17 juli 1951: vandaag 62 jaar geleden. Eén dag nadat hij als allereerste Nederlander de gele trui veroverde, tuimelde Wim van Est 70 meter diep in een ravijn. Hij had tijdens de beklimming van de Aubisque een achterstand van vier minuten opgelopen tegenover de klimmers en dat was niet abnormaal: Van Est was te zwaar gebouwd om met de besten naar boven te rijden.

Maar hij kon de afzink beginnen aan de zijde van de Italiaan Magni die gold als de meest virtuoze daler uit het peloton en technisch zo bedreven was dat hij in de bochten amper diende te remmen. Van Est beet zich vast in het spoor van Magni, maar toen hij op een gegeven moment op de kiezel plat reed, kon hij zijn fiets niet meer onder controle houden. Hij miste een gevaarlijke S-bocht en dook recht de ravijn in.

Een huilende Wim van Est werd naar boven gesleept, wilde verder rijden, maar zijn knieën waren helemaal kapot en zijn enkels gezwollen. In Nederland kreeg hij een keizerlijke ontvangst. En, handig als van Est was, slaagde hij er ook in dat ongeluk te verzilveren: zijn Pontiac-uurwerk bleek na die val niet stuk te zijn. Het inspireerde de fabrikant tot de reclameslogan: 'Zeventig meter viel ik diep, mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac liep.'

Wim van Est opende achteraf 40 winkels, hij was de goudvink van Pontiac, toen hij in België ging rijden en er vijf wagens van Pontiac voor het peloton tuften, moest hij altijd vooruitrijden. Van Est werd helemaal dol van het snerpende geluid van de reclame, maar hij werd goed betaald en daar ging het hem om. Zo legde hij op zijn manier een kapitaal aan en ontpopte zich bovendien tot een bikkelharde onderhandelaar op de fiets. Hoe ouder hij werd, hoe meer koersen hij verkocht. En alle toprenners klopten graag bij hem aan.

Zijn drang naar geldgewin was niet in te dijken. Wim van Est zou heel zijn leven geassocieerd worden met die val in de Tour. Tot kort voor hij op een paar weken van zijn 80ste verjaardag stierf, op 1 mei 2003, werd hij in Nederland geregeld gevraagd voor sportavonden. Hij moest vertellen over de tijd van toen. Gratis deed Wim van Est dat uiteraard niet. Hij vroeg omgerekend 100 euro per avond. Want, zei hij altijd, voor wat hoort wat.

17 juli 1951: vandaag 62 jaar geleden. Eén dag nadat hij als allereerste Nederlander de gele trui veroverde, tuimelde Wim van Est 70 meter diep in een ravijn. Hij had tijdens de beklimming van de Aubisque een achterstand van vier minuten opgelopen tegenover de klimmers en dat was niet abnormaal: Van Est was te zwaar gebouwd om met de besten naar boven te rijden. Maar hij kon de afzink beginnen aan de zijde van de Italiaan Magni die gold als de meest virtuoze daler uit het peloton en technisch zo bedreven was dat hij in de bochten amper diende te remmen. Van Est beet zich vast in het spoor van Magni, maar toen hij op een gegeven moment op de kiezel plat reed, kon hij zijn fiets niet meer onder controle houden. Hij miste een gevaarlijke S-bocht en dook recht de ravijn in. Een huilende Wim van Est werd naar boven gesleept, wilde verder rijden, maar zijn knieën waren helemaal kapot en zijn enkels gezwollen. In Nederland kreeg hij een keizerlijke ontvangst. En, handig als van Est was, slaagde hij er ook in dat ongeluk te verzilveren: zijn Pontiac-uurwerk bleek na die val niet stuk te zijn. Het inspireerde de fabrikant tot de reclameslogan: 'Zeventig meter viel ik diep, mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac liep.' Wim van Est opende achteraf 40 winkels, hij was de goudvink van Pontiac, toen hij in België ging rijden en er vijf wagens van Pontiac voor het peloton tuften, moest hij altijd vooruitrijden. Van Est werd helemaal dol van het snerpende geluid van de reclame, maar hij werd goed betaald en daar ging het hem om. Zo legde hij op zijn manier een kapitaal aan en ontpopte zich bovendien tot een bikkelharde onderhandelaar op de fiets. Hoe ouder hij werd, hoe meer koersen hij verkocht. En alle toprenners klopten graag bij hem aan. Zijn drang naar geldgewin was niet in te dijken. Wim van Est zou heel zijn leven geassocieerd worden met die val in de Tour. Tot kort voor hij op een paar weken van zijn 80ste verjaardag stierf, op 1 mei 2003, werd hij in Nederland geregeld gevraagd voor sportavonden. Hij moest vertellen over de tijd van toen. Gratis deed Wim van Est dat uiteraard niet. Hij vroeg omgerekend 100 euro per avond. Want, zei hij altijd, voor wat hoort wat.