Dit artikel verscheen eerder in onze special over de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix

Het is een stralende februariochtend in Michelbeke, de nog altijd erg landelijke deelgemeente van Brakel, waartoe het sinds 1971 behoort, in het zuidoosten van Oost-Vlaanderen. Dit is nog zo'n dorp waar je, als je er niet moet zijn, nooit passeert, met amper 1000 inwoners. De jeugdvoetballertjes van vierdeprovincialer Standaard Michelbeke zijn op deze zaterdagochtend aan de slag. Wat verderop staat de sporthal waar de vrouwenvolleybalploeg van Michelbeke speelt, die veertien dagen eerder voor de tweede keer in de finale van de beker van België stond.

Alsof ze door de plotse zon en ongewoon hoge februaritemperaturen uit hun winterslaap zijn gewekt, stuiven de wielertoeristen door de Lepelstraat, waar straks, zoals elk jaar, de Ronde passeert. In hun vaart herkennen ze in één oogopslag Herman De Croo, een jongeman van 81 die met de hand omhoog aan de overkant van zijn ouderlijk huis poseert voor een groot bord met als opschrift 'Herman De Croo groet de Ronde'.

'Hé, Herman!', klinkt het bij de voorbij vliegende renners, alsof het allemaal in scène is gezet voor een film.

Maar dat is het niet.

Ineens suist ook een skateboarder in volle vaart voorbij. Het is Alexander De Croo, die net als zijn vader in deze straat woont. Herman De Croo lacht: 'Dat ziet ge niet vaak, hé, een vicepremier op een skateboard.'

De woensdag voor de Ronde worden de zware borden op hun ijzeren leuning in de grond gestopt, en de dag na de koers weer weggehaald. In 1974 waren het er twee, één waar de Ronde Michelbeke binnenreed en één op de Berendries. Tegenwoordig zijn het er vijftien, verspreid over heel Brakel. Buiten zijn fief wil de minister van staat niet gaan.

Na de fotosessie schenkt hij koffie bij hem thuis, waar zijn met boeken gevulde werkkamer via een groot raam een prachtig uitzicht biedt. Met veel liefde en passie praat De Croo over zijn dorp en zijn streek. Zo gehecht is hij eraan dat hij het er ook op zijn leeftijd voor over heeft om elke ochtend van hier naar Brussel te rijden. Dat gebeurt langs kleine wegen van Brakel over Ninove tot Dilbeek, waar de snelheid gereduceerd is en waar geregeld halt moet gehouden worden voor de verkeerslichten. 'Zeventien zijn het er', weet hij. Verhuizen naar Brussel, wat veel praktischer zou zijn, heeft hij nooit overwogen. 'Ik heb hier op het kerkhof zelfs al een grafsteen met mijn naam erop.'

De Ronde is een kortstondige hypnose, van een uniek evenement dat voor één keer uw straatje aandoet.

Herman De Croo

Het is ooit wel ter sprake gekomen. 'Toen ik nog geen 30 was, zei wijlen Omer Vanaudenhove, de stichter van de PVV ( nu Open VLD, nvdr), me eens: 'Herman, kom op in Brussel, ge kunt bijvoorbeeld burgemeester worden van Ukkel, met uw tweetaligheid.' Ik repliceerde: 'Waarom kom jij niet naar Brussel?' Maar hij wilde burgemeester van Diest blijven. En ik wilde in Michelbeke blijven.'

Dat hij vanuit Brakel niet even gauw de snelweg op kan scheuren, richting Brussel, heeft hij ook aan zichzelf te wijten. Hij toont de natuur waar hij vanaf zijn werkkamer zicht op heeft. 'Toen er sprake was dat hier een snelweg zou komen, heb ik me daartegen verzet. Ik vond het geen goed idee dat dit stuk prachtige natuur zou doorkruist worden door een snelweg en dat in elk dorp een industriepark zou komen, met alle koterijen die daar soms bij horen. Niet iedereen was daar blij mee, maar ik heb het voor de volgende generaties gedaan, om tenminste één groot ononderbroken stuk Vlaanderen autowegvrij te houden. Tussen de verstedelijkte assen Antwerpen-Brussel-Aalst aan de rechterkant en Kortrijk-Waregem-Gent aan de andere kant hebt ge hier nog een soort verpozingsgebied. Van Aalst en Dilbeek tot Kruishoutem aan de ene kant en van Lessen in het zuiden tot Wetteren en Merelbeke in het noorden is hier nog een streek van 30 bij 60 kilometer zonder snelweg. Waar wij hier zitten, moet ge in om het even welke richting 25 kilometer afleggen tot een autosnelweg. De voor hier geplande A8 is toen naar het zuiden opgeschoven. In Wallonië waren ze er heel blij mee.'

Het gevolg is dat hij ook zelf langer onderweg is naar Brussel. 'Ik heb het uitgerekend: ik zit ongeveer 1500 uur per jaar in de auto. Maar zelf rijden doe ik zelden. Ik betaal uit eigen zak twee chauffeurs die elk drieënhalve dag per week - want ik werk zeven dagen op zeven - met mij overal naartoe rijden. Daardoor kan ik tijdens de rit werken zonder op het verkeer te moeten letten. Om kwart over zes vertrek ik hier 's ochtends in Michelbeke en ik ben om halfacht in mij kantoor in het parlement. Op dat uur en een kwart heb ik mijn kranten doorgenomen, zaken gedicteerd op mijn bandrecordertje of mijn dossiers doorgenomen.'

Ook in het weekend rust hij amper uit. 'Als ge in de politiek niet elk weekend werkt, blijft ge niet aan de top. Ik word vandaag, een zaterdag, nog verwacht op drie plaatsen, en morgen heb ik ook drie afspraken. Dit is wat mijn secretariaat 'een rustig weekend' noemt.'

Wanneer rust hij dan uit? 'Niet. Wel ga ik elke week een paar uur paardrijden.' Hij heeft het eens uitgerekend: 'Omdat ik in de weekends werk en geen vakantie neem, kom ik aan 134 werkdagen meer dan de gemiddelde werknemer. Ik werk zo'n 80 uur per week. Maar ik kies daar zelf voor, hé.' En toch oogt hij fris, al zat hij de dag tevoren nog voor een meeting in Parijs. 'Om 5.15 uur vertrokken van Michelbeke naar Rijsel, aankomst daar om 6.20 uur. Om 6.44 uur de TGV op, om 8.15 uur op de conferentie. Dat is in minder dan drie uur van Michelbeke naar hartje Parijs.'

Meerbeke

Maar we zouden het hebben over zijn Ronde van Vlaanderen. Een jaarlijkse afspraak die hij altijd ruim van tevoren inpast in zijn agenda. Niet dat Herman De Croo zelf ooit aan wielrennen heeft gedaan. Zijn zoon Alexander doet wél jaarlijks mee aan de Ronde voor wielerliefhebbers, die elk jaar de dag voor de Ronde verreden wordt.

Tot de studies en de politiek hem lokten, sportte hij zelf nog actief. 'Voetbal was mijn sport op het college. Ik was linksbuiten, met als bijnaam 'De Bulldozer'. Ik was heel snel. Bij ASSA Ronse ben ik dan atletiek gaan doen. Ik heb op mijn zestiende op de piste van Vlierzele nog de 400 meter gewonnen bij de scholieren, ik kreeg mijn medaille uit de handen van Roger Moens, onze olympische kampioen. Op mijn achttiende ben ik gaan studeren aan de ULB.' In plaats van de Olympische Spelen wachtte de nationale politiek in Brussel. 'Ik zit in het partijbureau sinds 1959 en sinds 1968 in het parlement: 60 jaar onafgebroken ben ik in de nationale politiek bezig. Een record.'

Herman De Croo bij een van de vijftien borden die hij voor de Ronde van Vlaanderen in heel Brakel laat opstellen., KOEN BAUTERS
Herman De Croo bij een van de vijftien borden die hij voor de Ronde van Vlaanderen in heel Brakel laat opstellen. © KOEN BAUTERS

Toen hij in 1964 burgemeester van Michelbeke werd, richtte hij een wielerclub op, Hoger Op, die jarenlang een liefhebberskoers en een veldcross organiseerde. 'Ge moest altijd een koerscommissaris hebben. In het reglement stond dat dat géén vrouw mocht zijn. Mijn vrouw, die nochtans een uitstekende chauffeur was, mocht niet aan het stuur zitten van de délégué. Ongelofelijk, hé, in 1964. We hebben dan nog gauw iemand anders moeten zoeken, een man. Een paar jaar later heeft mijn vrouw wel achter het stuur plaatsgenomen, door te zeggen dat we niemand anders vonden. Zo doorbreek je dat soort voorbijgestreefde toestanden.'

Maar we zouden het dus over de Ronde van Vlaanderen hebben.

'Ha ja, de Ronde.'

Nog geen enkele Ronde heeft Herman De Croo gemist, sinds hij Vlaanderens Mooiste voor het eerst beleefde. 'Dat was in 1974, het jaar nadat de aankomst naar Meerbeke verhuisd was, aan het geboortehuis van mijn moeder aan de Eendenplas, waar de viptenten stonden. Tenminste: na enige tijd. De eerste jaren was de receptie in de keuken en de living van de villa van Etienne Cosijns, de voormalige burgemeester van Meerbeke en later van Ninove.'

Aan anekdotes geen gebrek na al die jaren. Zoals die keer bij de 90e editie in 2006, toen koning Albert naar de aankomst in Meerbeke trok. 'De laatste 25 jaar rijd ik de koers altijd in de auto van hoofdgeneesheer Walter Jacobs en de vroegere Antwerpse provinciegouverneur Camille Paulus, die de laatste jaren niet meer mee kan. Dat was een ideale combinatie: Camille, een groot wielerliefhebber, kende alle coureurs, en ik ken elke straat in het landschap.'

'Maar wat ik eigenlijk wilde vertellen, is die anekdote met de koning. Toen de auto me in 2006 afzette aan de eretribune aan de meet in Meerbeke, zat die al vol met mensen, die zich in afwachting van de komst van de renners wat begonnen te vervelen. Ik stap uit de auto, ga die tribune op, die spontaan scandeert: 'De Croo, De Croo, De Croo!' Wanneer ik, een beetje gegeneerd, naast de koning plaatsneem, fluistert hij me in het oor: 'Zeg, hoe doet u dat? Toen ik hier tien minuten voor u arriveerde, scandeerde niemand: Albert, Albert, Albert.' Ik heb hem geantwoord: 'Dat komt omdat mijn mama van hier is.' 'Ha, zo', zei hij.' En De Croo schatert het uit.

Jacques Brel

'Ik stap nooit bij de start in de auto. De eerste drie uur is het parcours zo plat als een vijg. Daar gebeurt niets. Tenzij een coureur op zoek is naar een nieuw contract. Die wil zich daar wel eens in de kijker fietsen. Ik stap in rond Oudenaarde, wanneer de Ronde begint, rond 12.30 uur. Want in feite is de Ronde van Vlaanderen de Ronde van Zuidoost-Vlaanderen en dus de Ronde van de Vlaamse Ardennen. Jacques Brel had het over Le Plat Pays wanneer hij over Vlaanderen zong, maar dat klopt niet. Het is niet plat. Hij dacht dat, omdat hij als kind met zijn ouders op weg ging van Brussel naar de kust.'

'Met de eerste geneesheer de auto delen heeft een voor- en een nadeel. Voordeel is dat hij rijdt waar hij wil, waar anderen niet mogen rijden ook. Ge hebt dat maar in drie soorten auto's in een grote koers zoals de Ronde: die van de koersdirecteur, die van een ploegleider of die van de hoofddokter. Nadeel is dat als een renner geblesseerd is, ge moet stoppen en niet weet wanneer ge weer vooraan in de koers zult geraken. Ik kan u uit ervaring verzekeren dat het een hele onderneming is om bijvoorbeeld van de 106e plaats in het peloton weer naar de eerste te rijden.'

Bang is hij zelden in de volgwagen. 'Vroeger, toen ik de Ronde soms volgde met Guillaume Driessens aan het stuur, was dat anders. Die durfde de auto wel eens door het veld te sturen om een stuk parcours af te snijden.' Wat hem fascineert, is de snelheid van de gladiatoren op de fiets. 'Als ge op de Paterberg, waar geen andere auto's door mogen, op de snelheidsmeter van de auto leest: 75 kilometer per uur, terwijl je zo'n 50 meter achter de drie koplopers rijdt, weet ge: hier mag niets gebeuren of het loopt mis. Eén keer slechts ben ik een beetje bang geweest. Toen op de Koppenberg een motard met een tv-cameraman stilviel en niemand meer door kon, en er geschreeuwd werd: vooruit, uit de weg!'

Toen ik de tribune in Meerbeke beklom, scandeerde iedereen: De Croo, De Croo! De koning fluisterde me in het oor: hoe doet u dat?

Herman De Croo

Vertenting

De Ronde, dat is met de jaren 'meer van alles' geworden, stelt de minister van staat vast. 'Als het mooi weer is, passeert ge wel 500.000 mensen langs het parcours. Dat is één Vlaming op twaalf. Als Vlaams politicus ziet ge nooit zoveel kiezers samen dan op de dag van de Ronde. Ik heb één keer een lezing gegeven in het Indiase New Delhi, waar meer dan één miljoen mensen opgedaagd waren. Welnu: de Ronde komt daar vlak achter. Het is een volksfeest. Ik heb ook drie keer Parijs-Brussel gevolgd. Vanaf Senlis, het vertrekpunt, tot de Franse grens staat er geen kat langs de weg. Ik heb daar gezien hoe ineens het ganse peloton, 120 man sterk, aan de kant van de weg ging staan voor een plaspauze. Indrukwekkend zicht is dat, hoor. Eenmaal in België staat er wel volk en begint men te koersen. Ooit zag ik hoe een eenzame vluchter, nog in Frankrijk, 17 minuten voorsprong had. Ik was overtuigd dat die zou winnen, maar Raymond Impanis, de vroegere kampioen, die aan het stuur zat, schudde het hoofd. 'Die wil alleen maar een nieuw contract, hij mag blij zijn als hij straks de meet haalt.' En zo ging het ook.'

Herman De Croo: 'Ik werk zeven dagen op zeven, maar ik ga wel elke week een paar uur paardrijden.', KOEN BAUTERS
Herman De Croo: 'Ik werk zeven dagen op zeven, maar ik ga wel elke week een paar uur paardrijden.' © KOEN BAUTERS

Niet alleen het aantal toeschouwers nam met de jaren toe, ook het aantal tenten én het aantal leeuwenvlaggen waarmee gezwaaid wordt. 'Vroeger hadt ge dat niet, die Vlaamse vlaggen. Ik houd altijd mijn hart vast wanneer die vlaggenzwaaiers zo dicht bij de renners staan. Ge wilt er niet aan denken dat een Vlaamse Leeuw een renner ten val zou brengen.'

'De tenten zijn een nieuw fenomeen. Ik heb daar een nieuw woord voor uitgevonden: de ver-tenting. In de jaren 70 hadt ge drie, vier kleine tenten over heel het parcours. Nu zijn dat soms tenten van 50 tot 100 meter lang, ook omdat ge op bepaalde trajecten de renners drie keer kunt zien. Ik snap dat wel. Als vroeger een vrouw op haar hoge rode schoenen de tent uit stapte nadat ze haar portootje had opgedronken, waren de renners al weg. Nu ziet iedereen hen verschillende keren. Soms neemt hetgeen er door de nieuwe commerciële ontwikkeling bij komt kijken, extreme vormen aan. Een cafébaas kwam ooit bij mij klagen dat hij de koerstaks die langs het parcours geheven wordt, moet betalen omdat de bezoekers van zijn café die buiten staan wanneer de renners passeren, hen gratis zien voorbijrijden. Maar daarop repliceert Wouter Vandenhaute: 'Als ik daar niet passeer, staat daar geen kat.' Dat is ook waar. De laatste jaren is, door die sfeer, de Ronde een mondain evenement geworden, zoals Waregem Koerse maar dan voor renners. Met dat verschil dat op Waregem Koerse iedereen komt om gezien te worden, maar dat ze naar de Ronde nog altijd komen om te kijken.'

'De Ronde is met de jaren een ongelofelijke onderneming geworden, die ook wordt gebruikt voor de vorming van jonge politiemannen en jonge ambulanciers. Op een dag werden we op de terugweg van de Ronde tegengehouden door een cordon van wel 30 jonge politiemannen. Alle auto's werden gecontroleerd. Ze wilden me laten doorrijden, maar ik zei: neen, neen, ik wil gecontroleerd worden, zoals iedereen!' Hij lacht.

Gladiatoren

Wat maakt die eendagswedstrijd in het voorjaar zo speciaal? 'De Ronde heeft de kenmerken van een Grieks drama: eenheid van tijd, eenheid van actie en eenheid van ruimte. Alles gebeurt bijna zoals op een scène. Je weet wanneer het begint en ongeveer wanneer het afloopt.'

'Het is de grootste kijk die de wereld op Vlaanderen heeft. In 2005 was Brakel het Dorp van de Ronde. Ik was er toen burgemeester en deed een oproep om oude fietsen bijeen te brengen en die aaneen te lassen. Een duizendtal kwamen er binnen. Het monument staat er nog altijd en iedereen kent het, ook buiten België. Dat is de kracht van de Ronde. Op het grondgebied van alle Brakelse deelgemeenten samen waren er in dat jaar 26 kilometer van de Ronde. Geen andere stad of gemeente had meer kilometers. Met het nieuwe parcours is dat ietsje minder. Ik was eerst bang dat de mensen zouden thuisblijven, maar het is er niet minder druk op geworden. Nu hebben de mensen de tijd om naar hier te komen en daarna naar huis te gaan en daar de aankomst te zien. De Berendries doen ze twee uur voor de aankomst aan, maar het staat er nog altijd vol. Vroeger geraakte je niet meer thuis voor de aankomst, moesten er grote schermen geplaatst worden. Het grootste nadeel is dat we vroeger dicht bij de finish zaten, we voelden hier de adrenaline al volop.'

Wat maakt de Ronde tot zo'n succes? 'De beheerste populariteit. Het begint op vrijdag en het eindigt op zondagavond. Het is het moment waar de mensen naartoe kunnen leven, er wordt flink naar opgebouwd in de media. Dan is er de sfeer, de mensen, het getoeter, de helikopters boven u. Ge zit in een roes van uitzonderlijkheden, tussen één uur en vijf uur 's middags. De mensen zijn als het ware gehypnotiseerd. Zoals bij de gladiatoren vroeger. De coureurs moeten het op dat ene moment doen, voor uw ogen. Het is een soort kortstondige hypnose, van een uniek evenement dat voor één keer uw straatje aandoet, tevens het sportevenement dat in België het grootste aantal mensen fysiek op de been brengt. Het is hét sportevenement van het jaar voor iedereen, jong en oud. Het is ook een ode aan de Vlaamse Ardennen, het mooiste visitekaartje dat mijn streek zich kan voorstellen.'

Stichter van de volleybalclub

Herman De Croo stichtte 55 jaar geleden mee de plaatselijke volleybalclub Saturnus, die in februari dit jaar de bekerfinale bij de vrouwen speelde (en verloor van Hermes Oostende). Het was de tweede bekerfinale ooit voor Michelbeke, na die in 2014.

'Aanvankelijk speelde men op het dorpspleintje, toen volleybal nog een buitensport was', vertelt De Croo. 'Later werd er vanaf 1978 op het oude stationsplein in een zelfgebouwde loods gespeeld. Eenmaal in de Eredivisie werd er in 2005 een nieuwe zaal gebouwd.'

Intussen speelt Michelbeke veertien jaar in eerste klasse, in een eigen zaal, eigendom van de club. 'Volleybal heeft, net als tennis, twee handicaps. Als je in je eigen installaties speelt, moet je onder andere grondlasten betalen. 'Wij betalen aan Brakel bijna 4000 euro grondlasten per jaar. Dat is haast evenveel als de toelage die we krijgen. Bovendien weet je nooit wanneer de wedstrijd afgelopen zal zijn, iets wat je bij pakweg basket en voetbal wél weet. Daardoor kun je volleybal moeilijk inplannen op tv. Als je match vijf sets heeft in plaats van drie, is er een probleem. Dus: minder zichtbaarheid, minder adverteerders en minder tv-uitzendingen.'

Maar de club overleeft nog altijd op het hoogste niveau, nu met drie buitenlandse speelsters, en dat in een dorp van amper 1000 inwoners. 'Alleen dankzij de inspanning van drie, vier mensen die dag en nacht werken om dat allemaal rond te krijgen, naast hun gewone job.' Zelf woont De Croo om de twee weken nog de vergaderingen bij. 'We hebben via leasing dertien auto's die ter beschikking staan van de trainers en speelsters. Die auto's zijn de enige plaats waar je goed zichtbaar reclame kunt maken voor je adverteerders. Als je met een bus op verplaatsing gaat, kun je geen reclame maken.'

Het is een stralende februariochtend in Michelbeke, de nog altijd erg landelijke deelgemeente van Brakel, waartoe het sinds 1971 behoort, in het zuidoosten van Oost-Vlaanderen. Dit is nog zo'n dorp waar je, als je er niet moet zijn, nooit passeert, met amper 1000 inwoners. De jeugdvoetballertjes van vierdeprovincialer Standaard Michelbeke zijn op deze zaterdagochtend aan de slag. Wat verderop staat de sporthal waar de vrouwenvolleybalploeg van Michelbeke speelt, die veertien dagen eerder voor de tweede keer in de finale van de beker van België stond. Alsof ze door de plotse zon en ongewoon hoge februaritemperaturen uit hun winterslaap zijn gewekt, stuiven de wielertoeristen door de Lepelstraat, waar straks, zoals elk jaar, de Ronde passeert. In hun vaart herkennen ze in één oogopslag Herman De Croo, een jongeman van 81 die met de hand omhoog aan de overkant van zijn ouderlijk huis poseert voor een groot bord met als opschrift 'Herman De Croo groet de Ronde'. 'Hé, Herman!', klinkt het bij de voorbij vliegende renners, alsof het allemaal in scène is gezet voor een film. Maar dat is het niet. Ineens suist ook een skateboarder in volle vaart voorbij. Het is Alexander De Croo, die net als zijn vader in deze straat woont. Herman De Croo lacht: 'Dat ziet ge niet vaak, hé, een vicepremier op een skateboard.' De woensdag voor de Ronde worden de zware borden op hun ijzeren leuning in de grond gestopt, en de dag na de koers weer weggehaald. In 1974 waren het er twee, één waar de Ronde Michelbeke binnenreed en één op de Berendries. Tegenwoordig zijn het er vijftien, verspreid over heel Brakel. Buiten zijn fief wil de minister van staat niet gaan. Na de fotosessie schenkt hij koffie bij hem thuis, waar zijn met boeken gevulde werkkamer via een groot raam een prachtig uitzicht biedt. Met veel liefde en passie praat De Croo over zijn dorp en zijn streek. Zo gehecht is hij eraan dat hij het er ook op zijn leeftijd voor over heeft om elke ochtend van hier naar Brussel te rijden. Dat gebeurt langs kleine wegen van Brakel over Ninove tot Dilbeek, waar de snelheid gereduceerd is en waar geregeld halt moet gehouden worden voor de verkeerslichten. 'Zeventien zijn het er', weet hij. Verhuizen naar Brussel, wat veel praktischer zou zijn, heeft hij nooit overwogen. 'Ik heb hier op het kerkhof zelfs al een grafsteen met mijn naam erop.' Het is ooit wel ter sprake gekomen. 'Toen ik nog geen 30 was, zei wijlen Omer Vanaudenhove, de stichter van de PVV ( nu Open VLD, nvdr), me eens: 'Herman, kom op in Brussel, ge kunt bijvoorbeeld burgemeester worden van Ukkel, met uw tweetaligheid.' Ik repliceerde: 'Waarom kom jij niet naar Brussel?' Maar hij wilde burgemeester van Diest blijven. En ik wilde in Michelbeke blijven.' Dat hij vanuit Brakel niet even gauw de snelweg op kan scheuren, richting Brussel, heeft hij ook aan zichzelf te wijten. Hij toont de natuur waar hij vanaf zijn werkkamer zicht op heeft. 'Toen er sprake was dat hier een snelweg zou komen, heb ik me daartegen verzet. Ik vond het geen goed idee dat dit stuk prachtige natuur zou doorkruist worden door een snelweg en dat in elk dorp een industriepark zou komen, met alle koterijen die daar soms bij horen. Niet iedereen was daar blij mee, maar ik heb het voor de volgende generaties gedaan, om tenminste één groot ononderbroken stuk Vlaanderen autowegvrij te houden. Tussen de verstedelijkte assen Antwerpen-Brussel-Aalst aan de rechterkant en Kortrijk-Waregem-Gent aan de andere kant hebt ge hier nog een soort verpozingsgebied. Van Aalst en Dilbeek tot Kruishoutem aan de ene kant en van Lessen in het zuiden tot Wetteren en Merelbeke in het noorden is hier nog een streek van 30 bij 60 kilometer zonder snelweg. Waar wij hier zitten, moet ge in om het even welke richting 25 kilometer afleggen tot een autosnelweg. De voor hier geplande A8 is toen naar het zuiden opgeschoven. In Wallonië waren ze er heel blij mee.' Het gevolg is dat hij ook zelf langer onderweg is naar Brussel. 'Ik heb het uitgerekend: ik zit ongeveer 1500 uur per jaar in de auto. Maar zelf rijden doe ik zelden. Ik betaal uit eigen zak twee chauffeurs die elk drieënhalve dag per week - want ik werk zeven dagen op zeven - met mij overal naartoe rijden. Daardoor kan ik tijdens de rit werken zonder op het verkeer te moeten letten. Om kwart over zes vertrek ik hier 's ochtends in Michelbeke en ik ben om halfacht in mij kantoor in het parlement. Op dat uur en een kwart heb ik mijn kranten doorgenomen, zaken gedicteerd op mijn bandrecordertje of mijn dossiers doorgenomen.' Ook in het weekend rust hij amper uit. 'Als ge in de politiek niet elk weekend werkt, blijft ge niet aan de top. Ik word vandaag, een zaterdag, nog verwacht op drie plaatsen, en morgen heb ik ook drie afspraken. Dit is wat mijn secretariaat 'een rustig weekend' noemt.' Wanneer rust hij dan uit? 'Niet. Wel ga ik elke week een paar uur paardrijden.' Hij heeft het eens uitgerekend: 'Omdat ik in de weekends werk en geen vakantie neem, kom ik aan 134 werkdagen meer dan de gemiddelde werknemer. Ik werk zo'n 80 uur per week. Maar ik kies daar zelf voor, hé.' En toch oogt hij fris, al zat hij de dag tevoren nog voor een meeting in Parijs. 'Om 5.15 uur vertrokken van Michelbeke naar Rijsel, aankomst daar om 6.20 uur. Om 6.44 uur de TGV op, om 8.15 uur op de conferentie. Dat is in minder dan drie uur van Michelbeke naar hartje Parijs.' Maar we zouden het hebben over zijn Ronde van Vlaanderen. Een jaarlijkse afspraak die hij altijd ruim van tevoren inpast in zijn agenda. Niet dat Herman De Croo zelf ooit aan wielrennen heeft gedaan. Zijn zoon Alexander doet wél jaarlijks mee aan de Ronde voor wielerliefhebbers, die elk jaar de dag voor de Ronde verreden wordt. Tot de studies en de politiek hem lokten, sportte hij zelf nog actief. 'Voetbal was mijn sport op het college. Ik was linksbuiten, met als bijnaam 'De Bulldozer'. Ik was heel snel. Bij ASSA Ronse ben ik dan atletiek gaan doen. Ik heb op mijn zestiende op de piste van Vlierzele nog de 400 meter gewonnen bij de scholieren, ik kreeg mijn medaille uit de handen van Roger Moens, onze olympische kampioen. Op mijn achttiende ben ik gaan studeren aan de ULB.' In plaats van de Olympische Spelen wachtte de nationale politiek in Brussel. 'Ik zit in het partijbureau sinds 1959 en sinds 1968 in het parlement: 60 jaar onafgebroken ben ik in de nationale politiek bezig. Een record.' Toen hij in 1964 burgemeester van Michelbeke werd, richtte hij een wielerclub op, Hoger Op, die jarenlang een liefhebberskoers en een veldcross organiseerde. 'Ge moest altijd een koerscommissaris hebben. In het reglement stond dat dat géén vrouw mocht zijn. Mijn vrouw, die nochtans een uitstekende chauffeur was, mocht niet aan het stuur zitten van de délégué. Ongelofelijk, hé, in 1964. We hebben dan nog gauw iemand anders moeten zoeken, een man. Een paar jaar later heeft mijn vrouw wel achter het stuur plaatsgenomen, door te zeggen dat we niemand anders vonden. Zo doorbreek je dat soort voorbijgestreefde toestanden.' Maar we zouden het dus over de Ronde van Vlaanderen hebben. 'Ha ja, de Ronde.' Nog geen enkele Ronde heeft Herman De Croo gemist, sinds hij Vlaanderens Mooiste voor het eerst beleefde. 'Dat was in 1974, het jaar nadat de aankomst naar Meerbeke verhuisd was, aan het geboortehuis van mijn moeder aan de Eendenplas, waar de viptenten stonden. Tenminste: na enige tijd. De eerste jaren was de receptie in de keuken en de living van de villa van Etienne Cosijns, de voormalige burgemeester van Meerbeke en later van Ninove.' Aan anekdotes geen gebrek na al die jaren. Zoals die keer bij de 90e editie in 2006, toen koning Albert naar de aankomst in Meerbeke trok. 'De laatste 25 jaar rijd ik de koers altijd in de auto van hoofdgeneesheer Walter Jacobs en de vroegere Antwerpse provinciegouverneur Camille Paulus, die de laatste jaren niet meer mee kan. Dat was een ideale combinatie: Camille, een groot wielerliefhebber, kende alle coureurs, en ik ken elke straat in het landschap.' 'Maar wat ik eigenlijk wilde vertellen, is die anekdote met de koning. Toen de auto me in 2006 afzette aan de eretribune aan de meet in Meerbeke, zat die al vol met mensen, die zich in afwachting van de komst van de renners wat begonnen te vervelen. Ik stap uit de auto, ga die tribune op, die spontaan scandeert: 'De Croo, De Croo, De Croo!' Wanneer ik, een beetje gegeneerd, naast de koning plaatsneem, fluistert hij me in het oor: 'Zeg, hoe doet u dat? Toen ik hier tien minuten voor u arriveerde, scandeerde niemand: Albert, Albert, Albert.' Ik heb hem geantwoord: 'Dat komt omdat mijn mama van hier is.' 'Ha, zo', zei hij.' En De Croo schatert het uit. 'Ik stap nooit bij de start in de auto. De eerste drie uur is het parcours zo plat als een vijg. Daar gebeurt niets. Tenzij een coureur op zoek is naar een nieuw contract. Die wil zich daar wel eens in de kijker fietsen. Ik stap in rond Oudenaarde, wanneer de Ronde begint, rond 12.30 uur. Want in feite is de Ronde van Vlaanderen de Ronde van Zuidoost-Vlaanderen en dus de Ronde van de Vlaamse Ardennen. Jacques Brel had het over Le Plat Pays wanneer hij over Vlaanderen zong, maar dat klopt niet. Het is niet plat. Hij dacht dat, omdat hij als kind met zijn ouders op weg ging van Brussel naar de kust.' 'Met de eerste geneesheer de auto delen heeft een voor- en een nadeel. Voordeel is dat hij rijdt waar hij wil, waar anderen niet mogen rijden ook. Ge hebt dat maar in drie soorten auto's in een grote koers zoals de Ronde: die van de koersdirecteur, die van een ploegleider of die van de hoofddokter. Nadeel is dat als een renner geblesseerd is, ge moet stoppen en niet weet wanneer ge weer vooraan in de koers zult geraken. Ik kan u uit ervaring verzekeren dat het een hele onderneming is om bijvoorbeeld van de 106e plaats in het peloton weer naar de eerste te rijden.' Bang is hij zelden in de volgwagen. 'Vroeger, toen ik de Ronde soms volgde met Guillaume Driessens aan het stuur, was dat anders. Die durfde de auto wel eens door het veld te sturen om een stuk parcours af te snijden.' Wat hem fascineert, is de snelheid van de gladiatoren op de fiets. 'Als ge op de Paterberg, waar geen andere auto's door mogen, op de snelheidsmeter van de auto leest: 75 kilometer per uur, terwijl je zo'n 50 meter achter de drie koplopers rijdt, weet ge: hier mag niets gebeuren of het loopt mis. Eén keer slechts ben ik een beetje bang geweest. Toen op de Koppenberg een motard met een tv-cameraman stilviel en niemand meer door kon, en er geschreeuwd werd: vooruit, uit de weg!' De Ronde, dat is met de jaren 'meer van alles' geworden, stelt de minister van staat vast. 'Als het mooi weer is, passeert ge wel 500.000 mensen langs het parcours. Dat is één Vlaming op twaalf. Als Vlaams politicus ziet ge nooit zoveel kiezers samen dan op de dag van de Ronde. Ik heb één keer een lezing gegeven in het Indiase New Delhi, waar meer dan één miljoen mensen opgedaagd waren. Welnu: de Ronde komt daar vlak achter. Het is een volksfeest. Ik heb ook drie keer Parijs-Brussel gevolgd. Vanaf Senlis, het vertrekpunt, tot de Franse grens staat er geen kat langs de weg. Ik heb daar gezien hoe ineens het ganse peloton, 120 man sterk, aan de kant van de weg ging staan voor een plaspauze. Indrukwekkend zicht is dat, hoor. Eenmaal in België staat er wel volk en begint men te koersen. Ooit zag ik hoe een eenzame vluchter, nog in Frankrijk, 17 minuten voorsprong had. Ik was overtuigd dat die zou winnen, maar Raymond Impanis, de vroegere kampioen, die aan het stuur zat, schudde het hoofd. 'Die wil alleen maar een nieuw contract, hij mag blij zijn als hij straks de meet haalt.' En zo ging het ook.' Niet alleen het aantal toeschouwers nam met de jaren toe, ook het aantal tenten én het aantal leeuwenvlaggen waarmee gezwaaid wordt. 'Vroeger hadt ge dat niet, die Vlaamse vlaggen. Ik houd altijd mijn hart vast wanneer die vlaggenzwaaiers zo dicht bij de renners staan. Ge wilt er niet aan denken dat een Vlaamse Leeuw een renner ten val zou brengen.' 'De tenten zijn een nieuw fenomeen. Ik heb daar een nieuw woord voor uitgevonden: de ver-tenting. In de jaren 70 hadt ge drie, vier kleine tenten over heel het parcours. Nu zijn dat soms tenten van 50 tot 100 meter lang, ook omdat ge op bepaalde trajecten de renners drie keer kunt zien. Ik snap dat wel. Als vroeger een vrouw op haar hoge rode schoenen de tent uit stapte nadat ze haar portootje had opgedronken, waren de renners al weg. Nu ziet iedereen hen verschillende keren. Soms neemt hetgeen er door de nieuwe commerciële ontwikkeling bij komt kijken, extreme vormen aan. Een cafébaas kwam ooit bij mij klagen dat hij de koerstaks die langs het parcours geheven wordt, moet betalen omdat de bezoekers van zijn café die buiten staan wanneer de renners passeren, hen gratis zien voorbijrijden. Maar daarop repliceert Wouter Vandenhaute: 'Als ik daar niet passeer, staat daar geen kat.' Dat is ook waar. De laatste jaren is, door die sfeer, de Ronde een mondain evenement geworden, zoals Waregem Koerse maar dan voor renners. Met dat verschil dat op Waregem Koerse iedereen komt om gezien te worden, maar dat ze naar de Ronde nog altijd komen om te kijken.' 'De Ronde is met de jaren een ongelofelijke onderneming geworden, die ook wordt gebruikt voor de vorming van jonge politiemannen en jonge ambulanciers. Op een dag werden we op de terugweg van de Ronde tegengehouden door een cordon van wel 30 jonge politiemannen. Alle auto's werden gecontroleerd. Ze wilden me laten doorrijden, maar ik zei: neen, neen, ik wil gecontroleerd worden, zoals iedereen!' Hij lacht. Wat maakt die eendagswedstrijd in het voorjaar zo speciaal? 'De Ronde heeft de kenmerken van een Grieks drama: eenheid van tijd, eenheid van actie en eenheid van ruimte. Alles gebeurt bijna zoals op een scène. Je weet wanneer het begint en ongeveer wanneer het afloopt.' 'Het is de grootste kijk die de wereld op Vlaanderen heeft. In 2005 was Brakel het Dorp van de Ronde. Ik was er toen burgemeester en deed een oproep om oude fietsen bijeen te brengen en die aaneen te lassen. Een duizendtal kwamen er binnen. Het monument staat er nog altijd en iedereen kent het, ook buiten België. Dat is de kracht van de Ronde. Op het grondgebied van alle Brakelse deelgemeenten samen waren er in dat jaar 26 kilometer van de Ronde. Geen andere stad of gemeente had meer kilometers. Met het nieuwe parcours is dat ietsje minder. Ik was eerst bang dat de mensen zouden thuisblijven, maar het is er niet minder druk op geworden. Nu hebben de mensen de tijd om naar hier te komen en daarna naar huis te gaan en daar de aankomst te zien. De Berendries doen ze twee uur voor de aankomst aan, maar het staat er nog altijd vol. Vroeger geraakte je niet meer thuis voor de aankomst, moesten er grote schermen geplaatst worden. Het grootste nadeel is dat we vroeger dicht bij de finish zaten, we voelden hier de adrenaline al volop.' Wat maakt de Ronde tot zo'n succes? 'De beheerste populariteit. Het begint op vrijdag en het eindigt op zondagavond. Het is het moment waar de mensen naartoe kunnen leven, er wordt flink naar opgebouwd in de media. Dan is er de sfeer, de mensen, het getoeter, de helikopters boven u. Ge zit in een roes van uitzonderlijkheden, tussen één uur en vijf uur 's middags. De mensen zijn als het ware gehypnotiseerd. Zoals bij de gladiatoren vroeger. De coureurs moeten het op dat ene moment doen, voor uw ogen. Het is een soort kortstondige hypnose, van een uniek evenement dat voor één keer uw straatje aandoet, tevens het sportevenement dat in België het grootste aantal mensen fysiek op de been brengt. Het is hét sportevenement van het jaar voor iedereen, jong en oud. Het is ook een ode aan de Vlaamse Ardennen, het mooiste visitekaartje dat mijn streek zich kan voorstellen.'