Lommel SK wordt weldra overgenomen door een illustere Israëlische advocaat. KVC Westerlo zal binnenkort dan weer een Turkse eigenaar krijgen. Daarmee verdwijnen opnieuw twee Belgische profclubs in buitenlandse handen met als doel grof geldgewin via een transfercarrousel van jonge buitenlandse voetballers. Gingen Lommel en Westerlo reeds vooraf: KV Kortrijk, STVV, Moeskroen, Eupen, Cercle Brugge, Lierse, OH Leuven, Union, Tubize en Roeselare. Dat maakt een totaal van maar liefst 12 op 24 Belgische profclubs, de helft dus.

Hoe is het zo ver kunnen komen? De oorzaak is meervoudig.

Dankzij de recente successen in Rusland en de 1ste plaats op de wereldranglijst van onze Rode Duivels zijn buitenlandse ogen sowieso al wat meer op België gericht. Ook onze binnenlandse competitie staat relatief hoog aangeschreven. Dat laatste wordt onderstreept door de UEFA-competitiecoëfficiënt. Dankzij de Europese prestaties van onze clubs bekleedt ons land momenteel een behoorlijke 8ste plaats.

Om al die redenen wordt de Jupiler Pro League als een goede en uitdagende leerschool beschouwd voor beloftevolle jonge spelers. Die kunnen er zich vervolmaken als profvoetballer, zich vervolgens in de kijker spelen om tenslotte met winst doorverkocht te worden aan kapitaalkrachtige clubs uit de grootste Europese competities.

Niet onbelangrijk daarbij is dat in België nog steeds bij uitstek het klimaat heerst om zo'n transfersysteem op te zetten. Enerzijds is er het gunstige RSZ-regime voor profsporters, en anderzijds zijn er - in tegenstelling tot andere landen - geen strikte richtlijnen wat betreft het aantal toegelaten buitenlandse spelers en hun minimumloon. Zo kan men op een relatief goedkope manier een groot aantal voetballers uit armere landen naar België halen, in de hoop dat er één doorbreekt en via een lucratieve transfer de hele investering terugbetaalt.

Men kan zich ethische vragen stellen over de vele andere jonge buitenlanders die niet doorbreken en vervolgens aan hun lot worden overgelaten door clubs en makelaars. En ook over de vele Belgische jeugdvoetballers die hierdoor hun speelkansen in het eerste elftal in rook zien opgaan. En over de vele supporters die hun eigen club niet meer herkennen.

In de bestuurskamers waar beslist wordt over zulke overnames ligt men daar echter niet wakker van. Het grote probleem van die Belgische bestuurders is de financiële toestand waarin ze hun club hebben gemanoeuvreerd. In hun zoektocht naar sportieve successen heerst in vele bestuurskamers een onweerstaanbare drang om meer centen uit te geven dan er binnenkomen "omdat dat nodig is, wil je een spelersgroep samenstellen voor dat niveau".

Vaak slaagt men er nog in om een aantal jaren het hoofd boven water te houden, maar het is onvermijdelijk dat zo'n kamikazebeleid ooit faliekant afloopt. Een verlieslatende club met een dreigende schuldenberg is het gevolg, en zo word je een makkelijke prooi voor buitenlandse overnemers. Die eens zo mooie club is nu letterlijk herleid tot een nummer. Een interessant stamnummer dat recht geeft op deelname aan een competitie waar men lucratief spelers kan verhandelen. Dat is waar de nieuwe buitenlandse eigenaar op mikt, en de gehele clubwerking zal daarop worden afgesteld.

Mijn vraag daarbij is: was het dat nu allemaal waard? Is het dan echt een must om op een bepaald niveau actief te zijn? Is het al ooit in zo'n bestuurskamer opgekomen om op de financiën te letten en niet meer uit te geven dan er redelijkerwijze verwacht wordt dat er zal binnenkomen?

Zak je daardoor op natuurlijke wijze naar een lager niveau, dan so be it. Je bent niet zomaar het eerste beste bedrijf, laat staan een financieel speeltje. Je bent een sportclub met een rijk verleden, een sociale functie, een jeugdwerking, een supportersschare. Dat verdient meer respect.