De normaalste zaak van de (Belgische volleybal)wereld: Knack Roeselare en Greenyard Maaseik troffen elkaar in de finale van de play-offs. Weinig nieuws onder de zon, zou je dan denken, maar in deze b(iz)arre tijden is niets normaal, ook niet in het volleybal.
...

De normaalste zaak van de (Belgische volleybal)wereld: Knack Roeselare en Greenyard Maaseik troffen elkaar in de finale van de play-offs. Weinig nieuws onder de zon, zou je dan denken, maar in deze b(iz)arre tijden is niets normaal, ook niet in het volleybal. Geen toeschouwers, geen vips, geen catering: 'Als de overheid niets doet, is er volgend jaar een bloedbad in het volleybal', trok Dirk Spencenier, algemeen directeur bij Roeselare, in november op de Sporza-website al aan de alarmbel. Een maand later becijferde hij in Sport & Strategie dat 'het inkomstenverlies kan oplopen tot 500.000 euro als deze situatie aanhoudt'. Voor een club met een budget van ongeveer 2,5 miljoen euro komt dat neer op 20 procent. Bij de andere clubs uit de EuroMillions Volley League klonk eenzelfde geluid. 'We zitten met een scheefgetrokken resultatenrekening', trapte Bart De Smet, naast voorzitter van het VBO en van de raad van bestuur van verzekeringsmaatschappij Ageas ook bestuurslid bij BDO Haasrode Leuven, een open deur in. 'De inkomsten daalden en daartegenover stond dat de uitgaven stegen. Dan denk ik in de eerste plaats aan de sanitaire meerkost. We testten de spelers tweemaal per week en we kochten materiaal aan om de ballen continu te ontsmetten.' Anne Verhelst, manager van Decospan Volley Team Menen beaamde: 'Voor onze vipruimte lieten we overal plexiglazen schermen maken om tussen de zetels te plaatsen. Ze zijn geleverd en moeten betaald worden, ook al konden we ze niet gebruiken', vertelde ze aan Sport & Strategie. 'Het zijn allemaal kosten die we vooraf niet hadden ingecalculeerd. Ik schat dat het totaalplaatje zal uitkomen op 20.000 euro meer dan gebudgetteerd.' Dat de acht Ligaclubs het seizoen ondanks de lagere inkomsten en de hogere uitgaven toch konden volmaken, dankten ze in de eerste plaats aan hun trouwe geldschieters. 'Sommige sponsors stelden zelfs voor om vroeger te betalen om de cashflow planning in stand te houden', aldus De Smet namens Haasrode Leuven. 'Voor volgend seizoen, wanneer bedrijven hun financiële verlies beter kunnen inschatten, wordt het afwachten. Ze gaan hun budgetten misschien heralloceren, waarbij mogelijk vooral cultuur en sport de negatieve gevolgen zullen voelen.' De steunmaatregelen van de verschillende overheden hielpen uiteraard ook, en dan was er nog een derde, misschien wel verrassende factor. Anne Verhelst: 'Terwijl ik vroeger het gevoel kreeg dat het ieder voor zich was, merkte ik een grote solidariteit tussen alle Ligaclubs. Hoe pakken jullie het aan? Hoe lossen jullie bepaalde problemen op? Iedereen stuurde ideeën naar elkaar door. Dat was het enige positieve aan dit hele verhaal.'Tot daar het extrasportieve verhaal; ook op sportief vlak was het geen traditioneel seizoen. Roeselare en Maaseik maakten alweer onder elkaar uit wie er kampioen werd, dat wel, maar voor het eerst in meer dan vijftien jaar haalde Lindemans Aalst de Champions Final 4 (voordien de play-offs) niet. In de Challenge Final 4, waarin de nummers 5 tot 8 streden voor nog één Europees ticket, moest Aalst bovendien zijn meerdere erkennen in Tectum Achel. 'Absoluut een tegenvaller', aldus Johan Devoghel, al sinds 2013 coach bij Aalst. De verklaring zoekt hij deels bij het Europese programma van zijn ploeg. 'Om je een voorbeeld te geven: meteen na het eerste Champions Leaguetoernooi stonden we thuis met 2-0 voor tegen Achel, maar we zakten er vervolgens volledig door en verloren de wedstrijd nog met 2-3. Bij winst hadden we wél de top 4 gehaald. Met Haasrode Leuven eindigden we immers op punten gelijk na de reguliere competitie. Een andere oorzaak is onze blessurelast: Seppe Van Hoyweghen was een hele tijd uit met een duimblessure, Jeroen Oprins sukkelde eerst met zijn kuit en nadien met een scheenbeenvliesontsteking, François Lecat bleef last ondervinden van een scheurtje in zijn schouder en werd in februari uiteindelijk geopereerd, en zo kan ik er nog wel enkelen opnoemen.' Een jonge en onervaren ploeg geeft Devoghel als derde reden voor het missen van de Champions Final 4. 'We gaan de kaart van de jeugd blijven trekken, maar met een mix tussen jong talent en ervaren spelers hopen we volgend seizoen een betere ploeg op de been te brengen.' Met de terugkeer van de Nederlandse hoofdaanvaller Robin Overbeeke (Volleyballer van het Jaar in 2015) en Seppe Baetens (bekerwinnaar in 2015 met Aalst, en dus ook met Overbeeke) zou dat moeten lukken. Waar de club met het derde grootste budget teleurstelde, bleef de hiërarchie helemaal bovenin gerespecteerd: voor de 21e keer was het Roeselare versus Maaseik in de titelfinale. Het is al van 1994 en het VC Zellik van mecenas Paul De Smet geleden dat een andere ploeg dan de Grote Twee de landstitel kon pakken. In de beker heeft Roeselare al een decennium de bovenhand op Maaseik. In februari behaalde het zijn zesde overwinning op rij, terwijl de Limburgers in 2012 hun veertiende - evenveel als Roeselare - en voorlopig laatste beker wonnen. In de strijd om het kampioenschap was Maaseik de afgelopen twee edities (in 2018 en 2019, want in 2020 werden de play-offs geannuleerd) dan weer de sterkste. Eenzelfde scenario was voor aanvang van de eindstrijd niet ondenkbaar. Maaseik had immers dé tool in handen om Roeselare te kloppen: power aan de servicelijn. Niet voor niets topten twee spelers van de recordkampioen het klassement van het aantal aces ( zie kader). Opslagdruk zou cruciaal worden in de finale, want daar had Maaseik zijn tegenstander al meermaals pijn mee gedaan. Ook Roeselare, dat in een recent verleden vaak opteerde voor de jump float (een zachte sprongservice, die door het effect op de bal wel verraderlijk kan zijn), investeerde veel in krachtige opslagen, maar moest op dat vlak nog altijd zijn meerdere erkennen in zijn eeuwige rivaal. In de eerste finalewedstrijd bleek de angst, die er bij Roeselare wel degelijk was voor het opslagwapen van Maaseik, gegrond. Het West-Vlaamse thuisvoordeel in de best-of-fiveserie was meteen van het parket geveegd. In de meeste andere spelonderdelen - receptie, aanvalskracht, blok-verdediging - lagen beide ploegen het hele seizoen bijzonder dicht bij elkaar. Hét verschil zat hem vooral in één, essentiële, positie: de spelverdeling. De Iraniër Javad Karimisouchelmaei, om evidente reden aangesproken met zijn voornaam, viel bij Maaseik net als zijn landgenoot, de boomlange receptiehoekspeler Amirhossein Esfandiar door de mand. Hun passage bij Maaseik was niet onvergetelijk en zal naar alle waarschijnlijkheid tot één seizoen beperkt blijven. Javads stand-in, Liam McCluskey (slechts 19) zat vorig jaar nog op de Topsportschool. McCluskey is heel gedreven, heeft een enorm potentieel en deed het ook voortreffelijk - de reden waarom Maaseik uiteindelijk geen beroep deed op een medical joker (transfer die tijdens het seizoen nog mogelijk is als een speler met een blessure uitvalt) toen Javad geblesseerd raakte - maar hij miste logischerwijze het metier van de setter aan de andere kant van het net. Na twee jaar bij de Italiaanse topclub Civitanova keerde Red Dragon Stijn D'Hulst terug naar Knack Roeselare om er eindelijk de onbetwistbare eerste spelverdeler te worden. Hij deed het met verve. D'Hulst excelleert niet alleen als hij de bal perfect in zijn handen krijgt. Ook als de receptie tot drie, zelfs vier meter van het net komt, kan hij nog heel flitsend passen en krijgt hij nog al zijn aanvallers aangespeeld. Zijn uitverkiezing tot Volleyballer van het Jaar was dan ook oververdiend. Onder impuls van wielerliefhebber D'Hulst schakelde Roeselare vanaf finalewedstrijd twee een tandje hoger. Met een krachtige eindspurt op de twaalf reed het Maaseik vlot uit de wielen om zijn twaalfde titel te behalen.