Eigenlijk was hij liever thuis gebleven. Met tegenzin belde Jean-Pierre Monseré 's ochtends bij Roger en Eric De Vlaeminck aan om samen in één auto naar Retie te rijden om daar aan een koers deel te nemen. De anders levenslustige Monseré blaakte niet echt van enthousiasme. Maar misschien, pompte hij zichzelf onderweg moed in, was het niet slecht om wat extra competitiekilometers in de benen te hebben, vijf dagen voor Milaan-Sanremo. In de Primavera wilde hij schitteren.
...

Eigenlijk was hij liever thuis gebleven. Met tegenzin belde Jean-Pierre Monseré 's ochtends bij Roger en Eric De Vlaeminck aan om samen in één auto naar Retie te rijden om daar aan een koers deel te nemen. De anders levenslustige Monseré blaakte niet echt van enthousiasme. Maar misschien, pompte hij zichzelf onderweg moed in, was het niet slecht om wat extra competitiekilometers in de benen te hebben, vijf dagen voor Milaan-Sanremo. In de Primavera wilde hij schitteren. De wedstrijd in Retie paste in die voorbereiding. Maar het leek de bedoeling die koers niet uit te rijden. Zo was het samen met Roger en Eric besproken. Met zijn drieën reden ze naar de Kempen, ze zouden halverwege, na het afwerken van de grote ronde, stoppen. Zo hadden ze het ook lachend gezegd bij de pastoor bij wie ze zich hadden opgekleed: 'We zullen snel terug zijn.' Het was maandag 15 maart 1971. Het zou een inktzwarte dag worden in de geschiedenis van de Belgische wielersport. Monseré zat in een kopgroep van zeventien renners, ze reden op een lang stuk rechte weg in Lille, er waren 100 kilometer afgelegd, de renners stoven naar Retie waar er nog een paar plaatselijke ronden moesten worden afgelegd. Jean-Pierre wist dat de koers er voor hem bijna opzat. De wind blies in het nadeel, het peloton was in waaiers uiteengevallen. Jempi, zoals hij werd genoemd, had de kop van het groepje verlaten en zakte terug. Wellicht keek hij op een gegeven moment achterom om te zien of er achtervolgers te zien waren. Daardoor merkte hij te laat op dat er op het niet afgesloten parcours aan de zijkant van de weg een auto uit de tegenovergestelde richting kwam. De klap was verschrikkelijk. Monseré botste met volle geweld tegen de linkerflank van de wagen, werd door de voorruit gekatapulteerd en plofte op het betonnen wegdek. Iedereen uit de kopgroep stapte van de fiets en draaide meteen terug, zonder dat er een woord werd gesproken. Ze zagen een huiveringwekkend beeld: Monseré lag roerloos op de grond, hij bloedde uit zijn neus en linker wenkbrauw. De toegesnelde dokter luisterde aan de borst van Monseré en wist dat alle hulp nutteloos was. Overal lag er glas op de weg. Achter het stuur van de auto zat de vrouwelijke chauffeur roerloos voor zich uit te kijken, het stuur in de handen. Rond haar werd er gevloekt en getierd, maar ze hoorde het niet. Het is een beeld dat de wereld rondging: Jean-Pierre Monseré ligt met zijn regenboogtrui languit op de grond. Er werd een deken op hem gelegd. België is in diepe rouw. Twee dagen later lag Jean-Pierre Monseré in Roeselare opgebaard. Zijn visueel gehandicapte verzorger betastte zijn lichaam van kop tot teen. Hij somde alle opgelopen blessures op: van de zwaar gekneusde knie tot de gebroken nekwervel. De ploegmaats van Monseré, van wie er een deel waren teruggekomen uit Parijs-Nice, stonden er verslagen bij. Ze lieten de tranen de vrije loop. Meer dan 40.000 mensen zouden later de begrafenis bijwonen. Jean-Pierre Monseré leek als een flierefluiter door het leven te stappen. Als hij met enkele ploegmaats ging trainen, werd er veel gelachen. Er werd al eens gestopt bij een bakker of een café. Want je moest, zo zei hij, vooral van het leven genieten. Hij cultiveerde dat beeld graag. Hoewel hij nooit alcohol dronk, bestelde hij op café altijd een Rodenbach, om de inhoud van het het glas vervolgens in een bloembak te kieperen. De dag nadien kwam je Monseré alleen tegen. Hij beulde zich af alsof zijn leven ervan afhing. Hij boog op veel zelfdiscipline en had een grote zegehonger. Elke ochtend ging hij vroeg trainen. Hij was ook op trainingsgebied zijn tijd ver vooruit en zwoer als een van de eerste renners duurtraining af om vooral op interval te oefenen. Met zijn kinesist Jacques Delva werkte hij ook met lichte gewichten om zijn lichaamsbouw te versterken en zijn lenigheid aan te scherpen. Die eergierigheid, gekoppeld aan zelden geziene fysieke mogelijkheden, maakte van hem een renner die voorbestemd was om het wielrennen lang te domineren.In september 1969 werd de West-Vlaming prof. Enkele weken later won hij de Ronde van Lombardije. Maar hij beleefde weinig pret aan die zege. Monseré was als tweede geëindigd, na de Nederlander Gerben Karstens. Maar die testte bij een dopingcontrole positief. Niettemin was Jean-Pierre met zijn boezemvriend Roger De Vlaeminck klaar om de vesting Eddy Merckx te bestoken. Samen vormden ze een twee-eenheid. Ze haalden ook graag in de koers een grapje uit. Zoals in de Ronde van Lombardije van 1970, waarin Monseré met De Vlaeminck had afgesproken dat die zou aanvallen op het moment dat er in het peloton een wapenstilstand heerste om iedereen de gelegenheid te geven een plasje te maken. Dat gebeurde. De Vlaeminck verstopte zich wat verder achter een berm, achter een van de vele tunnels. Monseré ging vervolgens met een gladgestreken gezicht aan Eddy Merckx vertellen dat de laffe De Vlaeminck in de aanval was gegaan. Merckx zette zich als een bezetene op kop en begon te jagen. De Vlaeminck moest alles uit zijn lichaam persen om weer aan te sluiten, ging vervolgens naast Merckx rijden en vroeg hem waarom hij zo hard had gefietst. Omdat hij op tijd thuis moest zijn? Wat verder zat Monseré te lachen. De Roeselarenaar bereikte een eerste hoogtepunt toen hij in 1970 in het Engelse Leicester wereldkampioen werd. Met Eddy Merckx, Roger De Vlaeminck en Walter Godefroot kende de Belgische ploeg nogal wat kopmannen en niet iedereen kon zich vinden in de selectie van Monseré. Terwijl Jempi wel degelijk zijn plek had verdiend. Zes maanden eerder verblufte hij tijdens het Belgisch kampioenschap in Yvoir toen hij Merckx tot drie keer toe terughaalde. Dat was ongezien in die periode. Nadat beiden het op een akkoordje gegooid zouden hebben, snelde Merckx naar zijn eerste driekleur. Jean-Pierre Monseré was iemand zonder complexen en hij was van plan in Leicester volop zijn kans te gaan. Hij zat vanaf het begin in elke ontsnapping mee en dus ook in de beslissende, op zo'n 60 kilometer van het einde. Felice Gimondi sprong weg, Monseré wipte met een paar andere renners mee. Hij viel verschillende keren aan, maar geraakte niet weg. Tot in de laatste ronde. Monseré had met twee Fransen, Charly Rouxel en Alain Vasseur gepraat en die deden de deur dicht toen Jempi zijn ultieme aanval plaatste. Zo werd hij wereldkampioen. Achteraf vertelde Monseré dat Gimondi hem een half miljoen frank, 12.500 euro, had geboden indien hij wereldkampioen mocht worden. Monseré ging er niet op in. Het verhaal zorgde in Italië voor ongemeen veel opschudding.Hoe dan ook, de supporters stroomden toe voor zijn huis in Roeselare. Lenig als een kat kroop de speelvogel op het dak van zijn woning om de mensen te groeten. Monseré kreeg een monstercontract aangeboden van het Italiaanse Salvarani en tekende dat ook. Maar 's avonds vertelde hij tegen Flandriabaas Paul Claeys dat hij daar spijt van had. Vooral zijn vrouw Annie, met wie hij pas was getrouwd, wilde dat Jempi bij Flandria bleef. Dus vloog hij samen met Paul Claeys naar Italië om het contract te laten ontbinden. Zo staat het te lezen in het boek 'Jean-Pierre Monseré, voor altijd 22' dat Mark Van Hamme tien jaar geleden over het leven van de West-Vlaming schreef. Monseré pakte de baas van Salvarini in met zijn charme en die verscheurde de overeenkomst op voorwaarde dat hij zijn beschuldigingen aan het adres van Gimondi introk. Toch was hij zo door Monseré gecharmeerd dat hij hem ondanks de contractbreuk een gratis keuken beloofde. En hij hield woord: nadat Jean-Pierre verongelukt was, kreeg zijn weduwe op een dag een telefoontje met de vraag wanneer de nieuwe keuken geïnstalleerd kon worden. Jean-Pierre Monseré kwam uit een zeer bescheiden arbeidersgezin. Hij groeide op in een van de mindere wijken van Roeselare. Het Vlaamse publiek heeft zich altijd al herkend in renners die zich vanuit het drijfzand van de doffe berusting opwerken tot vedetten. In de rijke Vlaamse wielerhistorie zijn er tal van voorbeelden. Cyrille Van Hauwaert bijvoorbeeld die in de prehistorie door zijn prestaties het zelfbeeld van de Vlaming verhoogde. Zijn overwinningen straalden op iedereen af. Of Odiel Defraeye, de eerste Belgische Tourwinnaar, die in het begin van de twintigste eeuw uitgroeide tot een rolmodel en duidelijk maakte dat een volk zich alleen kon ontwikkelen als het lichamelijk sterk was. Ook Defraeye bracht de mensen zelfbewustzijn bij. Dat deed Monseré binnen een heel ander tijdsbeeld ergens ook. Hij groeide door zijn doorzetting uit tot een vedette, al gedroeg hij zich daar geen moment naar. Hij was zeer sociaal en sprak iedereen aan. Hij zei zelden nee als hij ergens werd geïnviteerd omdat hij iedereen een plezier wilde doen.Gevoelig was Jean-Pierre veel meer dan hij liet uitschijnen. Al op school nam hij het altijd op voor de zwaksten. Hij kon niet verdragen dat iemand gepest werd en sprong dan in de bres. En hij was supergevoelig voor mensen met een handicap. Monseré droomde aanvankelijk van een carrière als voetballer. Maar dat wilde niet zo goed lukken. Daarom schakelde hij maar over naar de wielersport. Toen hij zijn eerste koers reed, in 1961 in Lendelede, verscheen hij in een oud voetbalshirt aan de start. Daar werd lacherig over gedaan. Maar Jean-Pierre eindigde derde op 52 deelnemers. Het begin van zijn wielercarrière. Zijn eerste officiële wedstrijd, in Ruddervoorde, won hij met zeven minuten voorsprong. Jean-Pierre werd wel eens de Robin Hood van het peloton genoemd. Ook dat had te maken met zijn attitude, met zijn vriendelijkheid, onbevangenheid en spontane lach. Als amateur was hij in 1964 tweede geworden in het Belgisch kampioenschap. Vervolgens stapte Monseré over naar Flandria. Een West-Vlaming in West-Vlaamse loondienst. Hij was klaar om de wereld te veroveren. Als wereldkampioen won hij in 1971 meteen de Ronde van Andalusië. Het was de aanloop naar zijn eerste grote doel van het seizoen: Milaan-Sanremo. Tot die dag in Retie. Net zoals nu wachtte de koers ook toen op niemand. De ploeg van Flandria stond een paar dagen later gewoon aan het vertrek van Milaan-Sanremo. Maar niemand van zijn teamgenoten was er met zijn gedachten bij. Eén dag later was iedereen op de begrafenis. Ook Eddy Merckx haastte zich terug uit Italië, met de bloemen die hij na zijn zege in Milaan-Sanremo in ontvangst had genomen. De bloemen die Jean-Pierre graag in de hoogte had gehouden. Ze lagen nu op zijn kist. Monseré leeft tot op vandaag verder in de harten van familie, vrienden en fans. Er is een bijna mythische status rond hem gecreëerd.