Dit stuk komt uit de Tourgids 2022. Haal hem nu in de winkel of in onze webshop!
...

Welke eigenschappen moet je bezitten om het puntenklassement te winnen? Snel kunnen spurten lijkt een noodzaak, want de groene trui zou volgens sommigen de beste sprinter moeten bekronen. Maar is dat wel zo? Af en toe slaagt de eindwinnaar van het puntenklassement er niet in om één rit te winnen. En wie het lijstje van winnaars sinds 1953 bekijkt, treft daarin renners aan van diverse pluimage, vooral zelfs renners die het niet uitsluitend van hun flitsende spurt moesten hebben. Zo heb je, naast de tien grootheden op de volgende pagina's, bijvoorbeeld een Tom Boonen, die in het begin van zijn carrière wel massasprints won, maar toch vooral een steengoed klassiek renner was. Aan de andere kant heb je fenomenen als Mario Cipollini, die tussen 1992 en 1999 twaalf Touretappes won, maar geen enkele keer Parijs haalde. Mario Il Magnifico was zonder twijfel een van de allerbeste sprinters van de twintigste eeuw (42 ritzeges in de Giro!), maar in de bergen liet hij liever geen druppel zweet te veel. Hij gaf op of eindigde buiten tijd. Zo win je geen groene trui. De volgende tien kampioenen veroverden elk meermaals die groene trui, dus namen we hen als voorbeeld. Daardoor valt er iemand uit de boot die we toch speciaal willen vermelden: Rik Van Looy. De Keizer van Herentals won in de Tour van 1963 - veruit zijn beste ooit - vier ritten en zijn enige groene trui. Hij was zeer snel, maar kwam toch liever alleen aan dan te vertrouwen op zijn sprint. Misschien wel terecht, zo bleek op het beruchte WK in Ronse, enkele weken na zijn straffe Tour. Bovendien kon Van Looy steevast rekenen op zijn ploegmaats, zoals de 'rode garde' van Faema, die als een Pretoriaanse wacht aan zijn zijde reden - Van Looy was een van de eersten die zich zo lieten omringen. Je zou dus kunnen zeggen dat de aanpak van Wout van Aert nogal verschilt van die van zijn idool Rik II. Maar er is natuurlijk ook een opvallende gelijkenis: beiden wonen in Herentals. Het schept al heel zijn carrière een speciale band tussen Van Aert en Van Looy. Maar Herentalsenaar zijn is op zich natuurlijk geen eigenschap om groen te pakken... De meeste punten voor de groene trui vallen te verdienen in de vlakke ritten en die draaien niet zelden uit op een massasprint. Wie vaak als eerste over de streep komt, maakt een héél goede kans om het puntenklassement te winnen. Aan wie kun je dan beter een voorbeeld nemen dan aan Mark Cavendish? Zijn tweede groene trui vorig jaar kwam er tien jaar na de vorige. En passant evenaarde The Manx Missile het record van Eddy Merckx met 34 ritzeges in de Tour. Cavendish staat voor pure snelheid, explosiviteit, lef en een finale jump. Een sprinter pur sang. Het enige waar Van Aert beter geen voorbeeld aan neemt is de agressiviteit van de Quick-Steprenner, die daardoor ook al heel wat punten weer zag afgenomen worden door de wedstrijdjury. Slechts drie renners wisten in hun carrière zowel de groene als de bolletjestrui te winnen in de Ronde van Frankrijk. Laurent Jalabert is de enige niet-Tourwinnaar die dat kon - de andere twee zijn Eddy Merckx en Bernard Hinault. In het begin van zijn carrière, de vroege jaren 90, was Jaja vooral een goeie finisher. Nadien begon hij zijn klimmersbenen te ontdekken en in 2001 en 2002 won hij nog het bergklassement van de Tour. In de Vuelta van 1995 combineerde hij zelfs puntentrui en bergprijs - die Ronde van Spanje won hij dan ook. Een beetje kunnen klimmen helpt om op alle terreinen punten te sprokkelen. Met zijn tocht over de Ventoux toonde Van Aert vorig jaar dat hij dat kan. Nog een goed voorteken: Jalabert kon net als Van Aert ook een stukje tijdrijden, hij werd in 1997 zelfs wereldkampioen in die discipline. Als echte Flandrien streed Freddy Maertens altijd in de voorste gelederen. Hij reed 24 keer mee in een van de vijf 'monumenten' en eindigde daarbij 19 keer in de top tien. Jammer genoeg wist hij er geen van te winnen. Alleen in klassiekers als de Omloop, de Amstel en Gent-Wevelgem kon hij triomferen. Dat belette hem niet om records op zijn naam te schrijven in de grote rondes. In 1976 won Lippe acht etappes in één Tour, een record dat hij deelt met zijn illustere tijdgenoot Eddy Merckx. In 1977 pakte hij zeven zeges in de Giro en in datzelfde jaar reed hij in een relatief vlakke Vuelta naar dertien (!) overwinningen. Op de twaalfde dag van die Ronde van Spanje had hij al tien keer de bloemen in ontvangst mogen nemen en was zijn voorsprong in het algemeen klassement zo groot dat ze hem niet meer van de leidersplaats weg kregen. Zijn kracht en sprintvermogen leverden hem ook twee regenboogtruien op, in 1976 en 1981. Van Aert won in 2020 Milaan-Sanremo en heeft dus al een streepje voor op Maertens, maar in de Ronde, Roubaix en Luik wou het voorlopig niet lukken. Lippe leert dat dat geen impact heeft op het wegkapen van ritzeges. Nee, we hebben het niet over de Ronde van Vlaanderen in 2013, toen Peter Sagan zich op het podium ongepast gedroeg door een van de bloemenmeisjes in de billen te knijpen. We hebben het weldegelijk over de Tour. Daarin dankt de Slovaak zijn recordaantal groene truien niet zozeer aan zijn ritzeges (twaalf in tien jaar tijd, in 2014 en 2015 zelfs nul) maar vooral aan zijn ongelooflijk percentage podiumplaatsen: in één op de vier ritten (47 op 183) reed hij top drie en als we de chronoproeven niet meetellen is dat zelfs 28 procent. Misschien nog straffer: in de helft van de ritten in lijn plaatste hij zich in de top tien! Zo sprokkel je natuurlijk puntjes voor groen. Een goede raad dus voor Van Aert: blijf in een verloren sprint op de trappers duwen en graai ook in de ritten in het tussengebergte punten mee. Dan blijft het zelfs niet bij één groene trui. André Darrigade was een van de beste sprinters uit de jaren 50 en allicht de snelste Franse spurter ooit. Vijf keer won hij de eerste rit van de Tour, een record. In totaal pakte hij 22 etappezeges, waarmee hij op een vijfde plaats aller tijden staat. Zijn spurt leverde hem ook een wereldtitel op, in 1959 in Zandvoort. Maar Darrigade was allesbehalve een egotripper. Wanneer hij onder de rode vod verscheen, had de trouwe luitenant van Jacques Anquetil er vaak al een zware werkdag voor zijn kopman opzitten en was er al veel jus uit zijn benen gevloeid. 'Had hij helemaal voor zijn eigen rekening gereden, dan had hij tien ritzeges meer behaald', zei Marcel Bidot, zijn ploegleider bij Frankrijk destijds (er werd toen nog in landenteams gereden). De gelijkenis met Wout van Aert, die veel werk opknapt voor Primoz Roglic, is duidelijk. Maar ook op die manier kun je dus de groene trui pakken. Seán Kelly was zuinig met woorden, onpeilbaar, altijd op zijn hoede - volgens sommigen een gevolg van zijn eenvoudige komaf als de zoon van een Ierse boer. Maar hij reed wel een indrukwekkend palmares bij elkaar, misschien het meest veelzijdige van de jaren 80: hij won vier van de vijf klassieke monumenten meermaals, alleen in de Ronde van Vlaanderen bleef hij op drie tweede plaatsen steken. En dan het rondewerk: Parijs-Nice won hij zeven keer op rij (1982-1988), in de Tour en de Vuelta pakte hij vier keer de puntentrui en hij werd ook één keer eindwinnaar van die Ronde van Spanje. Misschien hielp zijn achterdocht hem, hij keek de kat uit de boom en las de koers voortreffelijk. Tactische, onvoorspelbare wedstrijden als de Ronde van Lombardije (drie zeges) lagen hem naar eigen zeggen het best. Dat tactisch doorzicht onontbeerlijk is om tot resultaten te komen hoeven we Van Aert niet te vertellen. Het zal ook nodig zijn, want hij zal ongetwijfeld geviseerd worden door de concurrentie. Zo kan het natuurlijk ook: de groene trui als bijproduct van de gele. De reden waarom Eddy Merckx 'de Kannibaal' genoemd werd, is dat hij álles wilde winnen. Twee van zijn drie groene truien won hij met grote voorsprong. En in de rondes van 1970 en 1974, die hij ook won, eindigde hij nog als tweede in het puntenklassement, op amper 5 en 13 punten van respectievelijk Walter Godefroot en Patrick Sercu. Geen wonder eigenlijk als je weet dat Merckx in elke ronde die hij won (vijf op zeven deelnames) vier tot acht keer als eerste over de streep flitste. Merckx houdt ook nog altijd het recordaantal ritoverwinningen (34, samen met Mark Cavendish) én podiumplaatsen (63) in de Tour. Wout van Aert vergelijken met Eddy Merckx zou sterk overdreven zijn, maar met een ritzege in een bergetappe, een tijdrit en een massaspurt toonde hij vorig jaar wel dat hij veel pijlen op zijn boog heeft. Die komen zeker van pas. Ook Erik Zabel bezit een record: hij won de groene trui zes jaar na elkaar. Punten die hij vooral in de massasprints pakte, maar ook wel daarbuiten, want hij was nooit kapot te krijgen. Met oude Oost-Duitse onverzettelijkheid klampte hij altijd aan, zoals ook in Milaan-Sanremo op de Poggio. Waar andere rassprinters werden losgereden, was dat met Zabel niet het geval. Hij overleefde en schreef zo de Primavera vier keer op zijn naam, twee keer werd hij nog tweede. Ook in de Tour kraakte hij nooit wanneer de bergen eraan kwamen. Hij reed 24 keer een grote ronde en gaf alleen op in zijn allereerste Tour, in 1994. Een onverzettelijkheid die Zabel dankte aan zijn zware trainingsregime, afzien was voor hem genot. Wie dat leest, kan niet anders dan er bijna het spiegelbeeld van Wout van Aert in zien. Dat zit dus wel snor. Als cyclocrosser hoeft Van Aert geen lessen in rijvaardigheid te krijgen en massaspurts heeft hij ook al gewonnen. Toch is het geen slecht idee om eens naar de laatste hectometers van Robbie McEwen te kijken. De kleine Australiër, bijgenaamd The Pocket Rocket, wist zich als geen ander feilloos en veilig door een compacte groep te wurmen, van achterwiel naar achterwiel te flitsen en met een verschroeiende jump de bloemen te pakken. Op een sterke lead-out kon McEwen zelden rekenen en dus was het handig dat hij zelf zijn plan kon trekken. Jumbo-Visma, dat een kandidaat-eindwinnaar in de rangen telt, zal voor Van Aert geen treintje opzetten en dus zal er enige acrobatie aan te pas komen - wat hem wel is toevertrouwd. 'Gek zijn is gezond', zong Stef Bos. Misschien toch niet in het geval van de zotte Oezbeek Djamolidin Abdoezjaparov. Hij bracht niet alleen zijn eigen gezondheid maar ook die van zijn tegenstanders in gevaar, erg geliefd was hij niet. Zijn rijstijl leverde hem al van bij de amateurs de bijnaam Cowboy van Tasjkent op - al ziet hij er tegenwoordig meer uit als Winnetou. Bij Abdoe paste eerder een lied van Herman van Veen: 'Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, we hebben ongelofelijke haast. We moeten rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan.' Dat laatste al eens letterlijk. Zo maakte Abdoe in 1991 op de Champs-Elysées een doodsmak, omdat hij zoals vaak met het hoofd naar beneden sprintte en daardoor een obstakel naast de dranghekken gewoon niet zag. Minutenlang bleef hij met bebloed hoofd op de straatstenen liggen, dan krabbelde hij recht om de laatste honderd meter van de Tour af te leggen en zo zijn groene trui veilig te stellen. Meer dan een vleugje waanzin willen we Van Aert niet aanraden, maar na zijn val in de Tour van 2019 en de geboorte van zijn zoontje lijkt hij de gevaarlijke sprints soms wat te schuwen. Wie groen wil, moet het verstand al eens op nul zetten.