij, bijvoorbeeld die tussen het 24e en 4e Linieregiment, zo meldt de Kroniek van het Belgisch voetbal, geschreven door Dirk Willocx en Jean Fraiponts. De commandant die bij die wedstrijd als scheidsrechter fungeert, zegt aan de koning dat het spel bemoeilijkt wordt door de zware legerschoenen die de soldaten altijd moeten dragen. Wat later krijgt diezelfde commandant van de koning 500 paar voetbalschoenen. Ook Goetinck ontvangt voetbalschoenen via de vorst, 1800 paar. Dat kon er nogal door. En af en toe zag men een voetballer die de studs afgetrokken had en er alzoo mee in verlof ging naar Parijs, kwestie van te 'presenteeren'!Het voetbal brengt achter het front een massa militairen op de been. Bij sommige matchen staan duizenden soldaten rond het veld. Goetinck: Meer dan één piot verliet de loopgraven om zijn favorieten te komen aanmoedigen, op gevaar af gestraft te worden of acht dagen zijn solde afgenomen te worden, wat de ergste straf was. Ook aan de andere kant van het front, in bezet België, beleeft het voetbal ondanks de oorlog hoogdagen. Volgens de Kroniek van het Belgisch voetbal stijgt het aantal aangesloten verenigingen bij de voetbalbond van 160 in 1914 naar ongeveer het dubbele in 1918. De clubs die er vóór de Groote Oorlog toe deden, blijven ambitieus. Terwijl zich in de Westhoek vreselijke taferelen afspelen, maken zij zich druk over de vertrouwde besognes in voetballand. Tussen de toenmalige topclubs Union Saint-Gilloise en Daring Club de Bruxelles, respectievelijk de Belgische vicekampioen en kampioen in het laatste seizoen vóór de oorlog, is er - met het wapengekletter op de verre achtergrond - getouwtrek over het binnenhalen van speler Alfred Guillaume van FC Vilvoorde. Met hun leden die niet naar het front moeten, spelen de clubs officieuze regionale competities. Zo is er een Brussels-Antwerps toernooi waarin naast Daring, Union en Anderlecht ook Antwerp FC, Beerschot AC en RC Mechelen aantreden. Zulke toernooien, telkens met acht à tien clubs, zijn er ook in Gent en Luik. Maar naarmate de oorlog blijft aanslepen, ontstaan er almaar meer praktische moeilijkheden. In september 1916 geven de vier overgebleven bestuursleden van de Belgische voetbalbond ten einde raad hun goedkeuring voor doelnetten in kiekendraad. Op verschillende plaatsen dooft het animo rond de plaatselijke competities. Het Guldenboek van Racing Mechelen schrijft: De belangstelling én van spelers én van publiek liet veel te wensen over; de ondervoeding van de spelers veroorloofde hen niet meer over de nodige krachten te beschikken en het tornooi eindigde onder algemene onverschilligheid. Ook de clubs in het Brugse - dicht bij het front - kampen met problemen, aldus opnieuw de Kroniek van het Belgisch voetbal. De installaties van FC Brugeois worden door de plaatselijke Kommandatur opgeëist als wagenpark en stallingen voor legerpaarden die van hun inzet aan het front komen uitrusten. Na de oorlog blijven nog enkel de vier muren overeind. Dan is Cercle Sportif Brugeois er een tikje beter aan toe. De voorloper van het huidige Cercle Brugge kan wel over zijn terrein beschikken, maar enkel als de Duitsers het niet gebruiken voor eigen voetbalpartijtjes of voor het inoefenen van hun militaire parades. Omdat Brugge in het door de bezetters vastgestelde Operationengebiet ligt, mogen FC en CS de regio niet verlaten en mogen ze geen andere clubs ontvangen. Beide verenigingen weigeren steevast om tegen Duitse elftallen te spelen, dus spelen ze maar eindeloos veel derby's tegen elkaar. Maar dan gebeurt het meer dan eens dat plots enkele Duitse soldaten opduiken met het bevel om de wedstrijd direct te staken omdat zij wat naar doel willen trappen. Toch kan er af en toe ook eens gelachen worden in Brugge, zo blijkt uit het Guldenboek 1899-1989 van groen-zwart: Cercle moest die zondag een derby betwisten en vele spelers waren onbeschikbaar. Tot overmaat van ramp werd Frans Vanhoute, die wellicht een of andere bezetterswet had overtreden, door de Duitsers opgepakt en gratis gelogeerd in de gevangenis aan het Pandreitje. Het Cerclebestuur zat met de handen in het haar en dokterde een riskante oplossing uit: de broer van speler Emile De Buysere, de zestienjarige jeugdspeler André, was nogal klein van stuk maar een prima komediant. In een gesloten koets werd hij naar 't Pandreitje gevoerd en wenend gaf hij zich bij de Duitsers uit voor Frans' jongere broertje met de mededeling dat vader op sterven lag en smeekte hij om zijn gevangengenomen zoon nog eens te mogen zien. De list lukte, de Duitsers lieten zich door het gesnotter en gekerm van André vermurwen en Frans werd voor een paar uur de vrijheid gegund. In de koets trok hij vliegensvlug zijn voetbalplunje aan en hij verscheen één minuutje voor de aftrap op het veld. Al vroeg in de oorlog wordt aan het front een soort van nationale afvaardiging gevormd met de beste voetballers onder de strijdende Belgische soldaten. Die afvaardiging speelt in april 1915 zijn eerste match tegen een gelijkaardige Franse selectie. De Belgen winnen met 3-0. De ploeg krijgt de naam Front Wanderers, wat betekent: zij die langs het front zwerven. Het team wordt almaar sterker wanneer bekende spelers van de grote Belgische clubs erbij komen, onder wie Ferdinand Wertz van Antwerp FC, de al geciteerde Goetinck van FC Brugeois, Dominique Baes van Cercle en Armand Swartenbroeks van Daring CB. In juni 1917 mogen de Front Wanderers per trein richting Milaan om er tegen een Italiaans legerelftal te spelen. Weer winnen de Belgen, met 3-4. De volgende dagen boeken ze ook nog een 0-5-zege tegen een stadselftal van Modena en gaan ze met 6-4 onderuit bij Milan FCB. Goetinck: ' Die reis naar Italië vergeet ik niet al werd ik honderd jaar. We waren tezamen gekomen te Adinkerke waar we om 5 uur 's namiddags moesten vertrekken. Allen welgezind, gekuischt, en gepoetst, de eene met een geleende culotte, de andere met een paar geleende botten, kapotte of képi. (...) We werden te Milaan ontvangen zoals prinsen! We waren de eerste Belgische soldaten die men daar te zien kreeg. (...) Iedere Italiaan wou een speler mee naar huis nemen om hem te herbergen. We moesten dadelijk van het station naar de opera waar er een galavertoning gegeven werd ter onze eer. We namen plaats in een loge en werden stormachtig toegejuicht en beladen met bloemen.' Enkele maanden later, in november 1917, mogen de Front Wanderers weer op reis, deze keer naar Engeland. Ook daar worden ze op handen gedragen. De trip is zo'n succes dat er begin 1918 al meteen een nieuwe editie komt. Maar aan het front verdringt de zwarte realiteit van de loopgraven het hoerasfeertje rond die matchen in Italië en Engeland. Terwijl later in 1918 plannen op tafel liggen voor een derde Engelse tournee van de Front Wanderers, richt een Duits scherpschutter zijn vizier op Dominique Baes van Cercle, 'Piet' voor de vrienden. Goetinck: Ik hoorde van zijn broer dat hij zwaargewond in het ziekenhuis lag. Ik reed er dadelijk heen en als ik in de barak kwam, deed de ziekendienster teken dat hij niet mocht spreken. Een kogel had zijn dikken darm op acht plaatsen doorboord. (...) Hij had een verlof van een maand op zak, gezien zijn verloofde uit Brugge langs Holland in Engeland geraakt was. Piet ging daar in het huwelijksbootje treden. Haar portret lag op zijn nachttafel. Hij bekeek me toch zoo droevig en beteekenisvol in de oogen en dan naar dit portret. Ik drukte hem eens stevig de hand en moest weg. 's Anderendaags lag hij reeds in het doodhuisje en ik had nog juist den tijd om dien zeventwintig jarigen prachtkerel te helpen kisten.' In Cerclerangen alleen al laten 22 voetballers het leven, onder wie twee spelers van het eerste elftal. Ook in het prinsdom Luik loopt de tol hoog op. De bekendste gesneuvelde daar is doelman MarcelLilyEvrard. In het seizoen 1912/13 debuteert hij al, op zijn 15e, in het eerste elftal van FC Liégeois. Een boekje over de 125e verjaardag van die club beschrijft dat Evrard opvalt omdat hij bij strafschoppen een eigenzinnige tactiek gebruikt: in de plaats van zich in het midden van het doel op te stellen, neemt hij weleens plaats dicht bij een van de palen, om de tegenstander van slag te brengen. Wanneer de oorlog uitbreekt, is hij nog te jong om gemobiliseerd te worden, maar een jaar later biedt hij zich met een valse leeftijd aan als vrijwilliger in het leger. Hij komt in Frankrijk terecht. Ook Evrard speelt tijdens de oorlog verscheidene voetbalmatchen. Tot hij eens een verkenningsvlucht moet uitvoeren maar zijn vertrouwde compagnon-mitrailleur afwezig is. Dus gooit Evrard maar een zak zand op de plaats waar normaliter zijn kompaan zit, om het evenwicht van het vliegtuig te bewaren. Evrard plaatst de zak echter op een slechte manier, waardoor zijn Nieuport 10 ten zuiden van Parijs neerstort in september 1916. Zo verliest ook FC Liégeois, dat zijn clubmars opdraagt aan Evrard, een van zijn grootste talenten. In Brussel betaalt Léopold een zware tol. Het Guldenboek van de club, verschenen vlak na het conflict, maakt melding van 227 leden die hebben deelgenomen aan de gevechten. 45 onder hen hebben het leven gelaten. Tientallen zijn gewond geraakt. Eén van hen is Fernand Nisot, de jongste Rode Duivel ooit. Hij was pas 16 jaar en 19 dagen toen hij op 30 april 1911 al meedeed in de 7-1-zege van België tegen Frankrijk. Hij ontving verschillende eretekens omdat hij negen opeenvolgende dagen en nachten in de loopgraven van Diksmuide bleef zonder afgelost te worden. Alle aanvallen van de Duitsers kon hij afwenden, tot een obus hem trof. Toen hij op 10 november 1918, amper één dag voor Wapenstilstand, een tweede keer getroffen werd, weigerde hij om zich te laten evacueren en trotseerde hij nog een bombardement om aan de commandant van zijn bataljon alle nuttige informatie over te maken die hij vergaard had. Nisot moet na de oorlog meer dan een jaar genezen van zijn verwondingen vooraleer hij de draad van zijn voetbalcarrière weer kan opnemen. Op het nippertje slaagt hij erin zich nog bij de Rode Duivels te scharen die deelnemen aan de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen. Daar pakt België zowaar goud. Volgens Goetinck is die grootse prestatie mede te danken aan het voetbal tijdens de Eerste Wereldoorlog en meer bepaald aan de Front Wanderers, van wie er verscheidene deel uitmaken van de olympische ploeg. Goetinck: De Front Wanderers die allen op het front en dus in de gezonde IJzerlucht leefden, hadden met oefening en hard labeur hun uithoudingsvermogen versterkt.