Een kasseirit in de Tour heeft voor- en tegenstanders, wegens het gevaar voor tijdsverlies voor de klassementsrenners, al dan niet door pech. Toch was zo'n etappe ooit bijna vaste prik: tussen 1979 en 1989 zeven keer zelfs.
...

Een kasseirit in de Tour heeft voor- en tegenstanders, wegens het gevaar voor tijdsverlies voor de klassementsrenners, al dan niet door pech. Toch was zo'n etappe ooit bijna vaste prik: tussen 1979 en 1989 zeven keer zelfs. Vreemd genoeg was het de nieuwe Tourdirecteur én NordistJean-Marie Leblanc die de passages over de stenen schrapte. Ze verminkten volgens hem te veel de strijd om het geel. Eén keer, in 2004, liet hij zich weer verleiden, maar toen lagen er slechts 3,9 kilometer pavés op het parcours. Pas toen Christian Prudhomme in 2007 het roer overnam, keerde de Tour terug naar de Hel van het Noorden: in 2010 (13,2 km kasseien, finish in Arenberg, winnaar Thor Hushovd), 2014 (13 km, Arenberg, Lars Boom), 2015 (13,3 km, Cambrai, Tony Martin) en 2018 (21,7 km, Roubaix, John Degenkolb).Nu dus opnieuw, met Rijsel als startpunt. Daar worden de renners op gang gevlagd op de Avenue Président Hoover, nabij de nieuwe hoofdzetel van de MEL (Métropole Européenne de Lille), een intercommunale van 95 gemeenten uit het departement Nord. Opvallend: dit is een vrij korte tocht (155 km), bijna dezelfde lengte als de kassei-etappe in 2018 (156,5 km). Met dat verschil dat deze rit al op dag vijf valt en die in 2018 pas op dag negen, vlak voor de eerste rustdag en de eerste Alpentocht.Mede daardoor waren er volgens parcoursbouwer Thierry Gouvenou amper tijdsverschillen tussen de klassementsrenners, die bijna allemaal op een halve minuut van het trio Degenkolb-Van Avermaet-Lampaert finishten. Net als in 2018 liggen alle kasseistroken in het tweede deel van de rit: 19,5 km stenen, verdeeld over elf sectoren in de laatste 76,5 km (of 25 procent). In totaal 2,2 km minder pavés dan in 2018 (21,7 km, toen het meeste ooit sinds 1981). Maar die zouden wel meer afscheiding moeten veroorzaken: in 2018 waren de stroken in de finale te kort: maximaal 1800 meter lang. En dus koos Gouvenou bewust voor langere én technisch moeilijkere sectoren van ruim twee kilometer. Vooral tussen km 124 en km 137 moet de schifting plaatsvinden, met 7,6 km kasseien, verdeeld over drie stroken bekend uit Paris-Roubaix: van Hornaing naar Wandignies-Hamage (weliswaar nu ingekort tot 2800 meter), van Warlaing naar Brillon (2400 meter) en van Tilloy-lez-Marchiennes naar Sars-et-Rosières (2400 meter). De laatste sector, die van Pont Gibus, is nog een relatief korte, van 1600 meter. Niet onbelangrijk: daar zal de verwachte noordwestenwind (zie weerbericht onderaan) allicht in de rug zitten, zoals in de laatste 25 km, wat uitnodigt tot aanvallen.Vijf kilometer na de secteur van Pont Gibus ligt de finish in Arenberg, vlak voor de ingang van de Trouée d' Arenberg, net zoals in 2010 en 2014. Niet ín het Bos, wegens veiligheidsredenen, al droomt Gouvenou daar naar eigen zeggen wel van. Nieuw in deze rit: vijf (van de elf) stroken die nooit op het parcours van Parijs-Roubaix of van de Tour lagen: die van Fressain naar Villers-au-Tertre (1400m, oorspronkelijk in omgekeerde richting gepland, maar door een nieuwe verkeersremmer besloot ASO een andere aanloop te nemen die zo 3,3 km langer is), van Wasnes-en-Bac naar Marcq-en-Ostrevent (1400m), van Emerchicourt naar Montchecourt (1600m), van Montchecourt naar Emerchicourt (1300m) en van Abscon naar La Marquette (1500m). De vijf nieuwe sectoren, die wel al ooit werden opgezocht door de Vierdaagse van Duinkerke, snijdt het Tourpeloton eerst aan. Ze liggen immers allemaal ten noorden van Cambrai, vooraleer de renners verder noordwaarts trekken, richting Parijs-Roubaixterritorium, rond Hornaing en Wallers. Oppassen wordt het ook voor de tweede sector: die van Eswars naar Paillencourt. In licht dalende lijn immers (-2 procent), met snelheden tot ruim 50 km per uur. Sommigen noemen dit het gevaarlijkste stuk van de héle Tour de France 2022. 'Waanzin', aldus Aart Vierhouten, ploegleider bij UAE, na de verkenning. Al lag de sector ook in de kasseirit van 2018, toen zonder grote incidenten. Hopelijk ook deze keer, zodat we een sportieve strijd krijgen, die niet bepaald wordt door pech en valpartijen, niet alleen op de kasseien, maar ook in de stormloop daarnaartoe. Die positionering is minstens even belangrijk, én gevaarlijk, zeker op de smalle wegen richting de eerste secteur van deze rit.Stroken die parcoursbouwer Gouvenou trouwens niet zomaar lukraak kiest, maar die hij plukt uit de Bible des Pavés. Een kasseibijbel die twintig jaar geleden werd opgemaakt en alle sectoren in het departement Nord bevat die kunnen worden gebruikt in een wielerkoers, in totaal zo'n 85 km. Leest vandaag een Belg, 39 jaar na de laatste zege van een landgenoot in een kassei-etappe in de Tour (Rudy Matthijs, in 1983 in Roubaix) nog eens het evangelie voor? Puur op basis van vorm is Wout van Aert uiteraard dé hogepriester van de stenen, maar hij zal zich allicht moeten ontfermen over kopmannen Primoz Roglic en Jonas Vingegaard.Landgenoten die niet moeten omkijken naar een klassementsrenner hebben zo meer kans, met name Jasper Stuyven en Yves Lampaert, in de voorbije Helleklassieker de twee beste Belgen, naast Van Aert. Vier jaar na zijn derde plaats in de kassei-etappe richting Roubaix, achter Degenkolb en Van Avermaet, en vijf dagen na zijn onverwachte tijdrittriomf zou het zo weer eens prijs kunnen zijn voor Lampaert. En misschien pakt hij zo weer het geel over van Van Aert, als nog altijd tweede in het klassement, op 25 seconden. Dat zal afhangen van de kasseikunsten/eventuele pech van Roglic en Vingegaard. Én van Mathieu van der Poel, die na de solo van Wout van Aert erop gebrand zal zijn om ook een nummer op te voeren. Al geldt dat ook voor ene Tadej Pogacar, die moet vermijden dat hij zich laat afslachten in een overtalstrijd tegen de Jumbo-Vismarenners en, niet te vergeten, de INEOS-renners, met Filippo Ganna en Parijs-Roubaixwinnaar Dylan van Baarle als locomotieven. Schrik dus niet als de Sloveen de kasseibijbel zélf ter hand neemt.