Het is 20 juli 1968. Een zaterdagmiddag, de voorlaatste dag van de Tour de France. Op de vlakke wegen tussen Besançon en Auxerre is een kopgroep van zes man weggereden en die heeft veel tijd gepakt. Heel veel tijd. De Belgische debutant André Poppe rijdt zelfs virtueel in het geel.
...

Het is 20 juli 1968. Een zaterdagmiddag, de voorlaatste dag van de Tour de France. Op de vlakke wegen tussen Besançon en Auxerre is een kopgroep van zes man weggereden en die heeft veel tijd gepakt. Heel veel tijd. De Belgische debutant André Poppe rijdt zelfs virtueel in het geel. Terwijl het peloton aan een slakkengang verder bolt, panikeert Tourbaas Jacques Goddet. Poppe tourwinnaar? Dat kan niet! Dat mag niet! Goddet laat zich naar de kop van het peloton rijden, wurmt zijn bovenlichaam door het dakraam van zijn knalrode volgwagen en begint via zijn megafoon de renners toe te spreken. Het is een hallucinant en wrang spektakel. Als een onheilsprofeet die de dag des oordeels aankondigt, roept hij persoonlijk het tijdverschil met de vluchters om en geagiteerd spoort hij de renners aan om jacht te maken op de vluchters. Het lijkt wel of ze anders doem en verderf tegemoet rijden. En daar blijft het niet bij. De paniek van Goddet is voor een groot stuk te verklaren door de gebeurtenissen van de vorige Tour, in het rampjaar 1967. Heel Frankrijk had uitgekeken naar een eerste Tourzege van publiekslieveling Raymond Poulidor, die eindelijk verlost was van zijn nemesis Jacques Anquetil. Maar het was meesterknecht Roger Pingeon die met een lange solovlucht op de vijfde dag zoveel voorsprong vergaarde dat de favorieten hem niet meer uit het geel wisten te rijden. Bovendien werd die Ronde van 1967 overschaduwd door de dood van Tom Simpson, die bezweek op de hete flanken van de Mont Ventoux. Zoiets mocht niet opnieuw gebeuren en dus werden in 1968 voor het eerst grootscheepse dopingcontroles op touw gezet. Het blazoen van de Tour moest opgepoetst worden. Liefst ook met een winnaar van aanzien. Poulidor bij voorkeur. Of eventueel de Nederlander Jan Janssen, de ex-wereldkampioen die al eens vijfde en tweede werd in de Tour en drie keer het puntenklassement won. Maar Janssen verliest in de Pyreneeën meer dan drie minuten op de concurrentie, onder wie Poulidor. En in de veertiende rit komt Poupou zelf zwaar ten val, wat later moet hij opgeven. De Tourdirectie, die zo hunkert naar een roemrijke winnaar, zit met de handen in het haar. Elf dagen lang rijdt de Belg Georges Vandenberghe in de gele trui, maar dat is slechts in afwachting van de Alpen. In Sallanches slaat Herman Vanspringel zijn slag. Het lijkt erop dat België weer eens een Tourwinnaar zal krijgen, 29 jaar na Sylvère Maes. Bepaald dolgelukkig zijn de Tourbazen daar niet mee. Ze laten openlijk uitschijnen dat Jan Janssen, ondertussen teruggekomen tot op 17 seconden van Herman Vanspringel, hun voorkeur geniet. Of Ferdinand Bracke, de houder van het werelduurrecord. Maar dan is er op de voorlaatste dag opeens die petit Belge van een Poppe die het geel dreigt te pakken. Ça jamais! Vijftig jaar later wordt André Poppe (ondertussen 74 jaar jong) er nog altijd op aangesproken. In zijn appartement in Hoboken blikt de geboren Sint-Niklazenaar terug op dat bijzondere moment in zijn carrière. 'In augustus 1967, net voor ik overging naar de profs, had ik nog mijn laatste koers bij de amateurs gewonnen, in de Ronde van Oost-Duitsland. Begin 1968 reed ik de Ronde van Limburg. Er was een massale valpartij en lap ... ik lag erbij. Sleutelbeenbreuk. Ik kon geen voorjaarsklassiekers rijden. Daardoor was ik minder vermoeid toen de grote rondes eraan kwamen.' Het is in de Ronde van Zwitserland dat Poppe toont dat hij in een uitstekende vorm zit. Wanneer hij met de besten de cols op fietst, komt François Cools, zijn ploegleider bij Poeders Dr. Mann, naast hem rijden. 'Çois zei: 'Blijf erbij, aanklampen! Dan mag je mee naar de Tour!' Dat lukte en zo mocht ik dan mee, in de plaats van Rik Van Looy. Die gaf verstek omdat er naar zijn zin te veel moest geklommen worden. Van Looy was mijn jeugdidool. Tijdens een na-Tourcriterium dat jaar kwam ik hem tegen. Hij feliciteerde mij: 'Zo goed zou ik het niet gedaan hebben.' Ja, dat deed deugd om te horen.' François Cools is niet alleen ploegleider van Mann, hij is dat ook van België in de Tour. Tot 1962 werd niet met merken- maar met landenteams gereden en in 1967 en 1968 wordt dat nog een laatste keer herhaald. België vaardigt net als Frankrijk twee ploegen af. In België A, ook wel Antverpia genoemd, rijden onder meer Vanspringel, Poppe, Willy In 't Ven, Jos Huysmans, Georges Pintens en Edward Sels. In België B, ofte Flandria, zitten Oost- en West-Vlamingen als Bracke, Vandenberghe, Walter Godefroot, Erik De Vlaeminck en Eric Leman. Op die bewuste voorlaatste dag had de Tour al in zijn definitieve plooi moeten liggen, zegt Poppe: 'Een paar dagen ervoor viel Herman aan en pakte hij tijd op de rest. Maar hij had dat veel vroeger moeten doen, dan was zijn voorsprong groot genoeg geweest en had hij die in de tijdrit niet meer afgegeven.' Het is een ontknoping waar op zaterdag nog niemand aan denkt. Zowel Vanspringel als Janssen schieten na de start enkele pijlen af, maar de klassementsrenners geven elkaar geen duimbreed toe. Uiteindelijk geraakt een groep van zes renners weg en daalt de rust over de etappe. Een verraderlijke rust. De zes die voorop rijden, zijn de Belgen Poppe en Leman, de Fransen Jean Dumont en Jean-Pierre Ducasse, de Spanjaard Vicente López Carril en de Engelsman Michael Wright. 'Er was afgesproken dat er altijd iemand mee moest zijn', vertelt Poppe. 'Ik zat in de goede ontsnapping. Alle grote ploegen hadden iemand mee: België A en B, Frankrijk A en B en ook Spanje, dat voor het ploegenklassement reed. Ik was het best geplaatst van die groep, op een klein kwartier van Herman Vanspringel. Die Spanjaard stond het kortst achter mij. Natuurlijk ging ik me niet doodrijden met het risico dat hij ervan zou profiteren.' Niettemin draait de kopgroep goed rond. 'We reden een goed tempo, ja. Maar wie ging nu denken dat we negentien minuten zouden pakken!' Ook de schrijvende pers wordt - letterlijk - in snelheid genomen. Na het vuurwerk in het begin van de rit acht men de tijd gekomen om een hapje te eten. Wielerjournalist Lucien Berghmans zal nadien beschrijven hoe hij met enkele collega's en chauffeurs in een gezellig restaurant is neergestreken. In de glazen parelt al een goede wijn en de ober komt net met een schotel escargots aanzetten, wanneer de kopgroep van zes voorbij stuift. De mannen maken er zich niet druk om - en bovendien is er op zondag toch geen krant - tot iemand die het tijdsverschil heeft opgenomen, meldt dat Poppe virtueel leider is. Berghmans laat de escargots staan, annuleert de bestelling van de snoek in witte boter, en springt in een volgwagen. Hij maant de chauffeur aan om tot bij de kopgroep te rijden. Poppe kent hij van de Vredeskoers, een amateurronde langs Praag, Warschau en Berlijn, waar renner en reporter de voorgaande jaren vrienden geworden zijn. De anders rustige Berghmans ontpopt zich tot een volksmenner. Hij spoort niet alleen Poppe aan, maar ook Leman, zegt hem dat hij de rit wel zal winnen maar eerst moet meehelpen. Ook een Franse sportbestuurder schreeuwt hij toe: ' Fais rouler ton coureur!' Het is boter aan de galg. Berghmans staat alleen met zijn tirade. Van zodra André Poppe de gele trui dreigt over te nemen, begint de wereld tegen hem samen te spannen. Dat de zwijgzame Vanspringel de Tour zou winnen, is Goddet al een doorn in het oog, maar Poppe, daar kan geen sprake van zijn. Het peloton wordt luidkeels en met weidse gebaren aangemaand om harder op de pedalen te duwen en de Tourbaas rijdt persoonlijk even naast Jan Janssen, met een smeekbede. ' Mon cherJean, je gaat mijn mooie Tour toch niet om zeep laten helpen. Doe iets!' 'Geen paniek', antwoordt Janssen, 'die Poppe krijgen we wel te pakken.' Ook de sportbestuurders worden bewerkt. Het gerucht doet al snel de ronde dat Félix Lévitan, de rechterhand van Goddet en later zelf Tourbaas, premies uitdeelt in de vorm van vette contracten voor na-Tourcriteriums. Maar dan moet er gereden worden in het peloton. En, even belangrijk, dan moet het vooraan stilvallen. Meteen stuiven de Franse sportdirecteurs naar de kopgroep, waar de Dupont & Dupond van de dag, de Fransen Dumont en Ducarme, al besloten hebben om Tintin Poppe geen seconde meer te helpen. 'Jij hebt het geel, rij jij maar!' Ook de anderen houden stilaan de benen stil. Poppe kijkt het met verbazing aan. Hij krijgt af te rekenen met emoties die hem boven het hoofd beginnen te groeien. Ongeloof gaat door hem heen, het absoluut onvoorstelbare idee om de grootste wedstrijd van het jaar te kunnen winnen, het beangstigt hem bijna. Gedachten ook aan zijn zoontje Danny, een week eerder geboren - hij zal de kleine pas na de Tour voor het eerst zien. Poppe rijdt door, hij maalt nerveus de kilometers af, zonder te weten wat er rond hem allemaal wordt bekokstoofd. Aan de ene kant schreeuwt Berghmans hem toe om alles uit de kast te halen. Ondertussen loert de journalist naar Lévitan, want hij vermoedt dat hij door zijn eigen ongeziene demarche spoedig aan de kant zal gezet worden. Maar Lévitan laat betijen, misschien wel uit eerlijke schaamte. Aan de andere kant is er René Schepers, de adjunct van de Belgische ploegleider Cools, die zowel Berghmans als Poppe op het vergeefse van de onderneming wijst: Vanspringel moet beschermd worden! Poppe verkeert op dat moment weliswaar in het ongewisse over de combines die gesloten worden, in zijn hoofd worden de zaken toch vrij snel duidelijk: hij is en blijft knecht. Een soldaat hoort toch niet in de rol van generaal? 'Ik wist niet wat er gaande was', vertelt hij. 'Ik zag dat ik er plots alleen voor stond. Van Schepers mocht ik wel tempo blijven rijden, maar ik mocht me niet doodrijden met het risico dat die Spanjaard me op het einde nog voorbij zou gaan. Dat ik de Tour zou winnen, daar heb ik nooit echt in geloofd. Ik voerde in de eerste plaats mijn opdracht uit in dienst van Herman Vanspringel. Ik dacht dat hij op den duur wel terug zou komen en ook de Tour winnen. Over de inmenging van Goddet en Lévitan hoorde ik later pas.' Jean-Marie Leblanc, Tourdirecteur van 1989 tot 2005, gaf in een interview ooit toe dat de organisatie één keer over de schreef was gegaan, met name in die voorlaatste rit van 1968. 'Anders had Poppe misschien de Tour wel gewonnen', aldus Leblanc. Dat gebeurt dus niet. De voorsprong van de kopgroep slinkt plots als sneeuw voor de zon. Elke volgende kilometer gaat er wel een minuut vanaf. Wanneer het verschil tot zo'n vijf minuten gekrompen is, wordt er in de kopgroep plots wel weer gereden. Het gele gevaar is dan bezworen, Goddet en Lévitan halen opgelucht adem, Berghmans vreet zijn blocnote op. De zes vluchters mogen in Auxerre sprinten om de dagzege. Eric Leman toont zich de snelste en schenkt België een tiende ritoverwinning. 's Avonds op zijn hotelkamer vertelt Poppe aan de journalisten die hem komen opzoeken - zo ging dat nog destijds: 'Ik kon die resterende 70 kilometer toch niet helemaal alleen op kop rijden? Ik moest ook aan Herman denken.' En met de glimlach voegt hij er aan toe: 'Ik de Tour winnen? Dat zou de grap van de eeuw geweest zijn!' Vijftig jaar later denkt hij er nog altijd zo over. Het woord spijt neemt hij niet in de mond. Rancune nog veel minder. Hij heeft altijd zijn plaats gekend en dat was goed zo. Zijn eigen kans gaan, die ambitie heeft hij nooit gehad. Of beter: dat lag niet in zijn aard. En daar heeft hij vrede mee: 'Ach, als ge gewoon zijt om knecht te zijn en ge wordt opeens kopman, dan wordt ge toch zo zenuwachtig als iets!'