Vroeg uit de veren en zo snel mogelijk richting parcours, dat is onze opdracht deze ochtend. De graad van gezelligheid van de camperplaats aan de rand van Conegliano - er staat al heel de tijd een vrachtwagen te lossen op de parking van de Lidl, tien meter verder - is toch niet van die aard.Het contrast met de feeërieke sfeer in de binnenstad, die we gisterenavond hebben kunnen opsnuiven, kan niet groter zijn. Het is daar dat straks 142 renners (Giulio Ciccone start niet meer vanwege een bronchitis) van het startpodium zullen rollen voor een tijdrit over glooiende wegen.

Wij nemen een route parallel aan het parcours, benaderen het via de zuidkant en komen uiteindelijk uit vlakbij het laatste van drie tussenpunten die tussen de Prosecco-wijnranken zijn neergelegd. We lopen een aantal keren heen en weer tussen kilometer acht en negen van het einde, omdat daar volgens Google Maps een etablissement zou moeten zijn waar we ontbijt hopen te vinden.

Fronsend en wikkend inspecteren we de steiltegraad, en terwijl we het vals plat naar boven wandelen, kruisen we een van de bewoners van het dorp en deze straat. We groeten en hij doet hetzelfde, en vraagt of we ons mondmasker even willen afzetten, omdat hij ons niet herkent. Pas wanneer we dat ook doen beseft hij dat we helemaal geen bekenden zijn. Toch nodigt hij ons uit om later op de dag een glas te komen drinken.

Dan komt uit de verte een colonne ploegwagens onze richting uitgereden, een eenzame fietser voor zich uit. Het roze stuurlint verraadt dat het over de Portugees Almeida gaat. Later rijden ook andere renners ons voorbij. Zo'n verkenning lijkt overigens ook wel aangewezen. Het traject is verraderlijk, met na enkele kilometers een muur met percentages die aan de Koppenberg doen denken. Niet toevallig bestaat er een Italo-Belgische samenwerking tussen deze Muro di Ca' del Poggio en de Muur van Geraardsbergen.

Thomas De Gendt klimt in 2014 de Muro di Ca' del Poggio op., GETTY
Thomas De Gendt klimt in 2014 de Muro di Ca' del Poggio op. © GETTY

Het leuke aan zo'n tijdrit is dat het gaat over een strijd van man tegen man. Voor de toeschouwers aan de kant van de weg is dat eigenlijk interessanter dan een rit in lijn. Om de minuut passeert er weer een renner, soms rijden ze per twee voorbij, een enkele keer ook per drie (we herkennen onze vriend, de Oostenrijker Matthias Brändle, die handig gebruik maakt van het zog van twee Italianen van Vini-Zabu die één en twee minuten voor hem zijn gestart.) Qua ervaring dus totaal iets anders dan het 'daar zijn ze! - vai vai vai - amai veel auto's zeg! - dat was het dan'.

En zo zitten we vandaag niet ergens op verre afstand van, maar midden in de Giro. Op de plek waar we ons mogen neerzetten (tegenover een groep mensen rond enkele tafels, met de geur van brandend hout die onze kant op waait) blijkt een heus volksfeest losgebarsten. De barbecue is aangestoken en de hele straat heeft zich op deze plek verzameld. Gezelligheid met mondmaskers. Er worden broodjes afgebakken, flessen Prosecco ontkurkt en kastanjes gepoft. De mensen van Col San Martino (ze juichen als de Giro-omroeper hen groet vanuit de auto) verwelkomen ons hartelijk en bieden ons algauw te eten en te drinken aan. Wanneer we vertellen dat we uit België komen roept Antonio, de man van de eerdere ontmoeting: 'Mijn vrouw is in België geboren! Wacht, ik ga haar halen!'

Lydia blijkt een uiterst sympathieke dame, die in vloeiend Frans het verhaal van haar vader aan ons vertelt. Als arme Italiaan uit de Veneto naar Charleroi verhuisd, om daar te werken in de mijnen. Er komt volgende maand zelfs een groep vrienden uit België langs, al is dat door de 'toestand' nu wel even onzeker. Thuis heeft ze een foto van haar vader die we zouden moeten zien, gemaakt in de nasleep van de mijnramp in Marcinelle van 1956, waarbij heel wat Italianen om het leven kwamen.

Bij de mijnramp van Marcinelles in 1956 stierven 256 mensen., Belga Image
Bij de mijnramp van Marcinelles in 1956 stierven 256 mensen. © Belga Image

Wij moeten het even opzoeken, maar hier in een dorp in Noord-Italië op de Strada del Prosecco blijkt die ramp een waar begrip. Angelo, schrijnwerker en pater familias van het huis waarvan we op de oprit zitten, komt met een bijzondere theorie: het zou niet om een ongeluk, maar om een aanslag gaan, opgezet spel van met name de Belgische arbeiders (die zich slachtoffers waanden, zegt hij, bedreigd door al die buitenlandse werkkrachten). Een bewering die we niet gauw kunnen verifiëren; wel vinden we terug dat op het proces, drie jaar na de noodlottige gebeurtenis, slechts één man, de directeur des travaux, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete opgelegd kreeg. Algemeen wordt aangenomen dat hij als zondebok moest dienen om hogere functionarissen uit de wind te zetten. De Italiaanse regering drong bij België aan op betere werkomstandigheden voor de gastarbeiders, maar België ging daar niet op in. In plaats daarvan sloot het overeenkomsten met Spanje, Griekenland en later ook Marokko en Turkije.

Later, wanneer we nog een kopje koffie drinken voor zijn huis, blijkt Angelo in ieder geval meer dan een praatjesmaker. Met een verbluffend vermogen tot associatie leidt hij ons in het bestek van een espresso van de Italiaanse eenmaking over de architecturale volmaaktheid van Parijs naar de culturele impact van de Venetianen en de Habsburgers en de gastvrijheid van de Arabieren. Hij heeft bovendien, vertelt hij, zowat overal familie; we onthouden een nicht in Virginia en een neef in Charleroi. Daarmee kent bijna iedere Italiaan waarmee we al gesproken hebben, beseffen we, wel iemand die in België heeft gewerkt of er nog altijd woont. Hoezeer ze ook gehecht zijn aan het leven in de Laars, Italianen zijn in de geschiedenis een reizend volk geweest, uitgezwermd over de wereldzeeën. In het dorp hangt ietsje verder terug trouwens een spandoek op de weg waarop geschreven staat: 'Gli emigranti salutano il Giro'. Hier opgehangen door de thuisblijvers, in naam van alle Italianen in Amerika, Wallonië, Limburg en de rest van wereld?

Na de koers gaan we nog even langs in de cantina van Antonio en Lydia. We kopen een paar flessen Prosecco en Lydia toont ons het krantenartikel met de foto waar haar vader op staat, samen met Koningin Elisabeth van België. Ook Antonio wil nog iets laten zien: een mapje foto's van de ultra-lichte vliegtuigjes waarmee hij tochten maakt als hij niet tussen zijn druiven aan het werk is. Vaak is hij met mensen opgestegen om ze de streek vanuit de lucht te laten zien, maar met het ouder worden doet hij dat nu liever niet meer. Zevenenzestig zegt hij, en we schrikken. De heilzame kracht van het Prosecco-water? , doodt alle bacteriën! Als dat waar is, heeft de ongenaakbare Filippo Ganna er gisteren, naar alle waarschijnlijkheid, ook wat van gesnoept.

Jonas De Bruyn en Lennert De Vroey

Vroeg uit de veren en zo snel mogelijk richting parcours, dat is onze opdracht deze ochtend. De graad van gezelligheid van de camperplaats aan de rand van Conegliano - er staat al heel de tijd een vrachtwagen te lossen op de parking van de Lidl, tien meter verder - is toch niet van die aard.Het contrast met de feeërieke sfeer in de binnenstad, die we gisterenavond hebben kunnen opsnuiven, kan niet groter zijn. Het is daar dat straks 142 renners (Giulio Ciccone start niet meer vanwege een bronchitis) van het startpodium zullen rollen voor een tijdrit over glooiende wegen.Wij nemen een route parallel aan het parcours, benaderen het via de zuidkant en komen uiteindelijk uit vlakbij het laatste van drie tussenpunten die tussen de Prosecco-wijnranken zijn neergelegd. We lopen een aantal keren heen en weer tussen kilometer acht en negen van het einde, omdat daar volgens Google Maps een etablissement zou moeten zijn waar we ontbijt hopen te vinden. Fronsend en wikkend inspecteren we de steiltegraad, en terwijl we het vals plat naar boven wandelen, kruisen we een van de bewoners van het dorp en deze straat. We groeten en hij doet hetzelfde, en vraagt of we ons mondmasker even willen afzetten, omdat hij ons niet herkent. Pas wanneer we dat ook doen beseft hij dat we helemaal geen bekenden zijn. Toch nodigt hij ons uit om later op de dag een glas te komen drinken. Dan komt uit de verte een colonne ploegwagens onze richting uitgereden, een eenzame fietser voor zich uit. Het roze stuurlint verraadt dat het over de Portugees Almeida gaat. Later rijden ook andere renners ons voorbij. Zo'n verkenning lijkt overigens ook wel aangewezen. Het traject is verraderlijk, met na enkele kilometers een muur met percentages die aan de Koppenberg doen denken. Niet toevallig bestaat er een Italo-Belgische samenwerking tussen deze Muro di Ca' del Poggio en de Muur van Geraardsbergen.Het leuke aan zo'n tijdrit is dat het gaat over een strijd van man tegen man. Voor de toeschouwers aan de kant van de weg is dat eigenlijk interessanter dan een rit in lijn. Om de minuut passeert er weer een renner, soms rijden ze per twee voorbij, een enkele keer ook per drie (we herkennen onze vriend, de Oostenrijker Matthias Brändle, die handig gebruik maakt van het zog van twee Italianen van Vini-Zabu die één en twee minuten voor hem zijn gestart.) Qua ervaring dus totaal iets anders dan het 'daar zijn ze! - vai vai vai - amai veel auto's zeg! - dat was het dan'.En zo zitten we vandaag niet ergens op verre afstand van, maar midden in de Giro. Op de plek waar we ons mogen neerzetten (tegenover een groep mensen rond enkele tafels, met de geur van brandend hout die onze kant op waait) blijkt een heus volksfeest losgebarsten. De barbecue is aangestoken en de hele straat heeft zich op deze plek verzameld. Gezelligheid met mondmaskers. Er worden broodjes afgebakken, flessen Prosecco ontkurkt en kastanjes gepoft. De mensen van Col San Martino (ze juichen als de Giro-omroeper hen groet vanuit de auto) verwelkomen ons hartelijk en bieden ons algauw te eten en te drinken aan. Wanneer we vertellen dat we uit België komen roept Antonio, de man van de eerdere ontmoeting: 'Mijn vrouw is in België geboren! Wacht, ik ga haar halen!'Lydia blijkt een uiterst sympathieke dame, die in vloeiend Frans het verhaal van haar vader aan ons vertelt. Als arme Italiaan uit de Veneto naar Charleroi verhuisd, om daar te werken in de mijnen. Er komt volgende maand zelfs een groep vrienden uit België langs, al is dat door de 'toestand' nu wel even onzeker. Thuis heeft ze een foto van haar vader die we zouden moeten zien, gemaakt in de nasleep van de mijnramp in Marcinelle van 1956, waarbij heel wat Italianen om het leven kwamen.Wij moeten het even opzoeken, maar hier in een dorp in Noord-Italië op de Strada del Prosecco blijkt die ramp een waar begrip. Angelo, schrijnwerker en pater familias van het huis waarvan we op de oprit zitten, komt met een bijzondere theorie: het zou niet om een ongeluk, maar om een aanslag gaan, opgezet spel van met name de Belgische arbeiders (die zich slachtoffers waanden, zegt hij, bedreigd door al die buitenlandse werkkrachten). Een bewering die we niet gauw kunnen verifiëren; wel vinden we terug dat op het proces, drie jaar na de noodlottige gebeurtenis, slechts één man, de directeur des travaux, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete opgelegd kreeg. Algemeen wordt aangenomen dat hij als zondebok moest dienen om hogere functionarissen uit de wind te zetten. De Italiaanse regering drong bij België aan op betere werkomstandigheden voor de gastarbeiders, maar België ging daar niet op in. In plaats daarvan sloot het overeenkomsten met Spanje, Griekenland en later ook Marokko en Turkije.Later, wanneer we nog een kopje koffie drinken voor zijn huis, blijkt Angelo in ieder geval meer dan een praatjesmaker. Met een verbluffend vermogen tot associatie leidt hij ons in het bestek van een espresso van de Italiaanse eenmaking over de architecturale volmaaktheid van Parijs naar de culturele impact van de Venetianen en de Habsburgers en de gastvrijheid van de Arabieren. Hij heeft bovendien, vertelt hij, zowat overal familie; we onthouden een nicht in Virginia en een neef in Charleroi. Daarmee kent bijna iedere Italiaan waarmee we al gesproken hebben, beseffen we, wel iemand die in België heeft gewerkt of er nog altijd woont. Hoezeer ze ook gehecht zijn aan het leven in de Laars, Italianen zijn in de geschiedenis een reizend volk geweest, uitgezwermd over de wereldzeeën. In het dorp hangt ietsje verder terug trouwens een spandoek op de weg waarop geschreven staat: 'Gli emigranti salutano il Giro'. Hier opgehangen door de thuisblijvers, in naam van alle Italianen in Amerika, Wallonië, Limburg en de rest van wereld?Na de koers gaan we nog even langs in de cantina van Antonio en Lydia. We kopen een paar flessen Prosecco en Lydia toont ons het krantenartikel met de foto waar haar vader op staat, samen met Koningin Elisabeth van België. Ook Antonio wil nog iets laten zien: een mapje foto's van de ultra-lichte vliegtuigjes waarmee hij tochten maakt als hij niet tussen zijn druiven aan het werk is. Vaak is hij met mensen opgestegen om ze de streek vanuit de lucht te laten zien, maar met het ouder worden doet hij dat nu liever niet meer. Zevenenzestig zegt hij, en we schrikken. De heilzame kracht van het Prosecco-water? Sì, doodt alle bacteriën! Als dat waar is, heeft de ongenaakbare Filippo Ganna er gisteren, naar alle waarschijnlijkheid, ook wat van gesnoept.Jonas De Bruyn en Lennert De Vroey