Marc Noé: 'Op de topsportschool werken we niet met één trainer per leeftijdsgraad. We mixen de groepen zodat de leerlingen van elke trainer iets meekrijgen. Zo krijgen we tegelijk een beter overzicht van hun kwaliteiten. Want het is best mogelijk dat je van de ene trainer nooit een positieve evaluatie krijgt, terwijl het met een andere trainer beter klikt en die andere eigenschappen in je ziet. Hoe meer mensen we kunnen evalueren, hoe beter. Het is wel ook belangrijk dat elke trainer zijn eigen sterktes en zwaktes kent en dat daar afspraken over gemaakt worden. Bij ons loopt dat vlot. De leerlingen komen graag, omdat ze zich thuis voelen. Dat is door ons gecreëerd.
...

Marc Noé: 'Op de topsportschool werken we niet met één trainer per leeftijdsgraad. We mixen de groepen zodat de leerlingen van elke trainer iets meekrijgen. Zo krijgen we tegelijk een beter overzicht van hun kwaliteiten. Want het is best mogelijk dat je van de ene trainer nooit een positieve evaluatie krijgt, terwijl het met een andere trainer beter klikt en die andere eigenschappen in je ziet. Hoe meer mensen we kunnen evalueren, hoe beter. Het is wel ook belangrijk dat elke trainer zijn eigen sterktes en zwaktes kent en dat daar afspraken over gemaakt worden. Bij ons loopt dat vlot. De leerlingen komen graag, omdat ze zich thuis voelen. Dat is door ons gecreëerd.'Het gaat er niet alleen om dat de trainingen hen aanspreken, dat het leuk is en dat ze iets bijleren. Ook buiten het veld moet je er voor hen zijn. Dan komen ze met veel andere dingen naar je toe. Mathias Bossaerts kwam hier ooit op een ochtend binnen: 'Ik moet u spreken!' Hij was in de war door al die buitenlandse aanbiedingen die op hem afkwamen. 'Vijf clubs in Engeland, twee in Italië... wat moet ik doen?!' Daar praatten we toen een uur over. Soms gaan die gesprekken ook over een moeilijke thuissituatie, door problemen tussen moeder en vader of door ziekte. Als ik zie dat er bij iemand iets scheelt, neem ik die apart. Dan is het belangrijker dat je hem steunt. Is het toch nodig om kritisch te zijn, dan doe ik dat een-op-een. Als een speler voelt dat je er honderd procent voor hem bent, om hem beter te maken en om te helpen waar nodig, dan doet die alles voor jou. Dan wil hij niets liever dan dat je duidelijk bent, niet rond de pot draait, benoemt wat goed is en wat niet goed is. Bij het toenmalige Germinal Beerschot en ook nu hielp ik al veel afvallers een club op hun niveau te vinden. Ik laat die mannen niet vallen. Tenzij ze er de kantjes aflopen of na de evaluatie niet meer komen trainen. Dan zeg ik: 'Voor jou doe ik niets.' 'Eén keer in de week komt er een sportpsychologe, die zonder ons erbij veel een-op-eengesprekken voert en ook miniworkshops geeft. Er komt veel op die gasten af en dat vereist mentale weerbaarheid. Ze moeten omgaan met hun eigen ambities en met die van hun omgeving. Er zijn de studieresultaten en er zijn de resultaten in het voetbalproject hier én in de club. Iedereen wil aan boord blijven, want het doel is profvoetballer worden. Maar dat lukt natuurlijk niet voor iedereen. Die druk zorgt soms voor faalangst.' 'Druk is er ook van managers die de velden afschuimen, die aan je trekken en je zeggen dat je echt een heel goeie bent. Ik ben daar niet zo'n voorstander van. Misschien zijn managers wel wat gehaaider in contractbesprekingen. Maar mocht mijn zoon heel goed kunnen voetballen, dan zou het mij niet om de centen gaan, maar om: hoe is de begeleiding, op en naast het veld? Als je daar naar kijkt, dan kun je misschien al sommige clubs uitsluiten die je veel geld bieden. 'Ik verkies een stappenplan boven een contract. Als je tegen zo'n jongen zegt 'Je kunt hier om de hoek naar school blijven gaan, we zullen je begeleiden met een psycholoog, een diëtist, een conditietrainer, samen met je ouders en je manager, en na twee jaar zullen we zien of het goed genoeg is of niet', dan teken je daar toch voor? 'Waarom een jeugdspeler snel financieel vastleggen en pamperen? Uit angst om hem te verliezen? Wel, dan speel je hem maar kwijt hé! Ik vind vooral dat clubs een identiteit moeten hebben. Iemand die het echt goed meent en echt getalenteerd is, zal dat op termijn wel terugverdienen. Er zijn mensen die mij zeggen: 'Jij bent naïef, dat is old school.' Maar old school is dat niet, hoor. Want zij zeggen zelf dat tegenwoordig veel spelers onvoldoende mentaal weerbaar zijn en op termijn toch niet brengen wat ze ervan verwachtten en dat het uiteindelijk weggegooid geld is. Alle clubs zeggen hetzelfde: we investeerden zoveel in die spelers en wanneer ze met een tegenslag geconfronteerd worden, haken ze af. Maar eigenlijk creëren we dat zelf. Ik ben meer voor: 'Kom naar Beerschot Wilrijk, je krijgt geen contract, maar dit is ons verhaal: we gaan je twee à drie jaar ontwikkelen en omkaderen met specialisten. Als je talent hebt en goed begeleid wordt, komt het later wel op je bankrekening.' 'Natuurlijk, je moet het dan ook wel doen. Ik stel vast dat er tijdens de voorbereiding wel wat jonge spelers met de eerste ploeg mogen meetrainen, maar dat daar nadien niet veel meer van overschiet. Dat is fout. Die A-kernen zijn ook veel te groot. Ik begrijp echt niet waarom dat nodig is. En Belgen zijn te duur, hoor ik, maar de jonge Belgen niet, hoor! 'Ik vind dat de achttiende man op het wedstrijdformulier altijd een jeugdspeler zou moeten zijn. Die gebruik je toch nooit, dus is dat zo'n ramp? Zo krijgt zo'n jongen toch al de kans om ervan te proeven, om de wedstrijdvoorbereiding, de theorie en de opwarming mee te maken. En als het 4-0 is, dan gooi je er hem toch eens op? Dat zou voor iedereen een krachtig signaal zijn, voor de jeugd zelf, voor de mensen van je club die in jeugd investeren en voor je publiek. En: het gaat niet ten koste van het resultaat. 'En ik begrijp dat A-kernspelers die in het weekend afvallen tijdens de week soms een wedstrijdprikkel moeten krijgen, maar dat zou ik niet doen in de beloftecompetitie. Ik zou dat buiten competitie doen, tegen een andere profploeg van A-kernspelers die weinig speelminuten kregen in het eerste elftal. Zo speelden wij vorig seizoen tegen KAA Gent en KV Mechelen en dat waren prima oefenwedstrijden. Het biedt ook het voordeel dat in het belofteteam beloften niet moeten wijken voor A-kernspelers en bijgevolg beter geëvalueerd kunnen worden. 'Mocht ik morgen ergens in een technische commissie van een club zitten, dan zouden dat zaken zijn die ik meteen zou doordrukken. Als je dat goed communiceert, naar iedereen, dan zal je dat vrij snel een veel betere uitstraling geven. Dan maak je als club duidelijk: wij kiezen voor onze jeugd, dat is ons DNA en onze visie en wij rekruteren mensen die daarin passen. Het helpt bovendien te handelen met gezond verstand.' 'Jeugd is een fantastisch publiek als je er een klik mee hebt. Als je iemand kunt afleveren van een bepaalde kwaliteit en die zegt dat hij zich goed voelde bij jou en goed met jou kon werken, dan geeft dat een grote voldoening. Ik kan genadeloos hard zijn, maar als je correct en duidelijk bent, openstaat voor dialoog en veranderingen, dan gaan mensen dat aanvoelen en dan ben je al een heel eind ver als coach. Los van training geven, want ten slotte is de kunst spelers meekrijgen in je verhaal. 'Ik kan heel kritisch zijn, omdat ik to the point ben. Maar als ik de dag erna zie dat die gast dat oppikt, dan zal ik hem knuffelen en zeggen: 'Fantastisch gereageerd.' Spelers appreciëren dat en komen uiteindelijk zelf vragen: 'Wat vond je ervan?' Soms zeg ik dan: 'Het was dramatisch.' Maar dan moet je wel kunnen argumenteren en hen in het proces begeleiden natuurlijk. 'Het menselijk aspect wordt erg onderschat. Dat gaat om betrokkenheid tonen en eerlijk zijn met de bedoeling te helpen. Het strengst en het meest confronterend ben ik voor de besten. Doorgaans wordt voor hen alles geregeld. Een busje, een contract, de was, handdoekjes. Ik ben daar niet voor. Dat moet je niet doen, vind ik, omdat je dan te veel comfort creëert. Soms zeg ik: 'Wat beteken jij in de voetbalwereld? Je bent vijftien, je kunt goed sjotten, maar wat betekent dat nu? Niks. Je staat aan het begin van een hopelijk succesvolle voetbalcarrière. Wordt het niks, dan is dat geen ramp, op voorwaarde dat je er altijd alles voor deed.' ' Mousa Dembélé zat bij de U19 van Germinal Beerschot drie maanden naast mij in de dug-out. Ik zei tegen hem: 'Ik heb in mijn koffer een stok liggen. Als je wil, mag je hem gebruiken, want anders ga je omvallen op het veld.' Mousa, die bewoog niet. Die teerde op zijn talent. Ik bracht die vijftien à twintig minuten in en die zei daar niks van. Hij was te gemakkelijk. In de jeugd stond hij voorin, op negen, elf of tien. Zijn evaluaties waren altijd voor iedereen dezelfde: rendement in de eindfase veel te laag. Hij kon niet naar de goal sjotten en hij kon niet koppen. Maar dribbelen? Bangelijk. Bal bijhouden? Niet normaal. Ongrijpbaar. Die plakte aan zijn schoenen. Bijna vijftien jaar later sjot hij nog altijd op dezelfde manier, maar staat hij lager op het veld. Hij voetbalt nu vanuit zijn kwaliteiten en zo wordt zijn talent maximaal benut. 'Vorig seizoen was er voor de topsportscholen in het nationaal trainingscentrum in Tubeke een meet and greet met de Rode Duivels en de Mousa was een van de spelers die daar het woord namen. 'Ik zie daar mijn trainer staan, Marc Noë, die zat serieus op mijn kap', zei hij. 'Hij liet mij inzien dat je er ook hard voor moet werken, want dat talent het anders niet haalt.' Dat vond ik wel fijn om te horen. Ook als persoon is de Mousa dezelfde gebleven. Rustig. Down to earth. ' Radja Nainggolan was een pitbull. Die speelde in het midden en als het achteraan brandde, ging hij daar helpen. Moesten we scoren, dan werd hij een tien of een negen. Die kon alles. Goed naar de goal sjotten, een wisselpass trappen, een streep geven, tackelen, koppen en je desnoods in tweeën stampen. Een gast van de straat, hé. Ik weet nog dat ik eens zei: 'Jij bent vandaag met de velo. Gepikt? Terugzetten hé!' Veel van zulke jongens gaan in het jeugdvoetbal verloren, omdat veel trainers brave, volgzame spelers verkiezen. Daar moet je doorheen kijken. Radja kwam uit de Chicagobuurt, uit een sociale situatie waar velen nooit meer uit geraken. Iedereen verdient op een even respectvolle manier benaderd te worden.' 'Voor mij bezit iedereen talent. Het komt eropaan dat te herkennen, ermee aan de slag te gaan en er het maximum uit te halen. 'Ik ben van het principe: waar je heel goed in bent, moet je perfectioneren. Beter meer energie steken in het verbeteren van je al goeie center, zodat er negen in plaats van zeven op de tien van je voorzetten aankomen, dan door heel veel te trainen van je linkervoet een vier in plaats van een twee op tien te maken. Het is met wat je het best kunt, dat je je zult onderscheiden. Wij stimuleren om nog beter te worden in wat je al goed kunt. In onze rapporten krijg je zelfs extra punten als je in iets uitzonderlijk goed bent. Maar in België zijn we meestal meer bezig met het negatieve. We kijken te veel naar wat spelers niét kunnen. 'Ik was traag. Overal was ik de traagste van de ploeg. Bij Sint-Niklaas trainde ik samen met Peter Van Wambeke twee jaar op snelheid, door onder meer met halters de tribune op te lopen, maar tevergeefs. Waarom? Omdat ik dat niet had. Mijn talent was mijn spelinzicht en mijn winnersmentaliteit en daarmee ook anderen aansturen. Daar moest ik het mee doen. ' Sergio Busquets is ook traag. Hij loopt traag en hij draait traag. Maar toch zit hij bij een wereldploeg. Waarom? Omdat hij vanuit zijn kwaliteiten speelt en niet doet wat hij niet kan. Zullen ze in de jeugdopleiding van Barcelona met hem op startsnelheid en sprongkracht getraind hebben? Ik vermoed van wel. Maar een raket zal hij nooit worden, dus gebruiken ze hem op een positie en op een manier waarop zijn talent het best rendeert. Dat is de kunst. Hij speelt er vooral in de middencirkel, waar je de honderd meter niet in tien seconden hoeft te kunnen lopen, en verliest er zelden of nooit een bal. 'Het is natuurlijk altijd wat dubbel: soms zie je jongens binnenkomen die niet zo snel ogen, maar na verloop van tijd lijken die precies sneller door het spel beter te lezen en beter te anticiperen op situaties. Maar veel jeugdspelers doen ook vaak het tegenovergestelde van wat ze het best kunnen, omdat ze willen laten zien dat ze kunnen dribbelen of een panna kunnen doen of whatever. Mij gaat het er altijd om: wat kan ik goed en wat niet en hoe kan ik dat camoufleren? 'Toen Victor Wanyama hier destijds met zes andere Kenianen kwam testen, kon je misschien oordelen: geen goeie voeten. Maar hij was wel fantastisch in de balrecuperatie. Dat was Marcel Desailly. Bekijk zijn parcours sinds hij hier vertrok: Celtic, Southampton en Tottenham. ' Philippe Clement kon die parasol hier op het terras niet dribbelen. Dat zeg ik ook soms tegen spelers: 'Gij kunt die kartonnen doos niet dribbelen.' Dan zijn die boos. 'Máár: als je speelt vanuit je kwaliteiten, kun je misschien wel prof worden. Anders word je nooit prof.' Olivier Deschacht is ook zo iemand die weet wat hij kan en wat hij niet kan, die een goeie team- en clubspeler is en er zo het maximum uithaalt. Het gebeurt dat ik in Sport/Voetbalmagazine en Voetbal International citaten van zulke mannen met fluo aanduidt en ze op school laat voorlezen. 'Je moet het ook zelf afdwingen. Ik zat vroeger nooit veel op de bank. Hoe kwam dat? Dat lag aan mij. Wanneer het moeilijk werd en anderen afhaakten, werd ik juist sterker. Je moet kunnen omgaan met succes, maar ook met tegenslagen. Veel kinderen missen daar tegenwoordig de juiste mentale weerbaarheid voor. We moeten meer uit handen geven en hen zelf meer initiatief laten nemen, hen zelf laten experimenteren, ontdekken en nadenken, hen zelfstandig laten zijn. Laat ze zelf met een plan afkomen om aan hun goeie en minder goeie punten te werken. Laat ze zelf brainstormen over het intern reglement. Laat ze zelfs eens de theorie geven. Geef trainingen die hen prikkelen om zelf naar oplossingen op zoek te gaan. Trainers zeggen en doen te veel zelf. Onze gasten kunnen niet meer nadenken! 'Ik vind ook dat bij veel spelers de echte passie voor het voetbalspel ontbreekt. Het lijkt alsof ze het verschil niet meer voelen tussen winnen en verliezen. Bijna apathie is het. Sjotten om te sjotten. Wanneer er een goal gemaakt wordt, wil ik zien dat iedereen mee in het verhaal zit. Dat er beleving is voor de eigen prestatie maar ook voor die van het team. 'Clubs klagen dat spelers minder betrokken zijn, maar daar zorgen ze zelf mee voor. Ze halen jeugdspelers overal vandaag, om op korte termijn misschien iets betere resultaten te behalen met hun jeugdploegen, maar zonder meerwaarde op lange termijn. De meesten van hen zullen evenmin het eerste elftal halen, wat toch de ambitie is. Ondertussen nemen die de plaats in van jongens met affiniteit met de club, die om de hoek wonen, hier naar school gaan en dus niet met een busje gehaald moeten worden. Jongens die gewoon lekker komen voetballen, die goed trainen, zich ontwikkelen, vrienden maken en naar wedstrijden van den Beerschot komen kijken. Daar doe ik dus niet aan mee.'