Er zijn zo van die momenten dat we zonder het te beseffen ingehaald worden door het verleden. Eerder dit jaar, toen de Jupiler Pro League hardhandig in aanraking kwam met het coronavirus en het doek viel over de reguliere competitie, waren de bobo's van het Belgische voetbal zo gefocust op het stopzetten van het seizoen dat ze de draagwijdte van een andere gebeurtenis compleet over het hoofd zagen. Een event dat sinds 1952 niet meer was voorgevallen.
...

Er zijn zo van die momenten dat we zonder het te beseffen ingehaald worden door het verleden. Eerder dit jaar, toen de Jupiler Pro League hardhandig in aanraking kwam met het coronavirus en het doek viel over de reguliere competitie, waren de bobo's van het Belgische voetbal zo gefocust op het stopzetten van het seizoen dat ze de draagwijdte van een andere gebeurtenis compleet over het hoofd zagen. Een event dat sinds 1952 niet meer was voorgevallen. In die tijd was er nog geen sprake van de Gouden Schoen. Club Luik vierde toen de voorlaatste landstitel uit zijn geschiedenis door KV Mechelen, Antwerp en Union Saint-Gilloise achter zich te laten. Van Anderlecht was er op dat moment geen spoor in de top vier. Standard van zijn kant moest tot het einde vechten om twee puntjes voorsprong te behouden op Racing Club Brussel dat zou degraderen. Tijdens de 68 daaropvolgende edities zouden de Rouches en/of paars-wit telkens een van de eerste vier plaatsen bezetten in het eindklassement. Tot in de lente van 2020, toen de Luikenaars op een vijfde plaats strandden en RSCA zijn queeste naar de top zes in extremis afgebroken zag. Standard en Anderlecht zijn de meest tot de verbeelding sprekende rivalen uit het Belgische voetbal. Maar hebben ze niet beide de trein gemist die voortgetrokken wordt door de Brugse locomotief? Het is in elk geval zo dat slechts een van de laatste zes titels naar het duo ging. Met dank aan René Weiler, die de Brusselaars in 2017 naar de top loodste. Na enkele decennia van voorspoed zitten de twee clubs nu al jaren op droog zaad. En dit seizoen zal daar wellicht geen verandering in komen.Sclessin is net als het Lotto Park nog steeds in volle heropbouw. Intussen zal Bruno Venanzi ondervonden hebben hoe moeilijk het is om een club volledig naar zijn hand te zetten zonder er zijn vingers aan te branden. Hij vierde onlangs zijn vijfde verjaardag aan het hoofd van Standard, maar de club staat nog steeds in de steigers. Philippe Montanier is na Slavo Muslin, Yannick Ferrera, Aleksandar Jankovic en Michel Preud'homme zowaar de vijfde hoofdtrainer van Standard in het tijdperk Venanzi. De 56-jarige Fransman is nog geen half jaar aan de slag op Sclessin, maar er heerst nu al onvrede over het povere spektakel van de ploeg. En een deel van de supporters huivert zelfs bij het zien van zijn balans. In de bestuurskamer is het aantal transferbewegingen ook niet meer te overzien. Het sportieve departement werd achtereenvolgens toevertrouwd aan Axel Lawarée, Daniel Van Buyten, Olivier Renard, Preud'homme - weer hij - en sinds afgelopen zomer heeft Benjamin Nicaise het voor het zeggen. Ze introduceerden elk om beurt hun methodiek en braken hun hoofd over de spelerskern die door hun voorgangers was uitgetekend. 'Duje Cop is aan zijn vierde seizoen bezig bij Standard. Ik ben niet verantwoordelijk voor zijn komst. Maar zolang hij hier is, zullen we er alles aan doen om hem de beste werkomstandigheden aan te bieden', vertelde Nicaise aan de geschreven pers in de marge van de Europese verplaatsing naar Benfica. De verklaringen van Nicaise vatten perfect samen welke evenwichtsoefeningen een sportief directeur van Standard momenteel moet kunnen uitvoeren. De werken op Anderlecht gingen later van start en daardoor is de werf nog niet zo goed opgeschoten als die van Standard. De tumultueuze overname van paars-wit, die tot ieders verbazing in het voordeel van Marc Coucke beslecht werd, dateert van eind 2017 en sindsdien hebben de Brusselaars zich niet meer gemengd in het titeldebat. Het prestigieuze bezoek aan Old Trafford in de lente van 2017 is een vage herinnering, want daarna proefde Anderlecht nog maar één keer van Europees voetbal. De voorbije drie jaar waren er zoveel personeelswissels dat Anderlecht veel weg had van een interimkantoor voor voetbalmedewerkers. Op Neerpede, het zenuwcentrum van de recordkampioen, werden mannen als Luc Devroe, Michael Verschueren, Pär Zetterberg, Frank Arnesen voorgedragen en weer afgevoerd. Enkele maanden geleden moest eigenaar Coucke zelfs plaatsruimen voor Wouter Vandenhaute. De familie Vanden Stock, die van 1971 tot 2017 het Brusselse instituut leidden, liet een zware nalatenschap achter en de overdracht gebeurde niet zonder slag of stoot. Hoe kan het ook anders aangezien de club zich in een vingerknip moest omvormen van een groot familiebedrijf naar een multinational met een gestroomlijnd beleid? Vandaag wordt het businessplan van Club Brugge voorgesteld als het te volgen voorbeeld voor Belgische clubs. Maar toen Bart Verhaeghe in 2011 de club opkocht, moest hij hetzelfde hindernissenparcours afleggen als zijn collega-voorzitters van Anderlecht en Standard. De laatste titel van de Bruggelingen werd zes jaar daarvoor gewonnen en de ondernemer uit Grimbergen heeft gedurende vijf jaar gigantische bedragen moeten investeren om Timmy Simons in 2016 uiteindelijk de beker te zien heffen in de Brugse lucht. Time is money. Maar tijd om een club te heropbouwen is er niet in een vluchtige wereld als dat van het voetbal. Af en toe moet een club het belang van het verleden afwegen tegen de toekomstperspectieven. Weiler haalde zich ooit de banbliksems van de Anderlechtpuristen op de hals toen hij na een nederlaag op de Freethiel in een volle perszaal op de ziel van de club trapte. 'Traditie en geschiedenis maken geen goals', was de mening van de Zwitser. Anderlecht verwerpt de opvattingen van Weiler. Maar na de drie opeenvolgende titels aan het begin van de jaren 2010, waarvan de laatste behaald werd na een adembenemend slot in de play-offs, komt Anderlecht in de Belgische competitie niet meer in het stuk voor. Behalve in het eerste seizoen onder Weiler. Het exorbitante uitgavenpatroon van de club is omgekeerd evenredig aan de resultaten. Anderlecht betaalt fors voor spelers als Steven Defour, Nicolae Stanciu, Bubacarr Sanneh en Michel Vlap, maar een deel van hen flopt en de rest heeft zijn transferbedrag nooit kunnen rechtvaardigen. De andere topclubs geven minder geld uit en/of mikken op de juiste transfertargets. Het economische model van Anderlecht, dat voornamelijk gebaseerd is op een herhaaldelijke deelname aan de groepsfase van de Champions League, stuikt helemaal in elkaar nadat het kostbare kleinood slechts een keer in vijf jaar tijd bemachtigd wordt. Vincent Kompany haalt de voorbeelden van Manchester United en AC Milan aan om de supporters te confronteren met de harde realiteit. Weiler, die minder aanleg had voor diplomatie, verwoordde het ooit als volgt: ' No club is too big to fall. ' Geen enkele club is te groot om ten onder te gaan. Terwijl Anderlecht de ondergang wil vermijden, is Standard wanhopig op zoek naar stabiliteit. Enkele weken na de spectaculaire eindspurt van Ricardo Sá Pinto in play-off 1, die een tweede plaats opleverde na kampioen Club Brugge, neemt Michel Preud'homme niet toevallig het woord 'stabiliteit' in de mond. MPH wordt met veel vertoon naar de boorden van de Maas gerepatrieerd en wil de plaats van Standard aan de top van het Belgische voetbal consolideren. De diagnose van Preud'homme is niet verkeerd: de successen van de club doen zich zo vaak met horten en stoten voor dat er van stabiliteit weinig sprake is. Geslaagde Europese campagnes, bekeroverwinningen en sensationele play-offs na een dof regulier seizoen worden vlotjes met elkaar afgewisseld. Een remedie is er voorlopig niet. Zo werd er vorig seizoen ongeveer dertig miljoen aan spelersmateriaal geïnvesteerd om mee te strijden voor de titel - al werd dat nooit met zoveel woorden gezegd - maar meer dan een teleurstellende vijfde plaats zat er niet in. Ondanks het stevige prijskaartje van de spelerskern ligt de kwaliteit ervan ver onder die van de andere titelkandidaten, zou blijken in een door COVID-19 vertekende campagne. Geld verliezen wordt enkel getolereerd als er prijzen tegenover staan. Maar bij de Rouches zijn ze de rode draad van hun eigen verhaallijn al lang kwijt omdat het sportief beleid verandert naargelang het profiel van de sportief manager. Olivier Renard kon enkele witte raven op de kop tikken, Preud'homme had het meer voor gevestigde waarden met een hoge inkoopprijs die geen inloopperiode nodig hadden en nu zet Standard alles in op de datascoutingmethode van Benjamin Nicaise die teert op een enorme gegevensbank om zijn succesratio te maximaliseren. Op het vlak van scouting hebben de twee grootste vijanden van de Jupiler Pro League, die zo snel mogelijk willen terugkeren naar de hoogste sferen van ons elitevoetbal, elkaar gevonden. Nicaise werd in de lente van vorig jaar tot hoofd van de scoutingcel benoemd na het vertrek van Renard, van wie gezegd wordt dat een samenwerking met Preud'homme onmogelijk was geworden. Renard was de man van het veldwerk: hij kon in een oogopslag een talent ontwaren. Nicaise reist veel en drukt meteen zijn visie door op het vlak van scouting. Elk profiel dat in aanmerking komt voor een transfer wordt gecheckt op basis van datagegevens en er wordt een schaduwelftal gevormd met vier of vijf spelers voor elke positie. Kwestie van niet overrompeld te worden door het vertrek van een basisspeler. Zo komt Standard op het spoor van Nicolas Gavory, een speler die indrukwekkende offensieve statistieken kon voorleggen in de Eredivisie en ook gevolgd werd door Renard. Bij Anderlecht was het scoutingdepartement ook toe aan een nieuw likje verf. Onder het bewind van Herman Van Holsbeeck lag de macht bij de makelaars en de laatste jaren lieten Devroe en Verschueren na om de afdeling te moderniseren. Sinds maart van dit jaar mag Peter Verbeke het departement onder handen nemen. De dertiger kwam over van Gent, waar Michel Louwagie en Ivan De Witte weinig vertrouwen leken te hebben in het hoogwaardige scoutingteam dat ze zelf hadden samengesteld. Ze gaan liever af op hun buikgevoel en het advies van hun huismakelaars. Verbeke, de nieuwe Head of Sports van Anderlecht, installeert zijn professionele werkmethodes op Neerpede en legt de hele voetbalwereld onder zijn microscoop met datagegevens als uitgangspunt. Hij kamt zelfs de minder conventionele voetballanden uit in de hoop een speler te vinden die weinig kost en later voor veel geld doorverkocht kan worden. RSCA had geanticipeerd op die nieuwe manier van werken door zich in de herfst van 2019 te verzekeren van de diensten van Lee Mooney, oud-directeur van de Data Science-afdeling van Manchester City. Na een grondige analyse van het beschikbare cijfermateriaal kreeg Mooney onder andere Amir Murillo en Kemar Lawrence in het vizier. De opdracht is veel lastiger als het aankomt op het rekruteren van aanvallende spelers die het verschil moeten maken in de rechthoek van de tegenstander. Simpelweg omdat ze duurder zijn. En omdat de twee onwrikbare bastions van het begin van de 21e eeuw het zich niet kunnen veroorloven om buitensporige bedragen uit te geven. Tijdens de laatste mercato rijfden Gent en Genk peperdure aanwinsten binnen in een poging om de concurrentie aan te gaan met Club Brugge. Anderlecht kon met moeite twee miljoen euro betalen voor Mustapha Bundu, terwijl Standard een paar 100.000 euro minder betaalde voor Jackson Muleka en vijftig procent van de meerwaarde bij een doorverkoop aan TP Mazembe afstond. Uiteindelijk werd er geen enkele transfer afgesloten die meer dan een half miljoen euro kostte. Om het offensieve segment te versterken werd er dus volop ingezet op huurovereenkomsten zonder aankoopoptie ( Percy Tau en Lukas Nmecha) of spelers uit de eigen opleiding ( Michel-Ange Balikwisha en Abdoul Tapsoba). Vandaag is het voor Anderlecht en Standard een utopie om te kunnen wedijveren met de Brugse mastodont. De Rouches en paars-wit staan in de schaduw van Club Brugge en Verhaeghe en lijken in de gewichtsklasse te boksen van Genk, Gent en de twee opkomende machtsblokken Charleroi en Antwerp. Na het historische incident dat zich in de lente voltrok, zou een scenario waarbij de twee giganten van het Belgische voetbal buiten de top vier vallen geen opzien baren. Zou de clásico zijn naam nog waard zijn mocht het gedegradeerd worden tot een wedstrijdje in play-off 2?