1. MARK CAVENDISH De Brit is het prototype van de echte sprinter: in volle snelheid kan hij nog eens extra exploderen. De Franse sportkrant L'Equipe riep Cavendish vorig jaar uit tot de beste sprinter uit de Tourgeschiedenis. De 28-jarige Cavendish, die over unieke sprintgenen beschikt en het best presteert onder druk, won in de Tour 23 ritten, maar slechts één keer de groene trui. Of hij ooit het record van Eddy Merckx (34 ritoverwinningen) zal breken, valt af te wachten.

2. ERIK ZABEL Erik Zabel werd in massaspurten even vaak tweede als eerste. Hij botste geregeld op renners die net een tikkeltje sneller waren. Maar met zijn macht en kracht mengde de Duitser zich in iedere sprint en legde zo een indrukwekkende collectie van zes groene truien aan. En ofschoon de ploeg nooit echt rond hem was gemetseld, won hij twaalf ritten. Zabel verpersoonlijkte de echte prof: helemaal kapot zitten was voor hem de opperste vorm van geluk.

3. FREDDY MAERTENS

Als een pure sprinter heeft Freddy Maertens zichzelf nooit beschouwd. Omdat hij niet met een ultieme jump kon uitpakken, koos hij voor een andere strategie: hij zette zich van ver op kop en hield puur op kracht iedereen achter zich. De uit Lombardsijde afkomstige Maertens haalde zijn macht uit Spartaanse trainingsritten langs de kust. Met het grote verzet beukte hij tegen de wind in. Maertens reed drie keer de Tour, won telkens het groen en pakte 15 ritzeges.

4. ROBBIE McEWEN

In klassiekers trad hij zelden op het voorplan, maar in de Tour nam Robbie McEwen (12 ritzeges en drie groene truien) een andere gedaante aan. Daarbij ging de Australiër, die tijdens zijn actieve carrière in België woonde, telkens tot op het randje, als het ware voortgestuwd door de adrenaline. McEwen sprintte puur op zijn instinct. Hij sprong van wiel naar wiel en ontzag niemand. Het maakte van hem niet de meest geliefde sprinter uit het peloton.

5. ANDRÉ DARRIGADE De inmiddels 84-jarige André Darrigade is in Frankrijk nog altijd een legende. Hij won in de Tour liefst 22 ritten. En twee keer het groen. Daarbuiten waren de successen van de vliegende Bask eerder langs de magere kant, een wereldtitel in 1959 buiten beschouwing gelaten. Het was alsof Darrigade alleen in Tour opleefde, al kende hij daarin ook het meest tragische moment uit zijn carrière: in 1958 knalde hij in volle spurt op een onvoorzichtige steward. Die overleed twee dagen later.

6. DJAMOLIDIN ABDOUJAPAROV

Negen ritzeges en drie keer groen: veel meer dan voor zijn snelheid werd Djamolin Abdoujaparov gevreesd omwille van zijn buffelachtige manier van sprinten. Er bestonden geen grenzen voor de Oezbeekse krachtpatser die telkens weer als een kamikaze naar voren schoot, trekkend, sleurend en smijtend. Met zijn granieten kop oogde hij als een onbehouwen krijger. Hij greep in een spurt nooit naar de rem. Rond hem vonden dan ook veel valpartijen plaats.

7. MARIO CIPOLLINI

Meer dan tien jaar was Mario Cipollini de snelste renner van zijn generatie. Hij was de eerste sprinter die door zijn ploegmaats op een perfecte manier naar de meet werd gebracht, een systeem dat later vaak werd gekopieerd. Veel meer dan in de Tour (twaalf ritzeges) springen de 42 etappes die hij in de Ronde van Italië won in het oog. In zijn verlangen om op te vallen liet de excentrieke en wat narcistische Toscaan zich graag op alle mogelijke manieren fotograferen. Op zijn 46ste is hij nog altijd immens populair.

8. JEAN-PAUL VAN POPPEL

Op het kruispunt van de jaren tachtig en negentig werd de Nederlander aanzien als een nieuw spurtfenomeen. In de Tour won hij in totaal negen ritten en veroverde één keer de groene trui. Van Poppel, wiens zoon Boy dit jaar in de Ronde van Frankrijk debuteert, aanzag een sprint als een oorlog en liet zich door niemand wegdrummen. Toch was de Tilburger een renner met beperkingen. Voor de klassiekers bijvoorbeeld bleek hij niet sterk genoeg.

9. TOM STEELS Trekken en duwen, smakken en kwakken, rekenen en berekenen, Tom Steels kreeg er telkens weer een kick van. Toch was de Waaslander, die in de Tour negen ritten won, een eenvoudige sprinter. Hij hield niet van frivoliteiten en ging in zijn carrière maar één keer over de schreef. Maar dat was meteen raak: in 1977 liet hij zich in volle eindsprint verleiden om een drinkbus naar het hoofd van de Fransman Frédéric Moncassin te gooien. En werd meteen naar huis gestuurd.

10. PATRICK SERCU

Een pistier als sluitstuk van dit lijstje. Als het puur op snelheid aankwam, dan troonde Patrick Sercu hoog boven iedereen uit. Net zoals Cavendish kon de West-Vlaming in de laatste meters nog eens versnellen. Patrick Sercu was 30 toen hij in 1974 voor de eerste keer aan de Tour deelnam. Hij won drie ritten, droeg even de gele trui en pakte het groen. In 1977 deed hij die drie ritzeges nog eens over. Waaronder een etappe naar Charleroi, waarin hij op 175 kilometer van het einde was ontsnapt.

1. MARK CAVENDISH De Brit is het prototype van de echte sprinter: in volle snelheid kan hij nog eens extra exploderen. De Franse sportkrant L'Equipe riep Cavendish vorig jaar uit tot de beste sprinter uit de Tourgeschiedenis. De 28-jarige Cavendish, die over unieke sprintgenen beschikt en het best presteert onder druk, won in de Tour 23 ritten, maar slechts één keer de groene trui. Of hij ooit het record van Eddy Merckx (34 ritoverwinningen) zal breken, valt af te wachten. 2. ERIK ZABEL Erik Zabel werd in massaspurten even vaak tweede als eerste. Hij botste geregeld op renners die net een tikkeltje sneller waren. Maar met zijn macht en kracht mengde de Duitser zich in iedere sprint en legde zo een indrukwekkende collectie van zes groene truien aan. En ofschoon de ploeg nooit echt rond hem was gemetseld, won hij twaalf ritten. Zabel verpersoonlijkte de echte prof: helemaal kapot zitten was voor hem de opperste vorm van geluk. 3. FREDDY MAERTENS Als een pure sprinter heeft Freddy Maertens zichzelf nooit beschouwd. Omdat hij niet met een ultieme jump kon uitpakken, koos hij voor een andere strategie: hij zette zich van ver op kop en hield puur op kracht iedereen achter zich. De uit Lombardsijde afkomstige Maertens haalde zijn macht uit Spartaanse trainingsritten langs de kust. Met het grote verzet beukte hij tegen de wind in. Maertens reed drie keer de Tour, won telkens het groen en pakte 15 ritzeges. 4. ROBBIE McEWEN In klassiekers trad hij zelden op het voorplan, maar in de Tour nam Robbie McEwen (12 ritzeges en drie groene truien) een andere gedaante aan. Daarbij ging de Australiër, die tijdens zijn actieve carrière in België woonde, telkens tot op het randje, als het ware voortgestuwd door de adrenaline. McEwen sprintte puur op zijn instinct. Hij sprong van wiel naar wiel en ontzag niemand. Het maakte van hem niet de meest geliefde sprinter uit het peloton. 5. ANDRÉ DARRIGADE De inmiddels 84-jarige André Darrigade is in Frankrijk nog altijd een legende. Hij won in de Tour liefst 22 ritten. En twee keer het groen. Daarbuiten waren de successen van de vliegende Bask eerder langs de magere kant, een wereldtitel in 1959 buiten beschouwing gelaten. Het was alsof Darrigade alleen in Tour opleefde, al kende hij daarin ook het meest tragische moment uit zijn carrière: in 1958 knalde hij in volle spurt op een onvoorzichtige steward. Die overleed twee dagen later. 6. DJAMOLIDIN ABDOUJAPAROV Negen ritzeges en drie keer groen: veel meer dan voor zijn snelheid werd Djamolin Abdoujaparov gevreesd omwille van zijn buffelachtige manier van sprinten. Er bestonden geen grenzen voor de Oezbeekse krachtpatser die telkens weer als een kamikaze naar voren schoot, trekkend, sleurend en smijtend. Met zijn granieten kop oogde hij als een onbehouwen krijger. Hij greep in een spurt nooit naar de rem. Rond hem vonden dan ook veel valpartijen plaats. 7. MARIO CIPOLLINI Meer dan tien jaar was Mario Cipollini de snelste renner van zijn generatie. Hij was de eerste sprinter die door zijn ploegmaats op een perfecte manier naar de meet werd gebracht, een systeem dat later vaak werd gekopieerd. Veel meer dan in de Tour (twaalf ritzeges) springen de 42 etappes die hij in de Ronde van Italië won in het oog. In zijn verlangen om op te vallen liet de excentrieke en wat narcistische Toscaan zich graag op alle mogelijke manieren fotograferen. Op zijn 46ste is hij nog altijd immens populair. 8. JEAN-PAUL VAN POPPEL Op het kruispunt van de jaren tachtig en negentig werd de Nederlander aanzien als een nieuw spurtfenomeen. In de Tour won hij in totaal negen ritten en veroverde één keer de groene trui. Van Poppel, wiens zoon Boy dit jaar in de Ronde van Frankrijk debuteert, aanzag een sprint als een oorlog en liet zich door niemand wegdrummen. Toch was de Tilburger een renner met beperkingen. Voor de klassiekers bijvoorbeeld bleek hij niet sterk genoeg. 9. TOM STEELS Trekken en duwen, smakken en kwakken, rekenen en berekenen, Tom Steels kreeg er telkens weer een kick van. Toch was de Waaslander, die in de Tour negen ritten won, een eenvoudige sprinter. Hij hield niet van frivoliteiten en ging in zijn carrière maar één keer over de schreef. Maar dat was meteen raak: in 1977 liet hij zich in volle eindsprint verleiden om een drinkbus naar het hoofd van de Fransman Frédéric Moncassin te gooien. En werd meteen naar huis gestuurd. 10. PATRICK SERCU Een pistier als sluitstuk van dit lijstje. Als het puur op snelheid aankwam, dan troonde Patrick Sercu hoog boven iedereen uit. Net zoals Cavendish kon de West-Vlaming in de laatste meters nog eens versnellen. Patrick Sercu was 30 toen hij in 1974 voor de eerste keer aan de Tour deelnam. Hij won drie ritten, droeg even de gele trui en pakte het groen. In 1977 deed hij die drie ritzeges nog eens over. Waaronder een etappe naar Charleroi, waarin hij op 175 kilometer van het einde was ontsnapt.