Hans Croon heette destijds de voorloper van het modernisme te zijn. Op en naast het veld. Toen de Nederlander midden 1972 bij Waregem arriveerde, ging hij zijn spelers 's avonds in familiekring bezoeken. Hij wilde kijken hoe ze leefden. Croon sprak dan altijd met de vrouw, met de kinderen, alles wat er hem werd verteld noteerde hij op een fiche. En hij voorspelde op het einde van zo'n gesprek altijd de toekomst van de speler in kwestie. Verhalen uit de prehistorie?
...

Hans Croon heette destijds de voorloper van het modernisme te zijn. Op en naast het veld. Toen de Nederlander midden 1972 bij Waregem arriveerde, ging hij zijn spelers 's avonds in familiekring bezoeken. Hij wilde kijken hoe ze leefden. Croon sprak dan altijd met de vrouw, met de kinderen, alles wat er hem werd verteld noteerde hij op een fiche. En hij voorspelde op het einde van zo'n gesprek altijd de toekomst van de speler in kwestie. Verhalen uit de prehistorie? Niet echt. Toen nog een Nederlander, Sef Vergoossen, in juni 2001 bij KRC Genk neerstreek, verbaasde hij de spelers toen hij iedereen met zijn familie bij hem thuis uitnodigde, in het landelijke en vlak bij Valkenburg gelegen plaatsje Aalen. Hij wilde iedere speler in gezinsverband leren kennen. Wie neemt initiatief en wie niet, wie doet mee aan een aantal activiteiten en wie niet, hij vond dat uitermate interessant. Daarom liet Vergoossen de spelers ook een papier invullen met hun persoonlijke gegevens. Dat kon hij net zo goed op het secretariaat opvragen, maar Vergoossen wilde gewoon zien: wie vult zo'n papier netjes in en wie slordig? Dat zijn dingen die hem hielpen. En die hem toelieten sneller te schakelen. Geen detail, vond hij, mocht hem ontsnappen. Nog voor zijn aanstelling had Vergoossen niet alleen de manier van voetballen van zijn groep geanalyseerd en geobserveerd, maar ook aantekeningen gemaakt bij hun houding op het veld. Hij was een paar dagen trainer van KRC Genk toen hij Wesley Sonck voor een gesprek ontbood. Hij zei hem dat die te veel in de clinch ging met de scheidsrechter en vroeg hem zich anders te gedragen. Vergoossen zei onverbloemd dat bij Sonck de emotie te vaak het verstand verdreef. Zou Albert Stuivenberg, nadat hij trainer werd van KRC Genk, de spelers bij hem thuis hebben uitgenodigd? Of alle andere trainers die nu met hun club in de knoop liggen? Zijn er nog trainers die de tijd nemen om spelers thuis te bezoeken? Of hebben ze het te druk en past dat niet meer in het tijdsbeeld? Als trainer van Club Brugge zei Georges Leekens dat de spelersvrouwen bepalend waren voor de sfeer in de groep. Hij overwoog zelfs om tijdens de wedstrijden voor kinderopvang te zorgen. En Leekens organiseerde feestjes als het minder liep en gebruikte die om, in een sfeer van ongedwongenheid, bepaalde plooien glad te strijken. Nu doen trainers het anders. Zakelijker en al dan niet met de hulp van een psycholoog. Maar of dat efficiënter is?