Hij zat in Spanje, Sven Vanthourenhout, toen hij op 14 januari zijn veertigste verjaardag vierde. Tijdens een driedaagse trip sprak hij er met alle Belgische wegtoppers - uiteraard alle coronaregels volgend. 'Het toeval wil, of misschien een vreemde speling van het lot, ' vertelt de Beernemnaar, 'dat in mijn B&B in Benissa ook Johan Museeuw logeerde. Mijn eerste slaapkamergenoot als jonge prof bij Domo-Farm Frites, de streekgenoot die me in het peloton introduceerde en met wie ik de jaren erna vele honderden uren heb getraind. Samen met Johan heb ik een goeie fles wijn gekraakt. Gefilosofeerd ook over ouder worden, over het leven, teruggeblikt op zijn en mijn carrière. Een leuke avond.'
...

Hij zat in Spanje, Sven Vanthourenhout, toen hij op 14 januari zijn veertigste verjaardag vierde. Tijdens een driedaagse trip sprak hij er met alle Belgische wegtoppers - uiteraard alle coronaregels volgend. 'Het toeval wil, of misschien een vreemde speling van het lot, ' vertelt de Beernemnaar, 'dat in mijn B&B in Benissa ook Johan Museeuw logeerde. Mijn eerste slaapkamergenoot als jonge prof bij Domo-Farm Frites, de streekgenoot die me in het peloton introduceerde en met wie ik de jaren erna vele honderden uren heb getraind. Samen met Johan heb ik een goeie fles wijn gekraakt. Gefilosofeerd ook over ouder worden, over het leven, teruggeblikt op zijn en mijn carrière. Een leuke avond.' Met als voornaamste conclusie, nu je op tram vier zit? Sven Vanthourenhout: 'Dat - hoeveel voldoening ik ook haal uit mijn huidige functie als bondscoach - de mooiste tijd achter mij ligt: toen ik profcoureur was, ik alleen moest fietsen en me moest verzorgen. Een cliché, maar zelfs Serge Pauwels, nu mijn collega ( als development coach, nvdr) bij de Belgische wielerbond, beaamt het al. En hij is pas gestopt. Iets wat ik ook alle jonge renners inpeper, als ze klagen: 'Besef, ondanks de soms moeilijke momenten, wat voor mooi bestaan dit is!''Twintig jaar geleden stond je zélf op de rand van een veelbelovende profcarrière, toen je op 3 februari 2001 wereldkampioen veldrijden werd bij de beloften, in Tábor. Vanthourenhout: 'De kers op de taart van een succesvolle jeugdperiode, waarin ik alles heb gewonnen: alle eindklassementen, Belgische titels, WK-medailles. Dan ligt de wereld aan je voeten. Zeker toen ik kort erna, mede door die wereldtitel, prof werd bij Domo-Farm Frites, de ploeg van Patrick Lefevere. Van mijn hele profloopbaan was dat ongetwijfeld de mooiste periode: de trainingen met Johan, de koersen met andere wereldtoppers als Boonen, Bettini, Virenque, Vainsteins... Ondergedompeld worden ook in de unieke ploegsfeer die nog altijd heerst bij Deceuninck-Quick-Step.' Naast twee bronzen WK-medailles in het veld liet jij ook op de weg veelbelovende dingen zien, ondanks een beperkt programma. Vanthourenhout: 'Als 21-jarige crosser finishte ik in mijn debuutjaar, 2002, al als vijfde in een massasprint in de Ronde van Zwitserland, waar ik ook probleemloos over de cols raakte. Een jaar later: brons op het BK in Vilvoorde, na Geert Omloop en Jurgen Van Goolen. In 2004: drie toptienplaatsen in de sterk bezette Tour du Languedoc-Rousillon, waar onder meer Armstrong de Tour voorbereidde. Ik was heel allround, kon overal mijn mannetje staan, in zoverre zelfs dat US Postal mij polste voor een overstap.' Je verliet eind 2004 Quick-Step uiteindelijk voor Rabobank, na een ophefmakende transfer. Vanthourenhout: 'De domste zet uit mijn carrière, ook omdat die later tot nog veel andere fouten heeft geleid. Maar je bent jong, je krijgt plots een veel beter salarisvoorstel. En dan neem je de verkeerde beslissing. Ik lag nochtans onder contract bij Patrick, al heeft Rabobank dat toen afgekocht. Met Patrick heb ik zelfs niet meer gepraat. Ik was vastberaden, maar ook onvolwassen. Ik heb er nog altijd spijt van, ook door de manier waarop - dat heb ik onlangs nog gemaild naar Patrick. Want als ik mijn contract had geëerbiedigd, dan was ik allicht heel mijn carrière bij hem gebleven. En had die er allicht anders uitgezien. 'Bij Rabobank kon ik op vlak van begeleiding, materiaal en dergelijke nochtans nooit klagen, en ik heb er ook met fijne mensen gewerkt. Maar dat crossteam was geen echte ploeg zoals Quick-Step, waar ik me een deel van de familie voelde.' Als je was gebleven, had je dan ook de switch naar de weg gemaakt? Volgens Johan Museeuw kon jij zelfs een klassieker winnen. Vanthourenhout: 'Hij beweert dat nog altijd. ( lacht) Wellicht zou ik mijn veldritprogramma beperkt hebben tot december en januari, zoals Gianni Vermeersch en Tim Merlier nu doen. Maar had ik dan een klassieker op de weg gewonnen? Ik zal het nooit weten.' Weinig bekend is dat na die transfer jouw veldritcarrière op dieet werd gezet door een eetstoornis. Hoe ernstig was dat? Vanthourenhout: 'Zeer ernstig... In mijn eerste profjaren woog ik, als notoire vleeseter, 73 kilo, voor 1m82. Bij Quick-Step stond ik volgens dokter Yvan Vanmol zelfs altijd een kilootje te zwaar. Maar ik presteerde wel. In 2006, in Zeddam, was ik zonder lekke band zelfs wereldkampioen geworden. Een enórme ontgoocheling. Zo dicht bij die wereldtitel... 'En dan wil je een stapje verder gaan. Ook omdat ik altijd tekortschoot op klimparcoursen als in Gavere of op de Koppenberg, wat me telkens een topklassering in de regelmatigheidscriteria kostte. Dus dacht ik: als ik nu zou vermageren tot net onder de 70 kilo? Dat lukte. En het rendeerde ook. En dus ging ik nog extremer diëten. 'Op dat moment moet iemand je zeggen: 'Stop! Nu overschrijd je een gevaarlijke grens!' Ik dacht echter alleen maar: nóg een kilootje minder. Zo raakte ik in een bijna onomkeerbare neerwaartse spiraal. Op mijn dieptepunt zag ik 's ochtends op de weegschaal 63 kilo verschijnen. Toen schrok ik wel even...' Jezelf zo uitgehongerd? Vanthourenhout: 'Ja... Zelfs op dagen met lange duurtrainingen leefde ik op 1000 à 1200 kilocalorieën per dag, terwijl ik het drie-, vier-, vijfvoudige nodig had. Frieten? IJscrème? Nooit! Ja-mais! Vlees, koolhydraten? Oei, dikmakers! Alleen nog groenten... 'Het ging zo ver dat ik twee vingers in mijn keel stak als ik dacht dat ik te veel had gegeten. Om alles weer over te geven... Naar familiefeesten ging ik ook niet meer graag, omdat ik wist dat ik daar een stuk taart voorgeschoteld zou krijgen. Als mijn tante dan zei: ' Eet maar, jongen, daje kloek stoat', dan kon ik niet weigeren. Een uur later lag die taart echter al in het toilet...' Heb je hulp gezocht? Of heeft iemand anders aan de alarmbel getrokken? Vanthourenhout: 'Ik heb het altijd ontkend, zelfs tegen mijn vader. 'Ik, een eetprobleem? Ge zij nie goe zekers?' Ik was, zoals mijn moeder, dan ook een ipfretter: nooit spreken over mijn gevoelens, alles opkroppen. Tot ik richting die 63 kilo ging en mijn vader het op tafel gooide: 'Als je zo verder doet, ga ik niet meer mee naar de cross.' Hij heeft zich echt boos gemaakt - het ging luid... 'Na een drietal jaar besefte ik dat het zo niet meer verder kon. Toch heb ik tot het einde van mijn carrière de angst om te veel te eten niet kunnen loslaten. Zeker toen ik weer boven de 70 kilo ging, dacht ik: toch beter een kilootje minder... Op dat moment zei ik al tegen jonge renners dat ze genoeg moesten eten, terwijl ik me er zélf nog elke dag van moest overtuigen.' Ging dat ook gepaard met (zware) depressies? Vanthourenhout: 'Een geluk was dat ik eind 2005 al papa was geworden van Seppe en dat in 2008 mijn tweede zoon, Stan, is geboren. Zo had ik thuis veel afleiding, besefte ik wat het belangrijkste was: mijn gezin. Wel was ik soms dagenlang erg teleurgesteld na wéér een mindere prestatie, maar nooit in die mate dat ik mezelf iets ging aandoen. Een psycholoog heb ik ook nooit nodig gehad. Niets voor mij. Ik vond altijd dat ik slimmer was dan diegene die tegenover mij zat.' Hoe groot was de fysieke impact van jouw eetstoornis, zelfs nadat je die had overwonnen? Vanthourenhout: 'Enorm. Veel van wat ik van mijn 14e tot mijn 24e had opgebouwd, heb ik - bij wijze van spreken - in een half jaar omvergegooid. Mijn spieren: half weggevreten. Mijn testosteronwaarden: aan diggelen. Zoiets bouw je niet in een-twee-drie weer op. Daar had ik ook de tijd niet voor. Ik móést presteren. Zeker toen ik in 2007 naar Sunweb ging, voor een dik contract. Dan is de druk groot, vanuit de ploeg én vanuit mezelf.' Een andere grote tegenslag: de operatie aan een vernauwde hoofdslagader in je buik in de zomer van 2007. Een gevolg van je eetstoornis? Vanthourenhout: 'Het was niet dé oorzaak - bij een val was er ook littekenweefsel ontstaan - maar volgens specialisten heeft het gebrek aan vooral vetten mogelijk een rol gespeeld. Feit is wel dat het ernstig was: ik riskeerde zelfs interne bloedingen. In de operatie werd liefst acht centimeter ader uit mijn bil gehaald om het uitgerafelde stuk in mijn buik te overbruggen. Als ik nu over die plek wrijf, voel ik nog altijd niets. 'Het lastigste moest dan nog komen: thuis zes weken platliggen in bed, nog een jaar bloedverdunners nemen. Ook dat had een enorme impact. Op mijn spieren, op mijn bloedwaarden die fel zakten, terwijl ik altijd een natuurlijke hematocriet van 49 à 50 gehad had.' Een jaar later, in juni 2008, beleefde je een opflakkering, toen je in Knokke-Heist ei zo na Belgisch kampioen op de weg werd. Niet Jürgen Roelandts, maar jij reed er de snelste sprint. Vanthourenhout: 'Helaas koos ik voor het verkeerde wiel, dat van Tom Boonen, die moest uitwijken door een val van Wouter Weylandt. Opnieuw een gemiste kans, terwijl ik eindelijk weer op niveau was. Toen ik na Halle-Ingooigem en een extra dernytraining op woensdag thuiskwam, zei ik zelfs tegen mijn pa: 'De renner die mij klopt, wordt kampioen.' Mijn ploegleiders bij Sunweb, Hans en Mario De Clercq, hebben toen zelfs gewed met hun collega's. Ze waren er zo van overtuigd dat ik zou winnen. 'Die zilveren plak gaf me wel een boost voor de daaropvolgende veldritcampagne. Tot ik al vroeg op het seizoen mijn pols en scafoïd brak. Wéér een krak, fysiek en vooral ook mentaal.' In jouw periode bij Rabobank raakte je nauw bevriend met Sven Nys, die ook je vaste trainingspartner op stages was. Heeft dat, los van het menselijke aspect, zich op fysiek vlak tegen jou gekeerd? Vanthourenhout: 'Ja. Ik heb graag getraind met Sven, maar mijn lichaam kon zijn trainingen niet aan. Schema's van zijn coach Paul Van Den Bosch volgde hij dan ook zelden. Sven deed zijn goesting: lang én zo rap mogelijk fietsen. Liever 35 kilometer per uur gemiddeld dan 34. 'Ik was beter bevriend geraakt met een renner die elke training een halfuur vroeger afdraaide en twee kilometer per uur trager reed. Indruisend tegen mijn professionele instelling, maar het zou mij verder gebracht hebben. Mijn beste maanden waren zelfs mei en juni, volgend op mijn rustperiode na het crossseizoen. Zoals ook in mijn eerste profjaren bij Domo-Farm Frites en Quick-Step, toen ik vaak met Museeuw trainde. Hoe vaak heeft Johan niet gezegd: "Kleinen, zet je in mijn wiel, zodat je je niet kapot rijdt." Na vier uur trainen moest ik ook afdraaien aan het hotel, en ging hij nog een uur door. 'Let wel: ik heb toen ook lange trainingen ingelast van 250 kilometer, zoals voor het BK in Vilvoorde, waar ik brons pakte, maar nooit met de intensiteit van tijdens de ritten met Sven. Zo heb ik mijn lichaam zelfs meer afgebroken. En dat was door mijn eetstoornis al zo broos. Ik bleef sukkelen in een soort herstelmodus en ben nooit meer de oude geworden.' In februari 2016 ben je op je 35e gestopt. Toen al een carrière als ploegleider/coach in gedachten? Laat staan als bondscoach? Vanthourenhout: 'Absoluut niet. Maar ik was er wél van overtuigd dat ik nog een toekomst had in het wielrennen. En toen ik via Sven Nys ploegleider bij Telenet-Fidea werd, voelde ik ook vlug aan dat dat niet mijn eindstation zou worden. Als coureur had ik al een uitstekend koersdoorzicht. Dat bleek ook in dat eerste jaar bij Telenet, in de wegkoersen. Op het BK in Antwerpen zaten bijvoorbeeld zowat al onze crossers in de achtervolgende groep op Oliver Naesen en co, omdat ze mijn advies gevolgd hadden. Alle andere crossers waren er dan al lang uitgewaaid. Dan weet je: dit is geen toeval.' Het contrast tussen Sven, de ipfretter als renner, en Sven, de uitstekend communicerende bondscoach, is wel frappant. Ervaar je dat zelf ook? Vanthourenhout: 'Ik ben op veel vlakken niet meer dezelfde persoon, maar dat is inderdaad de grootste verandering. Al is er een verschil tussen praten over je eigen gevoelens tegen vrienden en familie en als coach met anderen over hún problemen en zorgen spreken. 'Dat gaat me heel goed af, ja. Nochtans ben ik daarvoor bij niemand te rade gedaan. Niemand heeft mij ooit gezegd: 'Je moet het zo aanpakken.' Dat gebeurt heel natuurlijk. Of ik nu spreek met een jonge crosser of met Evenepoel, Gilbert of Van Aert, da's hetzelfde. Ik speel geen rol, voor niemand, ben gewoon mezelf.' Volgens je vader liep je vroeger weg van moeilijke discussies, was je veel te braaf en kon je moeilijk neen zeggen. Uit de niet-selectie van Thibau Nys voor het WK blijkt dat ook dat veranderd is, gezien jouw blijkbaar bekoelde relatie met vader Sven. Vanthourenhout: 'Die band is niet meer wat ze ooit was, maar dat speelde in deze keuze niet mee. Die heb ik gemaakt op basis van objectieve argumenten. En dan draai ik niet rond de pot, ook niet tegen Sven of Thibau. Zo rechtuit communiceren heb ik vroeger nooit gedaan. De te brave Sven is de kordate én correcte Sven geworden. Ik kan wel nog altijd moeilijk neen zeggen - ik zal altijd bijspringen als iemand dat vraagt - maar in belangrijke zaken weet ik wél waar ik neen op moet antwoorden.' Spiegel jij je aan een bepaalde coach/ploegleider? Vanthourenhout: 'Mijn werkwijze leunt het dichtst aan bij de succesformule van Patrick Lefevere. Zonder dat ik hem bewust probeer te kopiëren - ik doe alles, zoals gezegd, vanuit mijn eigen ervaring en gevoel. Ik zal op Twitter ook nooit de hele wereld aanvallen, zoals Patrick. ( lacht) Maar ik probeer net als hij iedereen op de juiste plaats te zetten, een staf te bouwen met mensen aan wie ik alles kan vragen, én zij ook aan mij. Stafleden die zelfs even belangrijk zijn als mijn renners - het is steevast mijn eerste WK-selectie. Om zo een hechte groepssfeer te creëren waar niemand in zijn hokje zit, iedereen met iedereen communiceert.' Je voelt ook goed aan op welke momenten je renners moet bijstaan. Je zat, nog voor je bondscoach op de weg werd, aan het ziekenhuisbed van zowel Wout van Aert als van Remco Evenepoel na hun respectieve crashes in de Tour en in Lombardije. Vanthourenhout: 'Remco's ouders zijn er mij nog altijd dankbaar voor. Ze waren zelfs een van de eersten die mij een berichtje stuurden voor mijn veertigste verjaardag. Maar ook toen dacht ik niet: ik rijd naar het ziekenhuis omdat ik er later profijt uit kan halen. Ik deed dat omdat ik dan al een band met Wout en Remco had opgebouwd en ik oprecht bezorgd was. 'Op zulke moeilijke momenten ben je als bondscoach véél belangrijker dan na een grote zege. Als Wout een Tourrit wint, feliciteer ik hem niet hoor, want dan ben ik een van de zovelen die een berichtje stuurt. Wel heb ik er een gezonden naar Greg Van Avermaet, na zijn val in Luik-Bastenaken-Luik. Niet zo speciaal, maar hij was toen blij met die steun, vertelde hij me onlangs in Spanje. 'Verder probeer ik als bondcoach ervoor te zorgen dat alle essentiële zaken in orde zijn, zonder het gat van renners af te vegen. Remco of Wout hebben mij ook niet nodig om wereldcoureurs te worden. Mindere getalenteerde jongeren mee helpen op topniveau brengen, daar haal ik meer voldoening uit.' Omdat je hen kunt behoeden voor de fouten die jij gemaakt hebt? Vanthourenhout: 'Absoluut. Ik ben er zelfs zeker van dat als ik wél een topcoureur was geworden dat ik nu geen bondscoach zou zijn. Kampioenen , zoals Sven Nys, kunnen dat niet. Die hebben in hun carrière op slechts één autostrade gereden: die richting succes. Minder talentvolle renners moeten veel meer omwegen nemen om iets te bereiken en botsen op veel meer obstakels. Zoals ik in mijn vijftien jaar als profrenner. Daardoor kan ik jonge talenten nu wijzen op de gevaren van magerzucht, van te veel trainen, van verkeerde ploegkeuzes...' Alles samen heb je op je veertigste zo al een pak levenservaring. Heb je ook alles een plaats gegeven, lijkt ons. Vanthourenhout: 'Ja. Zou ik andere beslissingen nemen, mocht ik opnieuw kunnen beginnen? Denk ik daar nu soms nog aan? Ja. Maar ben ik daardoor gefrustreerd? Vraag ik me nu continu af: wat als? Zeker niet. De dag dat ik gestopt ben als renner, heb ik dat losgelaten. En heb ik vooruitgekeken. En zie waar ik nu sta, vijf jaar later.'