De heropleving van Trek-Segafredo en Jasper Stuyven

Jarenlang draaide iedereen bij Trek-Segafredo rond slechts één totempaal: Fabian Cancellara. Sinds die in de zomer van 2016 met pensioen ging, moesten Jasper Stuyven, John Degenkolb en de jonge Mads Pedersen die rol opnemen.

Maar dat bleek geen succes, althans niet qua overwinningen. Stuyven kon na zijn eerste grote zege in Kuurne-Brussel-Kuurne (2016) die zegelijst in het voorjaar niet meer verder aanvullen. Verder dan een rist ereplaatsen (in 2018 top 10 in zowat alle klassiekers) kwam hij niet. En Degenbolb bleek na zijn zware val begin 2016, waar bijna zijn vinger kwijtraakte, nog slechts een schim van zichzelf.

Sinds het najaar van 2019 werd plots wel de switch gemaakt richting grote overwinningen: Mads Pedersen kroonde zich in Yorkshire na een mislukt voorjaar verrassend tot wereldkampioen (mede dankzij de helse weersomstandigheden), dertiger Bauke Mollema won vervolgens de Ronde van Lombardije, en zaterdag kon Stuyven zijn grootste zege ooit boeken in de Omloop Het Nieuwsblad. Waarna hij in Kuurne ook nog eens vijfde werd, een combinatie (1e/top 5) die al geleden was van 1964, toen Frans Melckenbeek de Omloop won en als derde eindigde in Kuurne.

Zowel bij Pedersen als Stuyven klonk dezelfde verklaring voor hun doorbraak: meer dan op fysiek vlak lag de sleutel vooral bij het mentale: ze hadden rust en een betere focus gevonden, zichzelf niet meer zo onder druk gezet, konden beter en in vooral de juiste mate trainen en (meer/minder) eten.

Groeien als mens, en zo groeien als renner. In het geval van Stuyven onder meer door na het vorige mislukte voorjaar opnieuw zijn mental coach (Stefan Van Meirhaeghe) te raadplegen. Een cruciale beslissing.

Zo lijkt de Leuvenaar nu, met de geboren leiderscapaciteiten die hij meer dan ooit benut, helemaal klaar te zijn om ook in de grote monumenten de stap naar de zege, of minstens het podium, te zetten.

De jongeman die als wereldkampioen bij de junioren (2009) van bij het begin als de nieuwe Tom Boonen bestempeld werd kon die veel te hoge verwachtingen aanvankelijk niet inlossen, mede door de mentale druk die hijzelf én de buitenwereld op hem legden.

En omdat hij een veeleer 'normale' ontwikkeling doormaakte. Waardoor hij nu, op zijn 27e, fysiek op zijn best is. Door de plotse opstoot van jonge supertalenten als Evenepoel, Pogacar en Bernal zouden we vergeten dat niet iederéén van in zijn eerste jaren bij de profs meteen richting de wereldtop kan stuiven. Ook Jasper dus niet.

Ter vergelijking: Johan Museeuw won pas op zijn 27e zijn eerste Ronde van Vlaanderen, Stijn Devolder moest wachten tot zijn 28e, Peter Van Petegem tot zijn 29e. Ook Philippe Gilbert was al 27 toen hij zijn eerste monument op zijn erelijst zette (Ronde van Lombardije 2009).

En zelfs supertalent Peter Sagan, die op zijn 20e al zijn eerste profkoersen won, triomfeerde pas op zijn 26e in zijn eerste monument (Ronde van Vlaanderen 2016).

'The Wolfpack' huilt weer (van vreugde)

© BELGA

Het is misschien wel de meest veelzeggende statistiek over het succes van Deceuninck-Quick-Step afgelopen weekend. Dat Tim Declercq, tot vorig jaar nog een pure verdediger, óók een aanvaller is geworden. En door in de Omloop mee te schuiven met kopman Yves Lampaert uiteindelijk vijfde werd. De allereerste keer dat de (ex-)überhelper in de top vijf eindigde van een WorldTourrace, zijn eerste topvijfplaats ooit zelfs in eendagskoers.

Het maakt de collectieve kracht van de ploeg van Patrick Lefevere nog groter. Alfawolf Philippe Gilbert mag dan wel verdwenen zijn, The Wolfpack blijft even dodelijk en eendrachtig toeslaan. Ook omdat Yves Lampaert en Kasper Asgreen nog een stapje vooruit hebben gezet in vergelijking met vorig jaar.

Asgreen, in 2019 al tweede in de Ronde van Vlaanderen, was zelfs ronduit indrukwekkend. Door zijn succesvolle aanval van dertig kilometer in Kuurne. Maar evenzeer door in de Omloop het gat op Wout van Aert en Tiesj Benoot dicht te knallen - en die gingen nochtans zeer stevig vooruit.

Met ook nog Zdenek Stybar en Bob Jungels die beter zullen worden en met Rémi Cavagna die nog de oversteek naar Vlaanderen moet maken (zaterdag winnaar in de Ardèche Classic in Frankrijk na een indrukwekkende solo van 48 kilometer) ziet het ernaar uit dat The Wolfpack ook dit voorseizoen meer dan eens zal huilen van vreugde.

Blokvorming nodigt uit tot aanvallen

© BELGA

Het kwam telkens terug in de voorbeschouwingen, ploegen die de 'Samen Winnen'-strategie van Deceuninck-Quick-Step hadden gekopieerd: met meerdere kopmannen richting de voorjaarsklassiekers trekken.

Een blokvorming met één opvallend gevolg: wie niet gevangen wil zitten omdat een ploegmaat/medekopman vooraan zit in een ontspanning, moet vroeg aanvallen.

Dat bleek in de Omloop toen een groepje al op 70 kilometer van de finish wegreed. Meestal te vroeg voor kopmannen om dan al hun kaarten op tafel te gooien, maar nu tekenden Stuyven, Teunissen, Kragh Andersen, Trentin én Lampaert al present. Niet toevallig ook Stuyven, want hij had, met zijn nieuwe mindset, het kleed van de voorzichtigheid eindelijk afgeworpen, durfde te verliezen om te winnen.

Omdat zij meeschoven, moesten hun medekopmannen (Van Aert, Benoot, Van Avermaet, de DQS-ploegmaats van Lampaert) achter hen aanvankelijk de benen stilhouden. Zo liep de voorsprong van de kopgroep flink op. En bleek die uiteindelijk onoverbrugbaar, ook toen Van Aert en Benoot samen een poging waagden (gecounterd door Deceuninck-Quick-Step/Asgreeen).

Al dan niet tot hun ingehouden frustratie - zeker toen Teunissen en Kragh Andersen vooraan moesten passen - maar dat is het nadeel van zo'n strategie.

Gezien de succesvolle uitkomst voor die vroege vluchters zou dit weleens het beeld van de komende Vlaamse voorjaarsklassiekers kunnen worden: kopmannen van méérdere ploegen die vroeger dan ooit aanvallen om hun medeleiders binnen hun team te vlug af te zijn.

Bij Deceuninck-Quick-Step, zelfs al bij voorganger Mapei in de jaren negentig, weten ze daar alles van. Dat heeft ook Lampaert begrepen.

Less is more

Het is een trend die zich alsmaar meer doorzet: minder koersen, meer trainen. Zo ook voor het Belgische openingsweekend: onder meer Wout van Aert, Mike Teunissen en Amund Grøndahl Jansen (Jumbo-Visma) en ook het Suwebduo Tiesj Benoot/Soren Kragh Andersen hadden geen enkele wegkoers in de benen voor ze aan de Omloop starten.

In het verleden was dat not done. En ook geen recept om voorin te eindigen in de Belgische openingskoers. Sinds 2005 had alléén Filippo Pozzato zich in de Omloop in de top vijf kunnen plaatsen zonder één competitiekilometer in de benen (als vijfde in 2006). Alle winnaars van de Omloop sinds 2000 hadden gemiddeld zelfs ruim negen koersdagen op de teller.

Kragh Andersen/Teunissen (3e en 6e) en Van Aert/Benoot (11e en 14e en beiden prominent in beeld) bewezen dat het less is more-principe wel degelijk efficiënt kan zijn. Ook Kasper Asgreen, de winnaar in Kuurne, had voor het openingsweekend alleen de vier ritten van de Tour de la Provence gereden.

Al kan het ook op de 'traditionele manier': Jasper Stuyven en Yves Lampaert (1e en 2e in de Omloop) hadden respectievelijk acht en tien koersdagen in de benen.

© BELGA

Eén ding lijkt wel zeker: Benoot en Van Aert ogen zeer scherp en zullen door hun opgedreven competitiekilometers de komende weken alleen maar beter worden.

Geen Evenepoels in de Omloop

De gemiddelde leeftijd van het peloton zaterdag in de Omloop Het Nieuwsblad was 27,77 jaar, het op één na jongste gemiddelde in de laatste tien jaar. Een teken van de verjonging die werd doorgevoerd bij zowat alle ploegen.

Maar van Evenepoeliaanse jonge supertalenten die meteen prijs rijden was er in de Omloop geen spoor. De eerste renner jonger dan 25 was Nathan Van Hooydonck (24), op een 26e plaats. De Zwitser Johan Jacobs finishte als de eerste U23-renner, als 27e.

De veelbelovende Amerikaanse juniorenwereldkampioen Quinn Simmons, met zijn 18 jaar de jongste van het peloton, gaf zelfs zowel in de Omloop als in Kuurne op.

Het was integendeel zelfs de zogenaamde tussengeneratie, met Jasper Stuyven (27), Yves Lampaert (28), Matteo Trentin (30), Mike Teunissen (27) en Oliver Naesen (29) in de top tien, die in de openingsklassieker een duidelijk signaal uitzond: ze zal zich niet zomaar neerleggen bij een machtsgreep door de jeugd.

Voor de late tieners of jonge twintigers blijft zo'n zware voorjaarskoers dan ook een zware brok, zeker in weersomstandigheden zoals afgelopen zaterdag in de Omloop.

Niet toevallig eindigden er in Ninove slechts 69 renners. De laatste keer dat minder coureurs de aankomst bereikten was twintig jaar geleden, in 2000: 66 (al stonden toen wel meer dan 200 renners aan de start, zaterdag waren dat er 175). Het was ook de traagste Omloop (39,55 km per uur) sinds 2011. Weliswaar sinds 2018 op een nieuw parcours over de Muur en Bosberg, maar het duidt wel de lastigheidsgraad.

In de minder zware Kuurne-Brussel-Kuurne, ook qua weeromstandigheden, dreven de jongeren iets meer boven, met vier renners jonger dan 24 in de top 17 en met Fabio Jakobsen (23) als vierde.

Opvallend: Jasper Philipsen, 21 jaar jong, werd pas 122e op ruim zeven minuten.

Maar ook met hem, zoals met Stuyven, moet wielerminnend Vlaanderen geduld hebben. Ze heten niet allemaal Remco Evenepoel.

Jarenlang draaide iedereen bij Trek-Segafredo rond slechts één totempaal: Fabian Cancellara. Sinds die in de zomer van 2016 met pensioen ging, moesten Jasper Stuyven, John Degenkolb en de jonge Mads Pedersen die rol opnemen. Maar dat bleek geen succes, althans niet qua overwinningen. Stuyven kon na zijn eerste grote zege in Kuurne-Brussel-Kuurne (2016) die zegelijst in het voorjaar niet meer verder aanvullen. Verder dan een rist ereplaatsen (in 2018 top 10 in zowat alle klassiekers) kwam hij niet. En Degenbolb bleek na zijn zware val begin 2016, waar bijna zijn vinger kwijtraakte, nog slechts een schim van zichzelf.Sinds het najaar van 2019 werd plots wel de switch gemaakt richting grote overwinningen: Mads Pedersen kroonde zich in Yorkshire na een mislukt voorjaar verrassend tot wereldkampioen (mede dankzij de helse weersomstandigheden), dertiger Bauke Mollema won vervolgens de Ronde van Lombardije, en zaterdag kon Stuyven zijn grootste zege ooit boeken in de Omloop Het Nieuwsblad. Waarna hij in Kuurne ook nog eens vijfde werd, een combinatie (1e/top 5) die al geleden was van 1964, toen Frans Melckenbeek de Omloop won en als derde eindigde in Kuurne.Zowel bij Pedersen als Stuyven klonk dezelfde verklaring voor hun doorbraak: meer dan op fysiek vlak lag de sleutel vooral bij het mentale: ze hadden rust en een betere focus gevonden, zichzelf niet meer zo onder druk gezet, konden beter en in vooral de juiste mate trainen en (meer/minder) eten. Groeien als mens, en zo groeien als renner. In het geval van Stuyven onder meer door na het vorige mislukte voorjaar opnieuw zijn mental coach (Stefan Van Meirhaeghe) te raadplegen. Een cruciale beslissing.Zo lijkt de Leuvenaar nu, met de geboren leiderscapaciteiten die hij meer dan ooit benut, helemaal klaar te zijn om ook in de grote monumenten de stap naar de zege, of minstens het podium, te zetten.De jongeman die als wereldkampioen bij de junioren (2009) van bij het begin als de nieuwe Tom Boonen bestempeld werd kon die veel te hoge verwachtingen aanvankelijk niet inlossen, mede door de mentale druk die hijzelf én de buitenwereld op hem legden. En omdat hij een veeleer 'normale' ontwikkeling doormaakte. Waardoor hij nu, op zijn 27e, fysiek op zijn best is. Door de plotse opstoot van jonge supertalenten als Evenepoel, Pogacar en Bernal zouden we vergeten dat niet iederéén van in zijn eerste jaren bij de profs meteen richting de wereldtop kan stuiven. Ook Jasper dus niet.Ter vergelijking: Johan Museeuw won pas op zijn 27e zijn eerste Ronde van Vlaanderen, Stijn Devolder moest wachten tot zijn 28e, Peter Van Petegem tot zijn 29e. Ook Philippe Gilbert was al 27 toen hij zijn eerste monument op zijn erelijst zette (Ronde van Lombardije 2009). En zelfs supertalent Peter Sagan, die op zijn 20e al zijn eerste profkoersen won, triomfeerde pas op zijn 26e in zijn eerste monument (Ronde van Vlaanderen 2016).Het is misschien wel de meest veelzeggende statistiek over het succes van Deceuninck-Quick-Step afgelopen weekend. Dat Tim Declercq, tot vorig jaar nog een pure verdediger, óók een aanvaller is geworden. En door in de Omloop mee te schuiven met kopman Yves Lampaert uiteindelijk vijfde werd. De allereerste keer dat de (ex-)überhelper in de top vijf eindigde van een WorldTourrace, zijn eerste topvijfplaats ooit zelfs in eendagskoers.Het maakt de collectieve kracht van de ploeg van Patrick Lefevere nog groter. Alfawolf Philippe Gilbert mag dan wel verdwenen zijn, The Wolfpack blijft even dodelijk en eendrachtig toeslaan. Ook omdat Yves Lampaert en Kasper Asgreen nog een stapje vooruit hebben gezet in vergelijking met vorig jaar. Asgreen, in 2019 al tweede in de Ronde van Vlaanderen, was zelfs ronduit indrukwekkend. Door zijn succesvolle aanval van dertig kilometer in Kuurne. Maar evenzeer door in de Omloop het gat op Wout van Aert en Tiesj Benoot dicht te knallen - en die gingen nochtans zeer stevig vooruit.Met ook nog Zdenek Stybar en Bob Jungels die beter zullen worden en met Rémi Cavagna die nog de oversteek naar Vlaanderen moet maken (zaterdag winnaar in de Ardèche Classic in Frankrijk na een indrukwekkende solo van 48 kilometer) ziet het ernaar uit dat The Wolfpack ook dit voorseizoen meer dan eens zal huilen van vreugde.Het kwam telkens terug in de voorbeschouwingen, ploegen die de 'Samen Winnen'-strategie van Deceuninck-Quick-Step hadden gekopieerd: met meerdere kopmannen richting de voorjaarsklassiekers trekken.Een blokvorming met één opvallend gevolg: wie niet gevangen wil zitten omdat een ploegmaat/medekopman vooraan zit in een ontspanning, moet vroeg aanvallen. Dat bleek in de Omloop toen een groepje al op 70 kilometer van de finish wegreed. Meestal te vroeg voor kopmannen om dan al hun kaarten op tafel te gooien, maar nu tekenden Stuyven, Teunissen, Kragh Andersen, Trentin én Lampaert al present. Niet toevallig ook Stuyven, want hij had, met zijn nieuwe mindset, het kleed van de voorzichtigheid eindelijk afgeworpen, durfde te verliezen om te winnen.Omdat zij meeschoven, moesten hun medekopmannen (Van Aert, Benoot, Van Avermaet, de DQS-ploegmaats van Lampaert) achter hen aanvankelijk de benen stilhouden. Zo liep de voorsprong van de kopgroep flink op. En bleek die uiteindelijk onoverbrugbaar, ook toen Van Aert en Benoot samen een poging waagden (gecounterd door Deceuninck-Quick-Step/Asgreeen). Al dan niet tot hun ingehouden frustratie - zeker toen Teunissen en Kragh Andersen vooraan moesten passen - maar dat is het nadeel van zo'n strategie.Gezien de succesvolle uitkomst voor die vroege vluchters zou dit weleens het beeld van de komende Vlaamse voorjaarsklassiekers kunnen worden: kopmannen van méérdere ploegen die vroeger dan ooit aanvallen om hun medeleiders binnen hun team te vlug af te zijn. Bij Deceuninck-Quick-Step, zelfs al bij voorganger Mapei in de jaren negentig, weten ze daar alles van. Dat heeft ook Lampaert begrepen.Het is een trend die zich alsmaar meer doorzet: minder koersen, meer trainen. Zo ook voor het Belgische openingsweekend: onder meer Wout van Aert, Mike Teunissen en Amund Grøndahl Jansen (Jumbo-Visma) en ook het Suwebduo Tiesj Benoot/Soren Kragh Andersen hadden geen enkele wegkoers in de benen voor ze aan de Omloop starten.In het verleden was dat not done. En ook geen recept om voorin te eindigen in de Belgische openingskoers. Sinds 2005 had alléén Filippo Pozzato zich in de Omloop in de top vijf kunnen plaatsen zonder één competitiekilometer in de benen (als vijfde in 2006). Alle winnaars van de Omloop sinds 2000 hadden gemiddeld zelfs ruim negen koersdagen op de teller.Kragh Andersen/Teunissen (3e en 6e) en Van Aert/Benoot (11e en 14e en beiden prominent in beeld) bewezen dat het less is more-principe wel degelijk efficiënt kan zijn. Ook Kasper Asgreen, de winnaar in Kuurne, had voor het openingsweekend alleen de vier ritten van de Tour de la Provence gereden. Al kan het ook op de 'traditionele manier': Jasper Stuyven en Yves Lampaert (1e en 2e in de Omloop) hadden respectievelijk acht en tien koersdagen in de benen.Eén ding lijkt wel zeker: Benoot en Van Aert ogen zeer scherp en zullen door hun opgedreven competitiekilometers de komende weken alleen maar beter worden. De gemiddelde leeftijd van het peloton zaterdag in de Omloop Het Nieuwsblad was 27,77 jaar, het op één na jongste gemiddelde in de laatste tien jaar. Een teken van de verjonging die werd doorgevoerd bij zowat alle ploegen. Maar van Evenepoeliaanse jonge supertalenten die meteen prijs rijden was er in de Omloop geen spoor. De eerste renner jonger dan 25 was Nathan Van Hooydonck (24), op een 26e plaats. De Zwitser Johan Jacobs finishte als de eerste U23-renner, als 27e. De veelbelovende Amerikaanse juniorenwereldkampioen Quinn Simmons, met zijn 18 jaar de jongste van het peloton, gaf zelfs zowel in de Omloop als in Kuurne op.Het was integendeel zelfs de zogenaamde tussengeneratie, met Jasper Stuyven (27), Yves Lampaert (28), Matteo Trentin (30), Mike Teunissen (27) en Oliver Naesen (29) in de top tien, die in de openingsklassieker een duidelijk signaal uitzond: ze zal zich niet zomaar neerleggen bij een machtsgreep door de jeugd.Voor de late tieners of jonge twintigers blijft zo'n zware voorjaarskoers dan ook een zware brok, zeker in weersomstandigheden zoals afgelopen zaterdag in de Omloop. Niet toevallig eindigden er in Ninove slechts 69 renners. De laatste keer dat minder coureurs de aankomst bereikten was twintig jaar geleden, in 2000: 66 (al stonden toen wel meer dan 200 renners aan de start, zaterdag waren dat er 175). Het was ook de traagste Omloop (39,55 km per uur) sinds 2011. Weliswaar sinds 2018 op een nieuw parcours over de Muur en Bosberg, maar het duidt wel de lastigheidsgraad.In de minder zware Kuurne-Brussel-Kuurne, ook qua weeromstandigheden, dreven de jongeren iets meer boven, met vier renners jonger dan 24 in de top 17 en met Fabio Jakobsen (23) als vierde.Opvallend: Jasper Philipsen, 21 jaar jong, werd pas 122e op ruim zeven minuten. Maar ook met hem, zoals met Stuyven, moet wielerminnend Vlaanderen geduld hebben. Ze heten niet allemaal Remco Evenepoel.