Carcassonne, de aankomstplaats van de dertiende rit en de startlocatie van deze veertiende etappe, was in het verleden niet alleen vruchtbare grond voor vluchters die náár de vestingstad reden. Het gaf ook als start inspiratie aan baroudeurs voor een lange onderneming. Op 11 juli 1947 zelfs voor de langste solotocht in de Tourgeschiedenis. Op naam van Albert Bourlon die meteen na de start in Carcassonne alleen wegreed.
...

Carcassonne, de aankomstplaats van de dertiende rit en de startlocatie van deze veertiende etappe, was in het verleden niet alleen vruchtbare grond voor vluchters die náár de vestingstad reden. Het gaf ook als start inspiratie aan baroudeurs voor een lange onderneming. Op 11 juli 1947 zelfs voor de langste solotocht in de Tourgeschiedenis. Op naam van Albert Bourlon die meteen na de start in Carcassonne alleen wegreed.Zijn oorspronkelijke doel: zoveel mogelijk premies opstrijken. Onder een loden zon had het peloton echter niet veel zin om achter hem te jagen en dus soleerde de Fransman met een gemiddelde snelheid van net geen 31 km/u tot aan de finish in Luchon, liefst 253 kilometer verder. Een afstand afgelegd in 8 uur, 10 minuten en 11 seconden. Goed voor 100.000 oude Franse franken aan premies (nu zo'n 160 euro) en een voorsprong van 16 minuten op Anzegemnaar Norbert Callens.Ook 74 jaar later krijgen de aanvalslustige renners in deze Tour een geschikt parcours voorgeschoteld. Op onbekend terrein, door de departementen van de Aude, Ariège en Pyrénées-Orientales, over zo'n 2700 hoogtemeters. Met allicht een razendsnel begin in de licht oplopende openingsfase, inclusief onder meer de Col de Bac: 3,6 km aan 4,7 %. Wellicht zal hier al een vluchtersgroep ontsnappen. Of later, aan kilometerpaal 85, bij het scherpste deel van deze etappe, de Col de Montségur. Een schitterende klim bij het gelijknamige Katharenkasteel van 4,2 kilometer lang aan 8,6 procent, die in 2019 al op het parcours lag in de rit naar Foix.Het zaagtandprofiel van deze etappe blijft daarna kartelen met verschillende beklimmingen die voor het eerst in de Tour aangesneden worden. Onder meer Col de la Croix des Morts (6,8 km aan 5,8%, niet écht dodelijk dus), de Côte de Galinagues (1,5 km aan 7%), en na een duik richting Axet de Col du Campérie (3,3 km aan 4%). Goed 22 kilometer voor de finish in Quillan volgt dan de laatste hindernis: de Col de Saint Louis (4,7 km aan 7,4%), op een smalle weg en in een wondermooi decor, met het viaduct de l'Escargot als startpunt.Op de top zijn ook bonusseconden te verdienen, voor de renners nog 17 kilometer moeten dalen tot de finish. Mogelijk zal dat de klassementsrenners op die Col de Saint Louis afremmen om zich daar aan offensief te wagen. In een vluchtersgroep kan het wel de springplank naar de zege zijn.In aankomstplaats Quillan zal voor het eerst in de Tourgeschiedenis een renner zijn handen in de lucht steken, na twee eerdere 'gewone' passages in 2001 en 2013, met respectievelijk een bevoorradingszone en een tussensprint. Een gemeente die slechts 3300 Quillanais telt, maar wel een sterke wielertraditie heeft. Onder meer door het jaarlijkse na-Tourcriterium. Veel Franse vedetten hebben er al 'mogen' winnen: Géminiani, Stablinski, Anquetil, Aimar, Poulidor, Esclassan, Mottet, Virenque, Voeckler en de laatste keer, in 2019, Romain Bardet. Eén Belg prijkt er op de erelijst: wijlen Rudy Dhaenens in 1986.In de Tour de l'Aude, in de vorige decennia een van de belangrijkste rittenkoersen voor vrouwen, was Quillan ook geregeld een pleisterplaats, met winnaressen als Trixi Worrack (2007), Edita Pucinskaite (2002), Ina Teutenberg (1999) en Marion Clignet (1996). Ook de intussen verdwenen Midi Libre hield er geregeld halt, met zeges voor Maurizio Fondriest (1993), Jérôme Simon (1988) en twee Belgen: Luc Roosen (1987) en Jean-Luc Vandenbroucke (1983). In 2017 diende de gemeente als start voor een rit in de Ronde van de Isard naar Plateau de Beille, gewonnen door de betreurde Bjorg Lambrecht voor Pavel Sivakov. Misschien kan het een Lotto-Soudalrenner inspireren. Nota bene op de 45e verjaardag van de zege van Lucien Van Impe op Pla d'Adet, waar hij in de Tour van 1976 de basis van de laatste Belgische Tourzege legde.